2. Maar farao zei, hoogmoedig op zijn koninklijke macht, en van Israëls God met evenveel verachting denkende, als van het volk, dat in zijn ogen een slavenvolk was: a) Wie is de HEERE (Jehova) wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? b) Ik ken de HEERE niet; ik vereer geheel andere goden, ik erken die niet als God, en ik zal ook, ten bewijze, dat Hij in mijn land niet te bevelen heeft, Israël niet laten vertrekken. 1)
a) Job.21:15 b) Exodus 3:19
1) Zoveel onbezonnenheid bij een sterfelijk mens is nauwelijks te geloven, dat hij, door God zo onbeschaamd te verachten, als het ware naar de hemel spuwde. Maar men moet opmerken, dat de tiran, overgegeven aan dweperij, zo de God van Israël heeft gehoond, opdat hij jegens de valse goden vroom zou geacht worden. Want, dat hij de naam van Jehova op smadelijke wijze verwerpt, deze bespotting moet beperkt worden tot het gesprek van Mozes, alsof hij zei: Wat is het, dat gij mij een onbekende voorstelling van een eeuwige God doet, alsof er geen God bij ons is..
Het is alsof hij tegelijk Gods bestaan loochent en tevens zich voorneemt, indien Hij mocht bestaan, zich met alle kracht tegen die vreemde God te verzetten. Israël noemt hij niet, gelijk Mozes en Aäron dit hadden gedaan, het volk van die God. Hij erkent die God niet als Souverein van een volk, dat hij zelf als zijn eigendom beschouwt. Hij alleen meent het recht te hebben, om naar welbehagen over dat ras van slaven te beschikken. Hij zal zijn slaven, zijn eigendom, dat volk van Israël niet laten vertrekken. Twee dingen loochent hij aldus: en het gezag van God over hem zelf, en het bestaan van een betrekking tussen die God en dat volk Israël..
Onkunde maakt farao tot verachter van God en Zijn wil. Hij kent de Heere niet, en wie de Heere niet kent, heeft lage en geringe gedachten van Hem. Daarom klaagt de Heere ook door de profeet, dat zijn volk verloren gaat, omdat het geen kennis heeft. Uit dat "en ik zal ook Israël niet laten trekken" blijkt genoeg de vergaande hardnekkigheid van farao, zijn driest verzet tegen de Heere God.. 3. Zij dan zeiden: a) De God van de Hebreeën 1) is ons verschenen; 2)Hij is onze God en wij moeten Hem toch gehoorzamen, al wilt gij het niet; zo laat ons toch vertrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en de HEERE, onze God offeren, dat Hij ons niet, tot straf voor onze ongehoorzaamheid, overkome met pestilentie, of met het zwaard, 3) en zulk een straf over ons zou ten laatste op uw hoofd neerkomen, daar gij dan zo vele onderdanen missen zou.
a) Exodus 3:18
1) "De God van de Hebreeën", niet de God van Israël, zoals zo-even. Dit is met opzet, niet alleen, omdat Israël als het volk van de Hebreeën bekend was, maar ook om daarmee farao het verzoek, om de Heere te mogen offeren in de woestijn, duidelijk te maken. Immers in Egypte kon dit niet geschieden, omdat daar alleen de goden van de Egyptenaren gediend mochten worden. Alleen in de woestijn kon Israël de Heere, zijn God offeren..
2) In dit gehele gesprek is een grote mate van eerbied, zelfs van angstvalligheid tegenover de koning merkbaar. Dat farao God had te gehoorzamen, dat God hem zou straffen, wanneer hij weigerde, daarvan spreken zij niet (hoofdstuk 4:22,23)
3) Mozes spreekt er niet van dat de Heere farao om zijn weigering zal bezoeken, maar hen zelf. Dit heeft een tweeledig doel. Zowel om bij farao de dreiging weg te laten, alsook om, zoals Calvijn aanmerkt, om farao te doen voelen, dat, indien de Heere zijn volk zal straffen omdat zij hem niet offeren, de straf nog zwaarder zal zijn voor hem, die zich tegen Gods bevel verzet en oorzaak wordt, dat zijn volk des Heeren gebod niet kan opvolgen..