Hebreeën 12:18-29
De apostel gaat hier er toe over om de belijdende Hebreeën op te wekken tot volharding in de Christelijke loopbaan, en om niet in het Judaïsme terug te vallen. Hij doet dit door hun aan te tonen hoeveel de staat van de Evangelische kerk verschilt van dien der Joodse kerk en hoeveel die gelijkt op de kerk in de hemelen. Om beide redenen vraagt en verdient zij onze lijdzaamheid, onzen ijver en onze volharding.
I. Hij toont aan hoeveel de Evangelische kerk verschilt van de Joodse kerk en waarom zij zoveel uitnemender is. En hier hebben wij een zeer uitvoerige beschrijving van den toestand der kerk onder de Mozaïsche bedeling, vers 13-21.
1. Het was een grove zinnelijke toestand. De berg Sinaï, op welken de kerk gesticht werd, was een berg, dien men kon aanraken, vers 18, een grote tastbare plaats. En zo was de gehele bedeling. Alles was zeer uitwendig en aards, en daarom zwaar. De toestand van de Evangelische kerk, op den berg Zion, is meer geestelijk, redelijk en gemakkelijk.
2. Het was een duistere bedeling. Op den berg waren donkerheid en duisternis en die kerk was overdekt met zware schaduwen en typen, de toestand van het Evangelie is meer licht en schitterend.
3. Het was een vreesaanjagende en verschrikkelijke bedeling, de Joden konden de vreselijkheid er van niet verdragen. De donder en de bliksem, het bazuingeschal, de stem van God zelf tot hen sprekende, dat alles sloeg hen met vrees, zodat zij baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden, vers 19. Ja, Mozes zelf zei: Ik ben zeer verschrikt en bevende. De beste mensen op aarde zijn niet instaat om te verkeren met God en Zijn heilige engelen. De staat des Evangelies is mild en vriendelijk en neerbuigend, geschikt voor onze zwakke verschijning.
4. Het was een beperkte bedeling, niet allen mochten den berg naderen, alleen Mozes en Aäron. Onder het Evangelie hebben wij allen den toegang met vrijmoedigheid tot God.
5. Het was een zeer gevaarlijke bedeling. De berg brandde met vuur en mens en beest, die den berg aanraken zouden, moesten gestenigd of met een pijl doorschoten worden, vers 20. Het is waar dat het altijd voor aanmatigende en brutale zondaren gevaarlijk zal zijn om tot God te naderen, maar het is toch geen onmiddellijke en zekere dood, gelijk het hier was. Dat was de toestand van de Joodse kerk, geschikt om een volk hard van harte en nek in bedwang te houden, om de strikte en ontzagwekkende gerechtigheid van God voor te houden en om het volk Gods van die bedeling te spenen, opdat het des te gereder de zachte en lieflijke bedeling van het Evangelie zou aannemen.
II. Hij toont aan hoe in vele opzichten de Evangelische kerk de zegevierende kerk in den hemel vertegenwoordigt, en welke gemeenschap er tussen die beide bestaat. De Evangelische gemeente wordt genoemd de berg Zion, het hemelse Jeruzalem, dat vrij is, in tegenstelling met den berg Sinaï, die in dienstbaarheid gehouden wordt, Galaten 4:24. Deze was de heuvel, waarop God Zijn Koning den Messias zalfde. Welnu door tot den berg Zion te naderen, komen de gelovigen in hemelse plaat- sen en hemels gezelschap.
1. In hemelse plaatsen.. A. Tot de stad des levenden Gods. God heeft Zijn genadigen intrek genomen in de Evangelische gemeente, welke daardoor het zinnebeeld van den hemel is. Daar kan Zijn volk Hem vinden regerende, leidende, heiligende en vertroostende, daar spreekt Hij tot hen door de bediening des Evangelies, daar spreken zij tot Hem in den gebede en Hij hoort hen, daar leidt Hij hen op voor den hemel en geeft hun de eerstelingen van hun erfenis.
B. Tot het hemelse Jeruzalem, als daar geboren en opgevoed, als vrije burgers daarin. De gelovige n hebben hier duidelijker gezicht van den hemel, levendiger bewijzen van den hemel en een grotere zachtheid en hemelse stemming der ziel.
2. In hemels gezelschap.
A. Tot de vele duizenden der engelen, die van dezelfde familie zijn als de heiligen, onder hetzelfde hoofd staan en in vele opzichten tot hetzelfde werk gebruikt worden, zij bedienen de heiligen, hen bewarende op al hun wegen en bewakende hun tenten. Zij zijn vele duizenden, en een geordend gezelschap in heerlijkheid. En zij, die door het geloof tot de gemeente van het Evangelie gekomen zijn, kwamen daardoor tot de engelen tevens, zullen hun ten slotte gelijk en hun gelijken zijn.
B. Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, dat is, tot de algemene kerk, hoe ook verspreid. Door het geloof komen wij tot hen, hebben met hen gemeenschap door hetzelfde hoofd, door dezelfden Geest, en in dezelfde gezegende hoop, wandelen in dezelfden weg van heiligheid, strijden met dezelfde vijanden, en haasten ons naar dezelfde rust, overwinning en heerlijke zegepraal. Hier zal de algemene vergadering der eerstgeborenen zijn, de heiligen van vroeger en later tijd, die de beloften van de bedeling des Evangelies zagen maar niet ontvingen, zowel als die haar eerst onder het Evangelie ontvingen en er door wedergeboren werden, en zo de eerstgeborenen, de eerstelingen van de gemeente des Evangelies werden, en daardoor, als eerstgeborenen, tot groter eer en voorrechten kwamen dan de rest van de wereld. Inderdaad, al de kinderen Gods zijn erfgenamen en ieder hunner heeft de voorrechten van de eerstgeboorte. De namen van dezen zijn geschreven in de hemelen, in de boeken van de gemeente aldaar, zij hebben een naam in Gods huis, zijn opgeschreven onder de levenden in Jeruzalem, zij staan goed bekend voor hun geloof en getrouwheid, en zijn opgeschreven in het boek des levens des Lams, gelijk burgers in de registers van hun stad opgeschreven staan.
C. Tot God, den Rechter over allen, de grote God, die Joden en heidenen beiden zal oordelen volgens de wet, waaronder zij leven. De gelovigen komen nu tot Hem door het geloof, smeken hun Rechter om genade, en ontvangen een vonnis van vrijspraak in het Evangelie en voor de rechtbank van hun geweten, waardoor zij weten dat zij hiernamaals gerechtvaardigd zullen worden.
D, Tot de geesten der volmaakte rechtvaardigen, tot mensen van de beste soort, de rechtvaardigen, die uitnemender zijn dan hun naasten, tot de besten der rechtvaardigen, de volmaakten, en tot het beste deel van die mensen: hun geesten. De gelovigen zijn verenigd met de afgestorven heiligen in hetzelfde hoofd en dezelfden Geest, in hetzelfde recht op de erfenis, waarvan zij op aarde erfgenamen zijn en in den hemel bezitters zullen zijn.
E. En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. Dat is waarlijk niet de minste van de aanmoedigingen tot volharding in den staat van het Evangelie, het is een staat van gemeenschap met Christus, den Middelaar des Nieuwen Verbonds, en van gemeenschap met Zijn bloed, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.
a. Het verbond des Evangelies is een nieuw verbond, onderscheiden van het verbond der werken, en het is thans onder een nieuwe bedeling, onderscheiden van die des Ouden Testaments.
b. Christus is de Middelaar van dat nieuwe verbond, Hij is de bemiddelende persoon, die staat tussen de beide partijen: God en den mens, om hen in dit verbond tot elkaar te brengen en bij elkaar te houden, niettegenstaande de zonden van het volk en Gods misnoegen tegen hen ter wille van de zonden, om onze gebeden tot God te brengen en Gods gunsten aan ons mede te delen, om voor ons met God en voor God met ons te pleiten, en ten laatste God en Zijn volk bij elkaar te brengen in den hemel, en daar een Middelaar voor hen te zijn tot in eeuwigheid, zodat zij in Christus zich in God verblijden en God in Christus hen zegent.
c. Dit verbond is bevestigd door het bloed van Christus, gesprengd op onze gewetens, gelijk het bloed van het offer gesprengd werd op het altaar en op het offer. Dat bloed van Christus verzoent God en reinigt de gewetens der mensen.
d. Dit bloed spreekt, en het spreekt betere dingen dan dat van Abel.
Ten eerste. Het spreekt tot God in het belang van de zondaren, het spreekt niet van wraak, zoals het bloed van Abel wraak riep over hem, die het vergoten had, maar van barmhartigheid.
Ten tweede. Het spreekt tot zondaren in den naam van God. Het spreekt vergeving van hun zonden, vrede voor hun zielen, en vraagt hun stiptste gehoorzaamheid en hun hoogste liefde en dankbaarheid.
III. Nadat de apostel zo uit geweid heeft over de reden voor volharding, ontleend aan de hemelse natuur van het Evangelie, besluit hij dit hoofdstuk met aandringen van deze reden op een wijze, die beantwoordt aan haar belangrijkheid, vers 25 en verder. Ziet toe, dat gij, dien die spreekt, niet verwerpt, - Hem, die spreekt door Zijn bloed, en spreekt niet alleen op anderen wijze dan het bloed van Abel, dat van den aardbodem riep, maar ook op andere wijze dan God sprak door de engelen en door Mozes op den berg Sinaï, want Hij sprak op aarde en spreekt nu van uit den hemel. Merk hier op:
1. Wanneer God tot de mensen spreekt op de uitnemendste wijze, verwacht Hij terecht van hen de stiptste oplettendheid en eerbied. Nu spreekt God tot de mensen in het Evangelie op de uitnemendste wijze. Want:
A. Hij spreekt nu van een hoger en heerlijker zetel en troon, niet van den berg Sinaï, die op aarde was, maar van den hemel.
B. Hij spreekt nu meer onmiddellijk door Zijn geïnspireerde Woord en door Zijn Geest, welke Zijn getuigen zijn. Hij spreekt niet iets nieuws tot de mensen, maar Zijn Geest spreekt hetzelfde woord in hun gewetens. C. Hij spreekt nu met meer kracht en uitwerking. Toen bewoog inderdaad Zijn stem de aarde, maar nu, bij de openbaring van den staat des Evangelies, heeft Hij bewogen niet alleen de aarde, maar ook de hemelen. Hij heeft niet alleen bewogen de heuvelen en de bergen, of de geesten der mensen, of het land Kanaän om plaats te maken voor Zijn volk, niet alleen de wereld bewogen, zoals Hij toen deed. Maar Hij heeft de kerk bewogen, dat is: het Joodse volk, en hen bewogen in hun kerkstaat, die in de Oud Testamentische tijden een hemel op aarde was. Deze hun hemelsen staat heeft Hij nu bewogen. Het is door het Evangelie van den hemel, dat God den burgerlijken en kerkelijken staat van het Joodse volk bewoog tot die in stukken viel, en een nieuwen staat van de kerk bracht, die niet bewogen kan worden, die nooit door een andere op aarde zal vervangen worden, maar zal blijven tot hij in den hemel volmaakt wordt.
2. Wanneer God op de uitnemendste wijze tot de mensen spreekt is de schuld van hen, die weigeren Hem te horen, des te groter en zal hun straf des te onvermijdelijker en ondraaglijker zijn, er zal geen ontkomen aan zijn, vers 25. De verschillende wijzen, waarop God onder het Evangelie met de mensen handelt in den weg van genade, verzekert ons dat Hij met de verachters van het Evangelie ook bij het oordeel op andere wijze handelen zal dan met anderen. De heerlijkheid van het Evangelie, die het zeer in onze achting moet doen rijzen, blijkt uit deze drie dingen:
A. Het was door het geklank van de bazuin des Evangelies dat de vorige bedeling en staat van de kerk door God werden geschokt en bewogen. En zullen wij dan de stem Gods, die een kerk en staat omwierp, welke zo lang gestaan hadden en door Hem zelven gebouwd waren, verachten?
B. Het was door het geklank van de bazuin des Evangelies dat een nieuw koninkrijk in de wereld voor God gesticht werd, hetwelk nooit zo geschokt en bewogen kan worden. Deze verandering werd eens voor goed gemaakt, geen verandering zal meer plaats grijpen tot de tijd niet meer zijn zal. Wij hebben nu een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, dat nooit bewogen zal worden of plaats maken voor een nieuwe bedeling. De canon van de Schrift is nu voltooid, de Geest der profetie heeft opgehouden, de geheimenis Gods is vervuld, Hij heeft de laatste hand er aan gelegd. De gemeente van het Evangelie moge uitgebreid worden, voorspoediger worden, en meer gereinigd van de overgeërfde bezoedeling, maar ze zal nooit verouderen door een volgende bedeling, zij, die onder het Evangelie verloren gaan, gaan zonder herstel verloren. En hieruit besluit de apostel terecht:
a. Hoe noodzakelijk het is voor ons om genade van God te verkrijgen, door welke wij welbehaaglijk Hem mogen dienen. Indien wij onder deze bedeling niet door God aangenomen worden, zal Hij ons nooit aannemen, en wij verliezen al onzen arbeid in den godsdienst, wanneer wij niet door God aangenomen worden.
b. Wij kunnen God niet Hem welbehaaglijk dienen, tenzij wij Hem vereren met eerbied en godvruchtigheid. Heilige eerbied is even noodzakelijk als geloof voor de ware verering.
c. Het is alleen de genade Gods, die ons bekwaam maakt om God op de rechte wijze te vereren, van nature kan dat niet in ons opkomen, de natuur kan ons evenmin dien heiligen eerbied als dat kostbare geloof geven, die noodzakelijk zijn voor Gode welbehaaglijke verering.
d. God is dezelfde rechtvaardige Rechter onder het Evangelie, die Hij bleek te zijn onder de wet. Ofschoon Hij in Christus onze God is en thans met ons op vriendelijker en genadiger wijze handelt, is Hij op zich zelven een verterend vuur, dat is: een God van strikte rechtvaardigheid, die zich zelven zal wreken op alle verachters van Zijne genade en op alle afvalligen. Onder het Evangelie wordt de gerechtigheid Gods op ontzaglijker wijze geopenbaard, ofschoon niet zo gevoelig, als onder de wet: want hier zien wij de goddelijke gerechtigheid den Heere Jezus aangrijpen, Hem een zoenofferande maken, Hem naar ziel en lichaam voor de zonden offeren, hetgeen een openbaring van gerechtigheid is, die alles te boven gaat, wat op den berg Sinaï gehoord of gezien is toen daar de wet gegeven werd.