Bijbelstudie
Boeken
Micha 4
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
1
MAAR
a
in het
1
laatste der dagen zal het geschieden dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den
2
top der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen; en de volken zullen tot hem toevloeien.
2
En vele heidenen zullen heengaan en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
3
En Hij zal onder
3
grote volken richten en machtige heidenen
4
straffen,
5
tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkels; het
6
ene
volk zal tegen het
andere
volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.
4
7
Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn
b
wijnstok en onder zijn vijgenboom, en
8
er zal niemand zijn die hen verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft
het
9
gesproken.
5
Want
10
alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns
11
gods, maar
12
wij zullen wandelen in den
13
Naam des HEEREN onzes Gods,
14
eeuwiglijk en altoos.
6
Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar
15
die hinkende was,
c
verzamelen, en haar die verdreven was, vergaderen, en die Ik
16
geplaagd had.
7
En Ik zal
d
haar die hinkende was,
17
maken tot een
18
overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een
19
machtig volk; en de HEERE zal
e
20
Koning over hen zijn op den berg Sion, van
21
nu aan tot in eeuwigheid.
8
En gij
22
Schaapstoren, gij
23
Ofel der dochter Sions, tot u zal komen, ja, daar zal komen de
24
vorige heerschappij, het koninkrijk der
25
dochter Jeruzalems.
9
Nu, waarom zoudt
26
gij
27
zo groot geschrei maken? Is er geen
f
28
Koning onder u? Is uw
29
Raadgever vergaan, dat u smart als van een barende
vrouw
heeft aangegrepen?
10
Lijd smart, en arbeid
30
om voort te brengen, o dochter Sions, als een barende
vrouw
; want
31
nu zult gij
wel
uit de stad henen uitgaan en op het
32
veld wonen en tot in Babel komen,
maar
aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de
33
HEERE verlossen uit de
34
hand uwer vijanden.
11
Nu zijn wel vele heidenen tegen
35
u verzameld, die daar zeggen: Laat ze
36
ontheiligd worden en laat ons oog
37
schouwen aan Sion.
12
Maar
38
zij weten de gedachten des HEEREN niet en verstaan Zijn raadslag niet, dat Hij hen vergaderd heeft als
39
garven tot den
g
dorsvloer.
13
40
Maak u op en dors, o dochter Sions; want Ik zal uw
41
hoorn ijzer
42
maken en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder
43
gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den
h
Heere der ganse aarde.
14
44
Nu,
45
rot u met benden, gij
46
dochter der bende;
47
hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den
48
rechter Israëls met de roede op de kinnebak slaan.