Ezechiël 20:33-44
Het plan, door de oudsten van Israël gevormd was, dat het volk Israëls, verstrooid onder de volken, al zijn eigenaardigheden zou afleggen, en zich schikken naar hen, onder wie zij woonden, maar God had hun gezegd, dat het plan mislukken zou, vers 32. In deze verzen toont Hij nu in bijzonderheden, hoe het plan verijdeld zal worden. Zij bedoelden, dat de geslachten Israëls zich met de geslachten van de landen vermengen zouden, maar de goddeloze Israëlieten zullen, ondanks hun inschikkelijkheid zich niet met hen vermengen in hun voorspoed maar zij zullen van hen afgezonderd worden tot hun verderf, want afgodische Israëlieten, die van God afvallen, zullen vroeger en zwaarder gestraft worden dan de afgodische Babyloniërs, die de weg van de gerechtigheid nimmer gekend hebben. Lees het vonnis, dat hierover hen geveld wordt en sidder, het wordt bevestigd door een onwraakbaren eed: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere," zo en zo zal Ik met u handelen. Zij menen Jeruzalem en Babylon beide te vriend te houden door tussen hen in te gaan staan, maar God dreigt, dat geen van beide voor hen een rustoord of een schuilplaats zal zijn.
I. Babel zal hen niet beschermen, en ook geen van de landen van de heidenen: want God zal hen buiten Zijn bescherming plaatsen, en welke vorst, welk volk en welke plaats zal dan hun heiligdom zijn? God was van ouds Israëls Koning, en waren zij Zijn getrouwe onderdanen gebleven, dan zou Hij over hen geregeerd hebben met tederheid en zorg voor hun welzijn maar nu zal Ik over hen regeren met een uitgestrekten arm en door een uitgegotene grimmigheid, vers 33. De macht, die uitgeoefend zou worden voor hun bescherming, zal uitgeoefend worden voor hun verderf. Gods heerschappij is niet af te schudden, Hij zal regeren met een gouden scepter of met een ijzeren roede, en die niet willen bukken voor de macht van Zijn genade, zullen bezwijken onder de macht van Zijn grimmigheid. En als God tegen hen vertoornd is, en zij denken zich te kunnen verliezen onder de menigte van de heidenen, die hen omringen, dan zullen zij teleurgesteld worden. Want, vers 34 :Ik zal u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, evenals, wanneer opstandelingen in de slag verstrooid zijn, degenen, die aan het krijgszwaard ontsnapt zijn, vervolgd worden en bijeengebracht uit alle plaatsen, waarheen zij verstrooid waren, om door het zwaard van de gerechtigheid gestraft te worden. Ze zullen in de woestijn van de volkeren gebracht worden, vers 35, hetzij te Babel, dat een woestijn genoemd wordt, Hoofdstuk 19:13 en "de woestijn aan de zee," Jesaja 21:1, of naar een andere plaats, die hoewel vol volks voor hen zal zijn, wat de woestijn voor Israël was toen zij uit Egypte kwamen, een plaats, waar God met hen rechten zal, van aangezicht tot aangezicht, zoals Hij rechtte met hun vaderen in de woestijn van Egypteland, vers 36, waar hun gebeente zal liggen, en waar Hij zweren zal dat zij nooit naar Kanaän zullen terugkeren zoals Hij hun vaderen zwoer, dat zij nooit in Kanaän zouden komen, waar Hij de overtreding van Zijn wet op hen wreken zal met even grote verschrikking, als die, waarmee Hij Zijn wet gaf in de woestijn van Sinaï. God heeft een grote twist te twisten met de afvalligen en zal niet alleen tijd vinden, maar ook een geschikte plaats om met hen te rechten, een woestijn voor dat doel, ook te midden van de volken.
II. Jeruzalem zal hen evenmin kunnen beschermen als Babel en ook zal hun betrekking tot Gods Volk her, niet meer helpen voor de andere wereld, dan hun inschikkelijkheid voor de afgodendienaars gedaan heeft voor deze wereld, ook zullen zij evenmin in de "vergadering van de oprechten" staan als in de vergadering van de boosdoeners, want er zal een dag van scheiding komen, wanneer God scheiding zal maken tussen hen, die kostelijk zijn, en hen die onwaardig zijn, Hij zal hen onder de roede doen doorgaan, en aanmerken wie voor God is zoals de schaapherder de schapen voor de tienden, Leviticus 27:32. God zal op ieder van hen in `t bijzonder letten, één voor één, zoals wanneer de schapen geteld worden, en Hij zal ze onder de band des verbonds brengen, vers 37- Hij zal hen beproeven en oordelen naar de inhoud des verbonds en het verschil, tussen hen gemaakt door de zegen en de vloek van het verbond. Het kan ook betrekking hebben op hen, die berouw hadden en zich verbeterden Hij zal hen onder de roede van de beproeving doen doorgaan, en als dat een goede uitwerking blijkt te hebben, zal hij ze opnieuw onder de band des verbonds brengen, zal voor hen een God des verbonds zijn en hen aannemen als erfgenamen van de belofte.
1. Hij zal de goddelozen van onder hen afscheiden, vers 38 :Ik zal onder hen uitzuiveren die rebel zijn, die u tot smart en schande zijn geweest, en die door hun rebellie al deze rampen over u gebracht hebben. De oordelen Gods zullen hen vinden, en dat zij de naam van Israël noemen, zal hun geen bescherming geven. Zij zullen uit het land hunner vreemdelingschappen uitgevoerd worden en zullen er de rust niet hebben, die zij hoopten daar te zullen hebben. Maar zij zullen in het landschap Israëls niet wederkomen, noch de weldaad genieten van die rust, die God Zijn Volk beloofd heeft. Al delen soms de godzaligen de rampen van deze wereld met de goddelozen, toch zullen de goddelozen het hemelse Kanaän niet delen met de godzaligen, maar het zal deel uitmaken van de zaligheid van die wereld, dat zij uit hen uitgezuiverd zullen zijn, het onkruid uit de tarwe, en het kaf uit het koren, Hoofdstuk 13:9. Maar waar deze afgodendienaars van het huis Israëls pogingen deden, om beide God en hun afgoden te dienen, met de bedoeling beide aangenaam te zijn, komt God er hier tegen op, vers 39, zoals Elia in Zijn naam gedaan had: "Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo Baäl God is, volgt Hem na, " indien gij uw afgoden wilt dienen, doet dat en neemt de gevolgen voor uw rekening, maar doet dan niet alsof gij betrekking hebt op God en godsdienstigen eerbied voor Hem, en "ontheiligt Zijn heiligen naam niet met uw giften" op Zijn altaar. Geestelijke oordelen zijn de zwaarste oordelen. Met twee van die oordelen worden in dit vers bedreigd die hun aandacht wilden verdelen tussen de God van Israël en de goden van de heidenen:
a. Dat zij overgegeven zouden worden aan de dienst hunner afgoden. Ironisch zegt Hij tot hen: "Dewijl gijlieden naar Mij niet hoort, gaat henen, dient een ieder zijn drekgoden, omdat gij meent, dat het uw belang is, nu en ook hierna. Gij zult er mee voortgaan. Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen, laat hem zijn gang gaan, en zien, wat hij er tenslotte bij wint." Die zich menen te bevoordelen door de zonde, zullen tenslotte bevinden, dat zij zich slechts tot slaven van de zonde hebben gemaakt.
b. Dat zij afgesneden zouden worden van de dienst van en de gemeenschap met God. "Ontheiligt niet meer Mijn heilige naam met vergeefs offer, Jesaja 1:13. Gij brengt de giften in uw hart, waarmee gij Mij beweert te eren, maar tegelijker tijd brengt gij de afgoden in uw hart mee en daarom ontheiligt gij Mij maar, wat Ik niet langer dulden wil", Amos 5:21, 22. Naar recht wordt de toegang tot Gods huis verboden aan die Zijn huis ontheiligen.
2. Hij zal ze opnieuw tot Zich vergaderen.
a. Hij zal ze in genade vergaderen uit de landen in dewelke zij verstrooid zijn, tot gedenktekenen van genade, zoals de onverbeterlijken vergaderd werden als vaten des toorns, vers 41. Niet één van Gods kostelijke dingen zal verloren gaan onder de lompen van deze wereld. b. Hij zal hen in het landschap Israëls brengen, dat Hij beloofd had hun vaderen te geven, en hun verdrijving uit de bezitting zal hun recht er op niet verminderen, het is nog steeds het landschap Israëls, en daar zal God hen in veiligheid terugbrengen, vers 42.
c. Hij zal hun opnieuw Zijn geboden geven, Hij zal Zijn heiligdom op Zijn heilige berg oprichten, die hier de hoge berg Israëls genoemd wordt, want hoewel de berg Zions niet één van de hoogste bergen was, toch was de tempel daar een van de hoogste eretekenen van Israël. Beloofd wordt, dat zij, die zich onbesmet hielden en geen afgoden wilden dienen in andere landen, opnieuw tot voorspoed zullen komen en de waren God zullen dienen in hun eigen land: "Zij zullen Mij dienen in het land, zij allen." Het is het ware geluk van een volk, en een zeker bewijs, dat het hun goed zal gaan, als er een overheersende neiging onder hen is om God te dienen. Terwijl God de afgodendienaars verboden had giften op Zijn altaar te brengen, zal Hij van deze hefofferen eisen en de eerstelingen, en zal ze aannemen, vers 40. Wat Hij niet eist, zal Hij ook niet aannemen, maar wat gedaan wordt met het oog op Zijn voorschriften, zal Hem welbehagelijk zijn. Hij zal een welgevallen aan hem nemen om de liefelijken reuk, vers 41, daar die Hem zeer aangenaam is en Hem voldoening geeft, terwijl hij tot de geveinsde aanbidders zegt: Ik mag uw verbodsdagen niet ruiken.
d. Hij zal hun oprecht berouw geven over hun zonde, vers 43. Als zij bevinden, hoe genadig God jegens hen is, zullen zij door Zijn vriendelijkheid overwonnen worden, en zich schamen bij de gedachte aan hun slecht gedrag tegenover zo'n goede God: "Wanneer gij de voorrechten van Mijn heilige berg opnieuw zult genieten, dan zult gij daar gedenken aan uw handelingen, waarmee gij u verontreinigd hebt." Hoe meer gemeenzaam wij zijn met Gods heiligheid, des te meer zullen wij van het hatelijk karakter van de zonde zien. Daar zult gij van uzelf een walging hebben. Oprecht evangelisch berouw maakt, dat men van zijn zonde walgt, zoals Job in hoofdst. 42:56.
e. Hij zal hun Zijn kennis geven: Zij zullen bij ondervinding weten, dat Hij de Heere is, dat Hij een God is van oneindige macht en onuitputtelijke goedheid, vriendelijk voor Zijn Volk en getrouw aan Zijn verbond met hen. Alle gunsten, die wij van God ontvangen, behoren ons tot een rauwere gemeenschap met Hem te brengen.
f. Dat alles zal Hij doen, om Zijns naams wille, hoewel zij niet dat, maar het tegenovergestelde verdienen, vers 44, Hij heeft met hen gedaan, dit is voor hen gedaan, gedaan te hunnen bate, gedaan in wedijver met hen, terwijl zij het hun deden, Hij heeft met hen gedaan louter om Zijns naams wil. Zijn redenen zijn ontleend aan Hem zelf. Had Hij met hen gedaan naar hun bozen weg en hun verdorven handelingen, dan zou Hij hen losgelaten hebben om met de anderen verstrooid te worden en verloren te gaan, hoewel zij het betere en gezondere deel van het huis Israëls vormden, maar Hij richtte hen op en herstelde hen om Zijns naams wille, niet alleen opdat die niet ontheiligd zou worden, vers 14 maar opdat Hij geheiligd zou worden in hen voor de ogen van de heidenen, vers 41, Zich zelf heiligen is eigenlijk de betekenis, want het is Gods werk, Zijn eigen naam te verheerlijken. Hij zal Zijn Volk wel doen om er de eer van te hebben, om Zich te openbaren als een God, die de zonde vergeeft en aldus Zijn belofte houdt, opdat Zijn volk Hem loven zal, en opdat hun naburen insgelijks met Hem bekend zullen worden, zoals geschiedde, toen God hun gevangenis wendde, Psalm 126:4. "Toen zei men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan deze gedaan."