23. En onder dat uitspansel waren hun uitgestrekte vleugelenop de in
Vers 9,
11 genoemde wijze rechtophorizontaal uitgebreid, de een aan den ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze derwaarts bedekten, naar voren en naar achter, gelijk eveneens in
Vers 11 reeds is gezegd. 24. En als zij gingen hoorde ik een geruis hunner vleugelen, met welke de een den ander aanraakte, als het geruis van vele wateren, even als konden zij vol ongeduld het ogenblik niet afwachten, dat de Chaldeeuwse krijgsscharen hun zending (
Jesaja 17:12 v.) zouden vervullen. Hun geruis was als de stem des Almachtigen in den lang klinkenden donder (
Openbaring 9:6), als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers 1), dat met veldgeschrei aanrukt (
Jeremia 11:16): als zij stonden, hetgeen dan ook steeds weer plaats vond, zodat zij niet in bestendige beweging waren, zo lieten zij hun vleugelen neer.
1) Het gedruis hunner vleugelen was hard en verschrikkelijk, als het geruis van vele wateren als het gebulder en gebruisch der zee, en als het gedreun eens heirlegers, het gerucht des oorlogs, maar het was duidelijk en verstaanbaar en gaf geen onzeker geluid, want het was de stem eens geroeps, ja het was als de stemme des Almachtigen, want God spreekt door Zijn Voorzienigheid, indien wij het maar begrijpen.