9. En Mijne hand zal op de volgende wijze zijn tegen de Profeten, die ijdelheid zien en leugen voorzeggen (vgl.
Jeremia 29:21-
32); zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis, Israëls niet geschreven worden, en in het land Israëls niet komen; en gij zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
De straf in Vers 8 den valsen profeten in `t algemeen gedreigd, wordt in Vers 9 nader bepaald, en wel in den vorm ener opklimming, die steeds hardere dingen aankondigt. Zij zullen a) niet meer in den raad van Gods volk zijn, d. i. zij zullen hun invloedrijke plaats onder het volk verliezen; b) hun namen zullen niet in het boek van het huis Israëls, d. i. onder degenen, die later uit de verstrooiing weer verzameld, in het land der vaderen worden teruggevoerd, en als een overblijfsel ter vernieuwing van een heilig volk moeten zijn (Hoofdstuk 11:17), worden opgeschreven (Exodus 32:32); ja, zij zullen c) ook niet in het land van Israël komen, d. i. niet alleen in ballingschap blijven, maar in `t algemeen het aandeel aan de goederen en zegeningen van het rijk Gods verliezen.
Gene bevoorrechte plaats boven het volk, gene plaats onder het volk, niet eens het wonen in het land zal hun overblijven.
Het is de straf der uitroeiing uit het heilige volk, die de Profeet als een tweede Mozes (Deuteronomium 18:20), over de valse profeten uitspreekt, dat zij geen deel zullen hebben aan de zegeningen van het rijk Gods.
De erkentenis, die zij zullen verkrijgen dat God de Heere is, is ene zodanige, waaraan zich ook de goddelozen niet kunnen onttrekken, ene, die door de gebeurtenissen is opgedrongen; aan den ondergang der valse profeten, over welke Gods wrekende hand het bestuur voert, zal erkend worden, dat die God, die door Ezechiël spreekt, in den vollen zin des woords God is.