1 Corinthiërs 12:1-11
De apostel gaat nu over tot de behandeling van de geestelijke gaven, welke zeer overvloedig waren in de Corinthische gemeente, maar zeer misbruikt werden. Welke deze gaven waren, wordt uitvoerig meegedeeld in den loop van het hoofdstuk, namelijk: buitengewone bedelingen en machten, aan de dienaren en Christenen van den eersten tijd geschonken, tot overtuiging van de ongelovigen en uitbreiding van het Evangelie. Gaven en genade, charismata en charis, verschillen grotelijks. Beiden worden vrijelijk door God uitgedeeld. Maar alle genade, die gegeven is, dient tot zaligheid van hen, die haar ontvangen. Gaven worden geschonken ten voordele en ter zaligheid van anderen. En daar kunnen grote gaven zijn ofschoon er geen spoor van genade is, doch de personen die ze bezitten staan buiten de goddelijke gunst. Zij zijn dan grote bewijzen van goddelijken zegen voor de mensen, doch tonen in dat geval niet dat de bezitters ervan voorwerpen van de goddelijke genade zijn. De gemeente was rijk in gaven, maar er waren veel schandelijke dingen onder gemengd, die er niet bij behoorden. Betreffende deze geestelijke gaven, dat is de buitengewone machten welke zij van den Geest ontvangen hadden, zegt de apostel hun hier:
I. Hij wil niet dat zij onwetende zullen zijn omtrent haar oorsprong of gebruik. Zij kwamen van God en moesten voor Hem gebruikt worden. Het zou hen ver van den weg afbrengen indien ze onwetend waren omtrent het een en ander. Recht begrip is van groot nut ten aanzien van alle godsdienstige praktijk. Het is slecht werk, dat begaafde mensen leveren, die geen kennis hebben van den aard en het doel der gaven met welke zij bevoorrecht werden.
II. Hij herinnert hun den ellendigen toestand, waarin ze voor hun bekering verkeerd hadden.
Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werd, vers 2. In dien toestand konden ze niet beweren geestelijke mensen te zijn of geestelijke gaven te hebben. Toen zij onder leiding van den geest des heidendoms waren, konden zij niet beïnvloed worden door den Geest van Christus. Indien ze goed hun vorigen toestand begrepen, konden ze niet anders dan inzien dat alle ware geestelijke gaven van God komen. Te dien opzichte valt op te merken:
1. Hun vorige toestand: zij waren heidenen. Niet Gods afgezonderd volk, maar deel van de volken, die Hij in zekeren zin aan zich zelven overgelaten had. De Joden waren vroeger Zijn uitverkoren volk, door Zijn gunst afgezonderd van het overig deel der wereld. Hun was in zekeren zin de kennis en verering van den waren God toevertrouwd. De overigen waren vreemdelingen in het verbond der belofte, uitgesloten van de gemeenschap met Israël, en in zekeren zin zonder God, Efeze 2:12. Zulke heidenen waren de Corinthiërs voor hun bekering tot het Christendom. Welk een omkeer! Christelijke Corinthiërs waren eens heidenen. Het is voor den Christen zeer nuttig en zeer geschikt om hem tot plichtbetrachting en dankbaarheid aan te sporen, dat hij bedenkt wat hij vroeger was. Gij waart heidenen.
2. De leiding die ze toen hadden. Tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werd. Zij waren overgegeven aan de grofste afgoderij, de aanbidding zelfs van hout en steen, en dat door de kracht van ijdele voorstellingen en de bedriegerij van hun priesters, die hun onwetendheid misbruikten, want hoedanig ook de gevoelens van hun wijsgeren mochten zijn, dit was de praktijk van de menigte. Het volk in zijn geheel vereerde en aanbad stomme afgoden, die oren hadden maar niet horen konden, een mond maar niet spreken konden, Psalm 115:5, 6.. Ellendige zielsverlaging! En zij, die deze grove opvatting van het algemeen verachtten, versterkten het nochtans er in. Schandelijke toestand van het heidendom! Kon de Geest van God onder zulke stompe afgodendienaars werken, konden ze Zijn invloed ondergaan? Hoe zegevierde de Overste dezer wereld door de blindheid van het mensdom! Welk een zwaren nevel had hij over hun zielen geworpen!
III. Hij toont hun hoe ze kunnen onderscheiden, dat gaven ware geestelijke gaven van den Geest Gods waren. Niemand, die door den Geest spreekt, noemt Jezus ene vervloeking. Dat deden beiden Joden en Heidenen, zij lasterden Hem als een verleider, vervloekten Zijn naam en achtten dien verfoeilijk. En toch gingen vele Joden, die duivelbezweerders en tovenaars waren, uit met de bewering dat zij door den Geest Gods wonderen deden, en vele heidenen wendden ingeving voor. De apostel zegt hun hier dan niemand handelen kan onder den invloed of door de macht van den Geest Gods, die Christus verwerpt en lastert, want de Geest Gods legt onweersprekelijk getuigenis af voor Christus, door profetie, door wonderen, door Zijn verrijzing uit den dood, door den invloed van Zijn leer op de mensen en door de uitwerking daarvan bij hen, en die Geest kan nooit zo zich zelven tegenspreken dat hij Christus een vervloeking noemt. En aan de andere zijde: Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door den Heiligen Geest. De belijdenis van deze waarheid voor de mensen, haar handhaving tot in den dood, en het leven door haar invloed, kan niet geschieden dan door heiligmaking door den Heiligen Geest. Niemand kan Christus Heere noemen, met gelovige onderwerping aan Hem en in afhankelijkheid van Hem, dan door het geloof, dat door den Heiligen Geest gewrocht wordt. Niemand kan in den dag der beproeving belijden, dan hij die bezield en bemoedigd wordt door den Heiligen Geest. Wij hebben voor onze heiligmaking en standvastigheid evenveel behoefte aan de werkzaamheid en den invloed van den Geest, als voor onze verzoening en wederaanneming door God aan het middelaarschap van Christus, en niemand kan deze waarheid door een wonder bevestigen dan door den Heiligen Geest. Geen boze geest zou bijstand verlenen, ook al stond het in zijne macht, om een leer en een godsdienst te verbreiden, die zo verwoestend voor het koninkrijk des duivels zijn. De bedoeling van hetgeen de apostel hier aanhaalt en zegt is deze: Welke voorwendselen van ingeving of wonderen ook bij de vijanden van het Christendom mogen gevonden worden, zij kunnen niet van Gods Geest zijn, maar niemand kan anders dan door den Heiligen Geest met zijn hart geloven of met een wonder bevestigen dat Jezus de Christus is, zodat de buitengewone gaven en werkingen onder hen allen hun oorsprong hadden in den Geest van God. Hij voegt daaraan toe:
IV. Deze geestelijke gaven, ofschoon allen van dezelfden Geest komende, zijn verscheiden. Zij hebben een werkmeester en oorsprong, maar zijn van verscheiden aard. Een vrijmachtige oorsprong kan verscheidene uitwerkingen veroorzaken, en dezelfde gever kan verscheidene gaven verlenen, vers 4. Er is verscheidenheid van gaven, als openbaringen, tongen, profetieën, uitlegging der talen, maar het is dezelfde Geest. Er is verscheidenheid van bedieningen, of verscheidenheid van diensten en daarvoor bestemde dienaren, verscheidene voorschriften en instellingen, vers 28-30, maar een Heere, die ze allen werkt, vers 6. Er is verscheidenheid van werkingen, of wonderdadige krachten, genoemd energêmata dunameoon, vers 10, als hier energêmata, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. Er zijn verscheidene gaven, bedieningen en werkingen, maar allen gewerkt door dezelfden God, dezelfden Heere, dezelfden Geest, dat is: door Vader, Zoon en Heiligen Geest, den Springader en Oorsprong van alle geestelijke zegeningen en gaven, allen komen uit. dezelfde fontein, allen hebben dezelfden bewerker. Hoe verscheiden ze ook onderling mogen zijn, hierin komen ze allen overeen, ze zijn allen van God. En verscheidene soorten worden hier opgenoemd, vers 8-10. Verscheidene personen hebben verscheidene gaven, de een deze, de andere die, allen van en door dezelfden Geest. Den een was gegeven het woord der wijsheid, dat is, volgens sommigen, kennis van de verborgenheden van het Evangelie, en bekwaamheid om die uit te leggen, een juist verstand van de bedoeling, den aard en de leerstellingen van den Christelijken godsdienst. Volgens anderen de gave om diepe spreuken te zeggen, gelijk de Spreuken van Salomo. Weer anderen beperken dit "woord der wijsheid" tot de openbaringen gegeven aan en door de apostelen. Een ander het woord der kennis, door dezelfden Geest, dat is, volgens sommigen, de kennis van de geheimen, Hoofdstuk 2:13 `verborgen in de profetieën, afschaduwingen en geschiedenissen van het Oude Testament, volgens anderen kennis en bekwaamheid om raad te geven in ingewikkelde gevallen.
Een ander het geloof door dezelfden Geest, dat is: het wonderdoend geloof, het geloof in de goddelijke macht en belofte, waardoor men in staat gesteld werd om wonderen te doen, of een buitengewone aandrift van boven, waardoor men bekwaamd wordt om God te vertrouwen in elke moeilijke omstandigheid, en in den weg van plicht te gaan en de waarheden in Christus zich toe te eigenen en te belijden, wat ook de gevolgen daarvan mogen zijn. Een ander de gaven der gezondmakingen, door dezelfden Geest, dat is het genezen der zieken, door oplegging der handen, of door zalving met olie, of door het enkele woord. Een ander de werkingen der krachten, de uitoefening van machten, energêmata dunameoon, als het opwekken van doden, het ziende maken van blinden, het doen spreken van stommen en doen horen van doven en het herstellen van verlamden. Een ander profetie, dat is het vermogen om toekomende dingen te verkondigen, hetgeen gewoonlijk onder profetie verstaan wordt, of de uitlegging der Schrift door een bijzondere gave des Geestes, Hoofdstuk 14:24.
Een ander onderscheidingen der geesten, het vermogen om valse en ware profeten van elkaar te onderscheiden, of te ontdekken de werkelijke of vermeende geschiktheid van iemand voor enige bediening, of de innerlijke werkzaamheid der ziel te onderkennen door den Heiligen Geest, zoals Petrus bij Ananias deed, Handelingen 5:3. Een ander menigerlei talen, of de bekwaamheid om door ingeving verschillende talen te spreken. Een ander uitlegging der talen: de bekwaamheid om vreemde talen gemakkelijk en nauwkeurig in hun eigen taal over te zetten. Met zulk ene verscheidenheid van gaven waren de eerste dienaren der kerk en de eerste gemeenten begiftigd.
V. Het doel, waarmee deze gaven verleend waren. Aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is, vers 7. De Geest openbaarde zich door de uitoefening dezer gaven, zijn invloed en belangstelling kwamen er door aan `t licht. Maar ze werden niet verleend blootweg voor de eer en het voordeel van hen, die ze bezaten, doch ten zegen van de kerk, om het lichaam op te bouwen, om het Evangelie te verbreiden en te bevorderen. Welke gaven God ooit iemand verleent, het is alleen opdat hij er goed mee doen zal, hetzij ze natuurlijk of geestelijk zijn. De uitwendige gaven zijner goedheid dienen alleen om Zijn eer te vergroten en ten nutte van anderen besteed te worden. Niemand bezit ze alleen voor zich zelven. Zij zijn hem toevertrouwd om er winst mede te doen, en hoe meer winst hij er meedoet, des te overvloediger zullen ze eindelijk hem ten goede komen, Filippenzen 4:17. Geestelijke gaven worden iemand verleend om daarmee de gemeente. te dienen en het Christendom te bevorderen. Zij zijn niet voor tentoonstelling, maar voor gebruik gegeven, niet voor pralerij en opzien maken, maar voor stichting, niet ter verheerlijking van hen, die ze bezitten, maar ter opbouwing van anderen. VI. De mate en bedeling, waarin ze gegeven worden. Deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. Dat is: overeenkomstig het vrijmachtig welbehagen van den gever. Wat is meer vrij dan een gave? En zou dan de Geest Gods met de Zijne niet doen wat Hij wil? Zou Hij niet geven aan wie Hij wil, en zoveel Hij wil, dezen die gave en genen een andere, den een veel, den ander minder, naar Hij goed acht? Is Hij niet de beste beoordelaar hoe Zijn oogmerken het best bereikt worden, en Zijn gaven het best besteed? Het gaat niet zoals mensen willen en nuttig achten, maar zoals het den Geest behaagt. De Heilige Geest is een goddelijk Persoon. Hij verricht goddelijk werk en deelt goddelijke gaven uit naar Zijn wil, door Zijn eigen macht, naar Zijn eigen welbehagen, zonder afhankelijkheid of opzicht. Maar ofschoon Hij deze gaven vrijmachtig en zonder verantwoording verdeelt, bestemt Hij ze niet voor eigen eer en voordeel van de begiftigden, doch ten algemenen nutte, tot opbouwing van het lichaam, de gemeente.