Ezechiël 1:15-25
De profeet is zeer nauwkeurig in zijn mededelingen aangaande die visioenen. Hier vinden wij dan:
I. De aandacht, die hij aan de raderen wijdde, vers 15-21. Gods heerlijkheid blinkt niet alleen in de Hem omringende geesten in de hemel, maar ook uit Zijn wereldbestuur op onze aarde.
Nu wij gezien hebben, hoe God Zijn wil volbrengt door de hemelse legerscharen, laat ons zien hoe Hij dat doet te midden van de aardbewoners, want het was op de aarde, dat de profeet de raderen aanschouwde, vers 15. Als hij die dieren zag, de heerlijkheid van dat gezicht overdacht en er onderwijs door ontving, vertoonde zich dit nieuwe visioen aan hem. Zie, degenen, die een goed gebruik maken van de openbaringen, die God hun geeft, mogen nieuwe verwachten, want hem, die heeft, die zal gegeven worden. Wij zijn soms geneigd te menen, dat er niets heerlijker is dan in de hemelen, terwijl wij, indien wij slechts met het oog des geloofs, de schoonheid, wijsheid, macht en goedheid van de Voorzienigheid in het bestuur van dat koninkrijk, gadesloegen, zouden zien en zeggen: "Waarlijk, Hij is een God, die de aarde richt en Zichzelf gelijk blijft." Er zijn in dit gezicht verscheidene dingen, die ons licht geven aangaande de goddelijke Voorzienigheid.
1. De beschikkingen van de Voorzienigheid worden vergeleken met raderen, hetzij de raderen van de zegekar, waarop de overwinnaar rijdt in zijn triomf, hetzij, en dat eer, de raderen van een klok of horloge, die alle aan de geregelder gang van het uurwerk samenwerken. Wij lezen van "het rad van onze geboorte," Jakobus 3:6, dat ons hier wordt voorgesteld als staande onder het bestuur van de God van de natuur. Raderen, al bewegen zij niet zichzelf, zoals de vier dieren, zijn beweeglijk en volharden gemakkelijk in die beweging. De Voorzienigheid, door deze raderen voorgesteld, beschikt veranderingen, nu eens is deze spaak boven, dan gene, maar de beweging van het rad om zijn as, gelijk die van de hemellichamen, is regelmatig en bestendig. De beweging van het rad is een draaiende door de werking van de Voorzienigheid worden de dingen soms tot hun vroegeren toestand teruggebracht, "hetgene dat er geweest is, datzelfde zal er zijn, zodat er niets nieuws is onder de zon," Prediker 1:9, 10.
2. Van het rad wordt gezegd, dat het bij die dieren was, die op deszelfs beweging toezagen want de engelen worden gebruikt als dienaren van Gods Voorzienigheid en nemen als tweede oorzaken een werkzamer aandeel aan de uitvoering van de goddelijke besluiten dan wij gemeenlijk denken. Zulk een innig verband is er tussen de dieren en de raderen, dat zij samen zich bewogen en rustten. Waren de engelen ijverig bezig? De mensen zijn ijverig in de weer als instrumenten in hun hand, hetzij om barmhartigheid te bewijzen of oordelen uit te voeren, al zijn ze dat niet bewust. En, zo de mensen schijnbaar meer zelfstandig optreden om Gods raad te volbrengen, de engelen zijn daar om ze te leiden en te besturen. Hierop wordt nadruk gelegd, vers 19, als de wezens gingen, gingen de raderen naast hen, en als de wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de raderen. Wanneer God werk heeft voor de dienst van de engelen worden ook andere werktuigen gereed gevonden om mee te arbeiden. Vers 21 : Als die stonden, stonden zij, als de engelen gereed waren, waren ook de anderen klaar. Als de dieren van de aarde opgeheven werden, om enigen dienst te verrichten boven de gewone loop van de natuur of buiten de gewone weg (als bijvoorbeeld in de wonderen, de scheiding van de wateren aan de Schelfzee, het stilstaan van de zon), dan werden de raderen, tegen hun natuurlijke neiging in, die naar de aarde gekeerd is, tegenover hen opgeheven, in overeenstemming met de raderen, en dit wordt driemaal vermeld, vers 19-21. Zie, alle lagere schepselen zijn, bewegen zich en handelen, naar de Schepper, door de dienst van de engelen, hen bestuurt en beïnvloedt, zichtbare uitwerkingen worden gewekt en bestuurd door onzichtbare oorzaken. De reden hiervan was, dat de Geest van de dieren was in de raderen, dezelfde wijsheid, macht en heiligheid Gods, dezelfde wil en raad, die de engelen en hun arbeid leidt en bestuurt, regeert en beschikt door hen, over al de bewegingen van de schepselen op dit benedenrond, met de gebeurtenissen en derzelver uitkomst. God is de ziel van de wereld en bezielt ze geheel, boven zowel als beneden, zodat hun verhouding en volmaakte harmonie is, gelijk boven- en benedendelen van het menselijk lichaam. "Waarhenen de Geest is om te gaan (wat God ook wil en besluit, dat geschieden zal), daarhenen gaan zij," dat is: de engelen, willens en wetens, volbrengen dat. "De Geest van de dieren was in de raderen, die daarom tegenover hen opgeheven worden, dat is: zowel de krachten van de natuur als de wil van de mensen moeten Gods raad dienen, die zij onwederstandelijk en onfeilbaar ten uitvoer brengen, hoewel zij het zo niet menen, noch hun hart alzo denkt," Jesaja 17:7, Micha 4:11, 12. "Zodat al wordt de wil van Gods gebod op aarde niet volbracht, gelijk dit in de hemel geschiedt, wel de wil van Zijn raad en besluit."
3. Wij lezen, dat het rad vier aangezichten had, die naar verschillende zijden uitkeken, vers 15, aanduidende, dat Gods Voorzienigheid in alle delen van de aarde haar arbeid volbrengt, in Oost en West, in Zuid en Noord, en tot aan het uiterste van de aarde. Kijk vanwaar gij wilt, naar dit rad van Gods Voorzienigheid, en het staart u overal aan, het heeft een aangezicht naar u gekeerd, en wel een schoon aangezicht, welks trekken en kleur gij bewonderen moet. Het ziet u aan of het u wil toespreken, als gij maar een oor hebt om naar die stem te horen. Als een correct schilderstuk ziet het iedereen aan, die er naar kijkt. Het rad had vier aangezichten en daarin vier raderen, die gingen op hun vier zijden, vers 17. Eerst zag Ezechiël een rad, vers 15, een cirkel, maar later onderscheidde hij er vier, die enerlei gelijkenis hadden, vers 6. Zij waren niet slechts aan elkaar gelijk, maar zij waren als een. Dit betekent,
a. dat de ene daad van de Voorzienigheid aan de andere gelijk is, wat ons geschiedt, is allen mensen gemeen, en wij moeten dat niet vreemd vinden.
b. Verschillende gebeurtenissen strekken tot hetzelfde doel en werken tot hetzelfde einde mede.
4. Hun gedaante en hun maaksel was als de kleur van een turkoois, vers 16, dat is: groen, als de kleur van de zee. De aard van de dingen in deze wereld is gelijk die van de zee, die gestadig stijgt en daalt in vloed en eb, en toch op dezelfde plaats blijft. Er is een keten van de gebeurtenissen, die altijd de ene of de andere kant uitgaat. Gelijk eb en vloed, zo daalt en rijst de werking van Gods Voorzienigheid, maar steeds in de bepaalde maat en tijd. De zee schijnt groen en de lucht blauw, omdat onze kortzichtigheid in beide slechts een klein eind kan zien. Met die kleur wordt nu de gedaante en het maaksel van de raderen, dat is: de gedaante en het werk van Gods Voorzienigheid gepast vergeleken, omdat "geen mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden van het begin tot het einde toe," Prediker 3:11. "Wij zien maar uiterste einden van Zijn wegen, Job 26:14, en al wat daarboven is, lijkt onklaar, omdat wij er niets van weten, omdat het ons te hoog is."
5. Hun gedaante en hun maaksel worden ook gezegd, te zijn als het ware een rad in het midden van een rad. Merk hier weer op, hun gedaante moet de profeet duidelijk maken wat hun maaksel wezenlijk is. `s Mensen gedaante en zijn maaksel verschillen vaak zeer, maar bij God is dat enerlei, al schijnt het door onze onkunde en dwaling ook tegenstrijdig. "Zij waren als een rad in een rad, het kleinere en door dat grote in beweging gebracht". Wij zullen daarvan geen wiskundige beschrijving geven. De bedoeling is dat de wegen van de Voorzienigheid ingewikkeld, onbegrijpelijk, onverklaarbaar schijnen, en toch zal tenslotte blijken, dat zij met wijsheid en op de beste wijze zo geschikt zijn, zodat wij nu niet weten "wat God doet, maar het na deze zullen verstaan," Johannes 13:7
6. De beweging van deze raderen, gelijk die van de dieren, was bestendig, regelmatig en vast. Zij keerden zich niet om als zij gingen, vers 17, omdat zij nooit verkeerd liepen of anders dan zij moesten. In Zijn Voorzienigheid bepaalt God Zijn werk en volbrengt het, het gaat voort, zelfs wanneer het achteruit schijnt te gaan: Zij gingen gelijk de Geest hen leidde, en daarom keerden zij zich niet om. Er zou voor ons nooit reden zijn om terug te keren en door berouw ongedaan te maken wat wij hebben verricht, of het over te doen, wanneer wij slechts door de Geest geleid werden en Zijn aanwijzing volgden. "De Geest des levens (gelijk sommigen vertalen) was in de raderen, die deed ze gemakkelijk en gelijkmatig wentelen, zodat zij zich niet behoefden om te keren als zij gingen."
7. Hun velgen waren zo hoog, dat zij vreselijk waren, vers 18. Zij hadden zo'n geweldigen omtrek, dat de profeet, als hij er naar keek, wanneer zij zich bewogen, bevreesd werd. Zie, de onmetelijke omvang van Gods gedachten en Zijn alles omvattende plannen zijn inderdaad verbazend, wanneer wij de kring van Zijn Voorzienigheid willen berekenen, dan worden wij door ontzetting aangegrepen, en als verzwolgen. O, diepte van Gods raadsbesluiten! Daaraan te denken vervult ons met diep ontzag.
8. "Zij waren vol ogen rondom." Dit deel van het gezicht is wel het meest verrassende en tegelijk het meest betekenende, daar het duidelijk uitspreekt, dat al het doen van de Voorzienigheid door oneindige wijsheid geleid wordt. "De uitkomst van alle gebeuren hangt niet van een blind toeval af, maar wordt bestuurd door de ogen des Heeren, die de gehele aarde doorlopen, en aan alle plaatsen zijn, beschouwende het goed en het kwaad." Zie, het is een grote voldoening voor ons, en zo moet het ook zijn, dat, of schoon wij de oorzaken en gevolgen van wat geschiedt niet kunnen nasporen, ze alle in de hand van een alwijs en alziend God berusten.
II. Wat hij zag en hoorde aan het uitspansel boven de hoofden van de vier dieren. Toen hij de vier dieren zich zag bewegen, keek hij op, gelijk ons betaamt, wanneer wij de verscheiden handelingen van de Voorzienigheid in deze wereld aanschouwen. Opziende zag hij een uitspansel boven hun hoofden uitgespreid, vers 22. Wat op aarde wordt gedaan, wordt onder de Hemel gedaan (zoals de Schrift menigmaal zegt), onder deszelfs toezicht en invloed.
Merk op,
1. Wat hij zag: "Het uitspansel was gelijk de kleur van het vreselijke viertal, wel heerlijk maar tegelijk vreselijk, deszelfs uitgebreidheid en de pracht verbaasde de profeet en vervulde hem met ontzag en eerbied". Het vreselijke ijs, of vorst (gelijk sommigen vertalen), de kleur van stijfgevroren sneeuw of van de ijsbergen in de noordelijke zeeën, die ontzaglijke gevaarten zijn. Overmoedige zondaars vragen: "Zal God door de donkerheid oordelen?" Job 22:13. Maar wat wij voor een donkere wolk houden, is bij Hem klaar als kristal, waardoor "Hij, van uit Zijn vaste woning, op alle inwoners van de aarde ziet" Psalm 33:14. Onder dat uitspansel zag Hij hun vleugelen rechtop, vers 23. Naar het hun gelustte, gebruikten zij hun vleugelen of om te vliegen of om zich te bedekken, of twee ter vlucht en twee ter bedekking. God is omhoog, boven het uitspansel, de engelen zijn onder het uitspansel, waardoor hun onderworpenheid aan Gods heerschappij wordt aangeduid, tevens hun gereedheid om Hem eenparig te dienen.
2. Wat hij hoorde.
a. Hij hoorde een geruis hunner vleugelen, vers 24. Bijen en andere insecten maken een groot gegons door het trillen hunner vleugels, hier doen het engelen om de aandacht des profeten te vestigen op hetgeen God hun van boven het uitspansel gaat bekend maken, vers 25. Door hun bediening blazende engelen van Godswege alarm in de oren van de mensen en trokken ze op om naar Zijn stem te luisteren, want die roept in de stad en wordt door de mannen van de wijsheid gehoord en verstaan. Het gedruis hunner vleugelen was luid en geducht, gelijk het geruis veler wateren (als het bruisen en loeien van de zee) en gelijk het gedreun eens heirlegers. Maar het was niet verward noch onverstaanbaar, het gaf geen onzeker geluid, want het was de stemme eens geroeps, ja, het was de stem des Almachtigen. "Want God, in Zijn Voorzienigheid, spreekt eens, ja tweemaal, als wij er maar op letten, Job 33:14. Des Heeren stemme roept," Micha 6:9.
b. Hij hoorde een stem van boven het uitspansel, van Hem, die daar op de troon zit, vers 25. Wanneer de engelen zich bewogen, maakten zij een geruis met hun vleugelen, maar toen zij een zorgeloze wereld hadden wakker gemaakt stonden zij stil en lieten hun vleugelen neer opdat er volmaakte stilte zou zijn, en de stem Gods gehoord kon worden. De stem van de Voorzienigheid moet `s mensen oren openen voor de stem des Woords, om de dienst te verrichten van een omroeper, die met luider stemme stilte gebiedt, wanneer de rechter het vonnis gaat uitspreken. "Wie oren heeft om te horen, die hore! Zie, stemmen op de aarde moeten onze aandacht wekken voor de stem van boven het uitspansel, want hoe zullen wij ontkomen, zo wij ons afkeren van dien, die van de hemelen is," Hebreeën 12:25.