2 Koningen 24:8-20
Dit had de geschiedenis moeten wezen van de regering van koning Jojachin, maar helaas, het is slechts de geschiedenis van koning Jojachins gevangenschap, zoals het genoemd wordt, Ezechiël 1:2.
Hij kwam tot de kroon, niet om de eer te hebben van haar te dragen maar om de schande te hebben van haar te verliezen, "Ideo tantum venerat, ut exiret", (Hij kwam slechts in, om weer uit te gaan).
I. Zijn regering was kort en onbeduidend. Hij regeerde slechts drie maanden, en toen werd hij gevankelijk naar Babel gevoerd, evenals dit met zijn vader waarschijnlijk geschied zou zijn, indien hij slechts zoveel langer geleefd had.
Welk een ongelukkige jonge vorst was dit, die in een vallend huis geworpen werd en op een nederzinkende troon!
Welk een onnatuurlijke vader had hij, die hem voortbracht om voor hem te lijden, en die door zijn eigen zonde en dwaasheid niets had om hem na te laten dan zijn eigen ellende!
Toch heeft deze jonge vorst nog lang genoeg geregeerd om te tonen dat hij rechtvaardig leed voor de zonden van zijn vaderen, want hij trad in hun voetstappen, vers 9.
Hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zoals zij gedaan hebben, hij deed niets om de erfenis van de vloek te doen wegnemen, zijn kroon van haar lasten te ontdoen en daarom: "Transit cum onere", (gaan de lasten over met de kroon), met zijn eigen ongerechtigheid zullen die van zijn vaderen ook voor zijn rekening komen.
II. De rampen, die over hem, zijn gezin en zijn volk reeds bij het begin van zijn regering gekomen zijn, waren zeer zwaar.
1. Jeruzalem werd belegerd door de koning van Babel, vers 10, 11.
Hij had zijn krijgsmacht gezonden om het land te verwoesten, en nu kwam hij zelf en sloeg het beleg voor de stad. Nu werd het woord van God vervuld, Deuteronomium 28:49 en verv.
De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre.... een volk, stijf van aangezicht.... dat zal eerst de vrucht uws lands opeten en dan u belegeren in al uw poorten, vers 52.
2. Jojachin heeft zich terstond op genade of ongenade overgegeven.
Zodra hij hoorde dat de koning van Babel in persoon tegen de stad was gekomen, wiens naam toen al zeer geducht was geworden, besloot hij tot de overgave en ging tot hem uit, vers 12.
Als hij zich met God had verzoend en de methode had gevolgd die Hizkia in een gelijk geval heeft aangenomen, dan had hij de koning van Babel niet behoeven te vrezen, maar hem kloekmoedig, met ere en voorspoed hebben kunnen weerstaan, (een zou er duizend gejaagd hebben) maar daar hem het geloof en de Godsvrucht van een Israëliet ontbrak, ontbrak hem ook de kloekmoedigheid van een man, een krijgsman, een vorst.
Hij gaf zich over met geheel de koninklijke familie, met zijn moeder, zijn vrouwen, zijn dienaren en zijn vorsten, en zo werden zij krijgsgevangenen, dit was er het gevolg van dat zij dienstknechten waren van de zonde.
3. Nebukadnezar plunderde de schatten zowel van de kerk als van de staat, en voerde van beide het goud en het zilver weg, vers 13.
Nu was het woord van God, door Jesaja, vervuld, Hoofdstuk 20:17.
Zelfs de vaten van de tempel, die Salomo gemaakt en opgelegd had, om gebruikt te worden als de oude versleten zouden zijn, nam hij weg van de tempel en begon ze in stukken te snijden, maar bij nader bedenken, bewaarde hij ze voor zijn eigen gebruik, want wij bevinden dat Belsazar er wijn uit dronk, Daniël 5:2, 3.
4. Zeer velen van de inwoners van Jeruzalem voerde hij gevankelijk weg ten einde de stad te verzwakken en zich zoveel beter de heerschappij er over te verzekeren, en deszelfs opstand te voorkomen, alsmede om zich te verrijken met de bezittingen of met de dienst van hen, die hij wegvoerde.
Sommigen waren reeds acht Jaren tevoren weggevoerd in het eerste jaar van Nebukadnezar en het derde van Jojakim, onder wie Daniël en zijn medegenoten waren. Zie Daniël 1:1, 2. Dezen hadden zich door hun edel gedrag zozeer in zijn goede mening aanbevolen, dat hij meer van hen begeerde. Nu voerde hij:
a. De jonge koning zelf en zijn gezin weg, vers 13, en wij bevinden, Hoofdstuk 25:27-27, dat hij zeven en dertig jaren in strenge gevangenschap heeft doorgebracht.
b. Al de rijksgroten, de vorsten en beambten, wier rijkdom bewaard werd tot hun eigen kwaad Prediker 5:12, daar zij de vijand er toe brachten om van hen het eerst zijn prooi te maken.
c. Al de krijgslieden, alle strijdbare helden, vers 14, de machtigen des lands, vers 15, alle kloeke mannen, alle helden, die ten oorlog geoefend waren vers 16.
Dezen konden zichzelf niet verdedigen, en de overwinnaar wilde hen niet achterlaten om hun land te verdedigen, maar voerde hen weg om in zijn dienst gebruikt te worden.
d. Al de handwerkslieden en smeden, die krijgswapenen vervaardigden, door deze te nemen heeft hij in werkelijkheid de stad ontwapend overeenkomstig de staatkunde van de Filistijnen, 1 Samuël 13:19.
In deze gevangenschap werd ook de profeet Ezechiël weggevoerd, Ezechiël I: 1, 2, en Mordechai, Esther 2:6. Deze Jojachin wordt ook Jechonia genoemd, 1 Kronieken 3:16 en in minachting Chonia, Jeremia 22:24, waar zijn gevangenschap voorzegd is.
III. De opvolger door de koning van Babel aangesteld in zijn plaats. God had hem kinderloos aangeschreven, Jeremia 22:30, en daarom werd de regering toevertrouwd aan zijn oom.
De koning van Babel maakte Mattanja, de zoon van Josia, koning, en om hem er aan te herinneren en aan de gehele wereld bekend te maken, dat hij zijn afhangeling was, veranderde hij zijn naam en noemde hem "Zedekia", vers 17.
God heeft soms Zijn volk ten laste gelegd: dat zij koningen hebben gemaakt, maar niet uit Hem, Hosea 8:4, en om hen daarvoor te straffen zal nu de koning van Babel koningen over hen aanstellen.
Diegenen worden rechtvaardig van hun vrijheid beroofd, die haar gebruiken tegen Gods gezag. Deze Zedekia was de laatste van de koningen van Juda, de naam, die de koning van Babel hem gaf, betekent de gerechtigheid des Heeren, wat een voorteken was van de verheerlijking van Gods gerechtigheid in zijn verderf.
1. Zie hoe goddeloos deze Zedekia was.
Hoewel de oordelen Gods over zijn drie onmiddellijke voorgangers een waarschuwing voor hem hadden kunnen wezen, om niet in hun voetstappen te treden heeft hij toch gedaan dat kwaad was in de ogen des Heeren, evenals de anderen, vers 19.
2. Zie hoe onverstandig hij was. Gelijk zijn voorgangers hun moed hadden verloren, zo verloor hij met zijn Godsdienst zijn beleid want hij rebelleerde tegen de koning van Babel, vers 20, wiens schatplichtige hij was, en aldus beledigde hij hem, met wie hij volstrekt onmachtig was om te strijden, en die, zo hij hem trouw ware gebleven, hem beschermd zou hebben, hetgeen wel de grootste dwaasheid was, die hij doen kon, en het verderf van zijn rijk heeft verhaast.
Dit geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.
Als zij, aan wie de raadslagen van een volk zijn toevertrouwd, onverstandig en tegen hun ware belangen handelen, dan moeten wij er het misnoegen Gods in opmerken.
Het is om de zonden van een volk, dat God de getrouwen de spraak beneemt, en van de ouden oordeel wegneemt, en wat tot de openbare vrede dient voor hun ogen verbergt. Wie God wil verderven verdwaast Hij.