Jesaja 1:10-15
I. Hier roept God hen (maar tevergeefs) om Zijn woord te horen, vers 10.
1. De titel, die hij hun geeft is zeer vreemd, gij oversten van Sodom en gij volk van Gomorra. Dit geeft te kennen hoe rechtvaardig het in God zou geweest zijn, om hen als Sodom en Gomorra te maken in verderf en ondergang, vers 9, omdat zij zich aan Sodom en Gomorra gelijk gemaakt baadden in zonde. De mannen van Sodom waren boos en grote zondaars tegen de Heer, Genesis 13:13, en dat waren ook de mannen van Juda, als de oversten slecht waren, is het niet te verwonderen dat het volk het ook was. De ondeugd overweldigde de deugd, want zij had de oversten, de mannen van aanzien, aan haar zijde, en zij overstemde haar, want zij had het volk, de grote menigte aan hun zijde. De stromen aldus sterk zijnde, kon geen mindere kracht dan die van de Heer der heerscharen een overblijfsel in stand houden, vers 9. De oversten worden stoutmoedig aangevallen door de profeet, als oversten van Sodom, want hij wist geen vleiende titels te geven. De overlevering van de Joden zegt dat hij lang daarna daarom in staat van beschuldiging werd gesteld en ter dood gebracht, als hebbende de goden gevloekt en de oversten in zijn volk gelasterd.
2. Wat hij van hen eist is zeer redelijk, "Hoort des Heeren woord, en neemt ter ore de wet van onze God, geeft acht op hetgeen God u te zeggen heeft, en laat Zijn woord u een wet wezen." De volgende verklaring van weerzin in hun offeranden zou een soort van nieuwe wet voor hen wezen, hoewel zij in werkelijkheid slechts een uitlegging was van de oude wet, maar er moet bijzonder acht op worden geslagen, zoals ook geëist wordt in Psalm 50:7, 8. "Hoort dit, en siddert, hoort dit, en zijt gewaarschuwd."
II. Rechtvaardig weigerde God hun gebeden te horen en hun diensten aan te nemen, hun offeranden en hun brandoffers, het vet en het bloed ervan, vers 11, hun betreden van Zijn voorhoven, vers 12, hun offers, hun reukwerk, en hun plechtige vergaderingen, vers 13, hun nieuwe maanden en hun gezette hoogtijden, vers 14, hun vroomste gebeden, vers 15 het wordt alles verworpen, omdat hun handen vol bloed zijn. Merk nu op:
1. Er zijn velen, die vreemd zijn voor, ja vijanden zijn van de kracht van de godsdienst maar toch zeer ijverig zijn voor het vertoon, de schaduw, de vorm ervan. Dit zondige volk, dit zaad van boosdoeners, deze oversten van Sodom en dit volk van Gomorra hebben niet op de altaren van valse goden, (zij worden er hier niet van beschuldigd) maar op het altaar van de God van Israël, offers gebracht, ja een menigte ervan, zoveel als door de wet werden geëist, veeleer nog meer, niet alleen dankoffers, waarvan zij zelf een deel hadden, maar brandoffers, die tot eer van God geheel verbrand werden, ook brachten zij niet het gescheurde en kreupele en zieke, maar vette beesten, en het vet ervan, de besten van hun soort, zij hebben geen andere gezonden, om hun offeranden voor hen te offeren, maar kwamen zelf om voor God te verschijnen, zij nemen de ingestelde plaatsen waar, niet op de hoogten of in bossen, maar in Gods eigen voorhoven, en de ingestelde tijden, de nieuwe maanden en sabbatten en gezette hoogtijden, waarvan zij geen verzuimden, ja, het schijnt dat zij buitengewone vergaderingen bijeenriepen en plechtige bijeenkomsten hielden ter godsdienstige aanbidding, behalve nog die welke door God waren vastgesteld. Maar dit was nog niet alles, zij wendden zich tot God, niet alleen in de waarneming van plechtigheden maar met gebed, zij baden, zij baden dikwijls, zij deden vele gebeden, menende dat zij om hun vele spreken verhoord zouden worden, ja zij waren vurig en dringend in hun gebed zij breidden hun handen uit als mensen die geheel in ernst zijn. Nu zouden wij gedacht hebben, en ongetwijfeld dachten ze zelf het, dat deze een vroom, godsdienstig volk waren, en toch was het er ver vandaan dat zij dit waren, want:
a. Hun hart was ledig van ware godsvrucht, zij kwamen om voor God te verschenen, vers 12, om voor Zijn aangezicht gezien te worden-aldus de kanttekening. Zij bleven staan bij het uitwendige van de plichten, zij bedoelden niets meer dan om van de mensen gezien te worden, en gingen ook niet verder dan hetgeen door de mensen gezien kan worden.
b. Hun handen waren vol bloed, zij hadden zich schuldig gemaakt aan moord, roof en verdrukking onder schijn van wet en gerechtigheid. Het volk vergoot bloed en de oversten straften hen er niet voor, de oversten vergoten bloed, en het volk hielp hen daarbij en moedigde hen er in aan, zoals de oudsten van Jizreël Isebel hebben geholpen om Naboths bloed te vergieten. Boosaardigheid is moord in het hart in de ogen van God, die zijn broeder haat in zijn hart, heeft in werkelijkheid zijn handen vol bloed.
2. Als zondaren onder de oordelen Gods zijn, dan zullen zij er lichter toe gebracht worden om zich tot bidden te begeven, dan om hun zonden te verlaten en hun leven te verbeteren. Hun land was nu verwoest, en hun steden waren verbrand, vers 7, en dit wekte hen op om hun offeranden en hun slachtoffers regelmatiger aan God te brengen dan zij gedaan hadden, alsof zij God Almachtig wilden omkopen om de straf op te heffen en hun verlof te geven om voort te gaan in hun zonde. Als Hij hen doodde, zo vroegen zij naar Hem, Psalm 78:34. Heer, in benauwdheid hebben zij U gezocht, Hoofdstuk 26:16. Velen zullen geredelijk hun offers afstaan, maar kunnen er niet toe bewogen worden om afstand te doen van hun zonden.
3. De prachtigste en kostbaarste godsdienstige verrichtingen van goddeloze mensen zonder een grondige verbetering van hart en leven zijn voor God zo weinig aangenaam of welbehaaglijk, dat zij Hem veeleer een gruwel zijn. In een grote verscheidenheid van uitdrukking wordt hier aangetoond dat gehoorzamen beter is dan offerande, ja dat offerande zonder gehoorzaamheid een bespotting, een belediging, een terging van God is. De betrekkelijke geringachting door God hier uitgedrukt van het waarnemen van uitwendige plechtigheden was een stilzwijgende aanduiding van hetgeen, waar zij ten slotte toe komen zullen, als zij allen teniet gedaan zullen worden door de dood van Christus, hetgeen nu reeds weinig in tel was, zal ter bestemder tijd van alle waarde beroofd zijn. Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer, en aan gebed in de kracht daarvan gedaan, toen zei Ik, zie Ik kom. Hun offers worden hier voorgesteld:
A. Als vruchteloos en onbeduidend. Waartoe dienen zij? vers 11. Het is vergeefs offer, vers 13. Te vergeefs eren zij Mij, Mattheus 15:9. Het was alles verloren arbeid en diende tot geen goed doel, want,
a. Het werd niet beschouwd als een daad van plichtsbetrachting, of van gehoorzaamheid aan God, wie heeft dit van uw hand geëist? vers 12. Niet dat God Zijn inzettingen verloochende, of weigerde om bij Zijn machtiging er toe te blijven, maar in hetgeen zij deden hadden zij het oog niet op Hem, die het eiste, en in werkelijkheid heeft Hij het ook niet van hen geëist wier handen vol waren van bloed, en die in hun onboetvaardigheid volhardden.
b. Het heeft hen niet aanbevolen in Gods gunst, Hij had geen behagen in het bloed van hun offers, want Hij achtte er zich niet door geëerd. c. Het zou hun geen hulp of verlichting bezorgen. Zij bidden, maar God zal niet horen, omdat zij met hun hart naar ongerechtigheid hebben gezien, Psalm 66:18, Hij wilde hen niet verlossen, want zij deden wel vele gebeden, maar geen één kwam uit een oprecht hart. Geen van hun godsdienstige verrichtingen was hun van enig nut. Ja zij waren
B. Hatelijk en beledigend. God heeft ze niet alleen niet aangenomen, maar Hij verafschuwde ze. "Het zijn uw slachtoffers, niet de Mijne, Ik ben er oververzadigd van, Ik ben ze zat." Hij had ze niet nodig, Psalm 50:10, Hij heeft ze niet begeerd, Hij had er genoeg van, ja meer dan genoeg. Hun komen in Zijn voorhoven noemt Hij hun "besteden ervan", of hun "vertreden ervan". Tot zelfs hun bijwonen van de inzettingen wordt verklaard als een minachten ervan. Hun reukwerk, hoe geurig ook, was Hem een gruwel, want het werd gebrand in geveinsdheid en met een boze bedoeling. Hun plechtige vergaderingen vermocht Hij niet, Hij kon ze niet geduldig aanzien, Hij kon de belediging, die zij voor Hem waren, niet dragen. Hun plechtige bijeenkomst is ongerechtigheid, niet de zaak op zichzelf, maar zoals zij haar deden. Het is een kwelling, een ergernis van God-zo lezen het sommigen-om de inzettingen aldus onteerd te zien, niet slechts door goddeloze mensen, maar door goddeloze bedoelingen. "Mijn ziel haat ze, zij zijn Mij tot een last, een belemmering, Ik walg ervan, ik ben ze moe. Ik ben moe geworden ze te dragen." Hij is nooit moe van de gebeden van de oprechten te horen, maar de kostbare offers van de goddelozen is Hij spoedig moede. Hij verbergt Zijn ogen van hun gebeden als hetgeen, waarvan Hij een afkeer heeft en waarop Hij toornig is.
Dit alles dient om aan te tonen:
a. Dat de zonde zeer hatelijk is in Gods ogen, zo hatelijk, dat zelfs de gebeden van de mensen en hun godsdienstige handelingen er hatelijk door worden voor Hem.
b. Dat geveinsde vroomheid dubbele ongerechtigheid is. Geveinsdheid in de godsdienst is meer dan iets anders verfoeilijk in de ogen van de God des hemels. Hiëronymus past dit toe op de Joden in de tijd van Christus, die een grote ijver voorwendden voor de wet en de tempel maar zich en al hun godsdienstige verrichtingen tot een verfoeisel maakten in Gods ogen door hun handen vol te maken van het bloed van Christus en Zijn apostelen, en aldus de mate van hun ongerechtigheid vol deden worden.