Exodus 28:15-30
I. Het voornaamste sieraad van de hogepriester was deze borstlap, een kostbaar stuk stof, kunstig gewerkt in goud en purper, enz, twee span lang en een span breed, zodat hij, verdubbeld of omgevouwen zijnde, een span was in het vierkant, vers 16. Hij was bevestigd aan de efod met gedraaide ketentjes van goud, vers 13, 14, 22, en verv, zowel aan de bovenzijde als aan de benedenzijde, zodat de borstlap niet afgescheiden werd van de efod, vers 28. De efod was het kleed van dienst, de "borstlap des gerichts" was een embleem van eer, die twee mogen volstrekt niet gescheiden worden. De stammen Israëls werden in twaalf edelgesteenten in Gods gunst aanbevolen, vers 17-21,29 Sommigen opperen de vraag of Levi een edelgesteente had, waarop zijn naam was gegraveerd. Indien niet, dan werden Efraïm en Manasse van elkaar onderscheiden, zoals Jakob gezegd had dat zij zijn zouden, en de hogepriester zelf het hoofd van de stam van Levi zijnde, was die stam ook voldoende vertegenwoordigd. Indien er wèl een steen was voor Levi, wat te kennen gegeven wordt door het bevel, dat zij naar hun geboorten gegraveerd moesten zijn, vers 10, dan waren Efraïm en Manasse een in Jozef. Aäron moest hun namen op zijn hart dragen, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN, geduriglijk vers 29, gesteld zijnde voor de mensen om hen te vertegenwoordigen in de dingen, die bij God te doen zijn, en hierin was hij een type van onze grote Hogepriester, die altijd voor ons in de tegenwoordigheid Gods verschijnt.
1. Hoewel het aan het volk verboden was nabij te komen en zij op een afstand moesten blijven, zijn zij toch door de hogepriester, die hun namen op zijn borstlap had, tot het "heilige der heiligen" ingegaan, en evenzo gaan de gelovigen, terwijl zij op aarde zijn, niet slechts in tot het "heilige der heiligen", maar door het geloof zijn zij "mede gezet in den hemel in Christus Jezus", Efeziers 2:6.
2. De naam van elke stam was in een edelgesteente gegraveerd, om aan te duiden hoe kostelijk de gelovigen zijn in Gods ogen, en hoe verheerlijkt, Jesaja 43:4. "Zij zullen ten dage als Ik Mijn allerdierbaarste juwelen afzonderen zal, Mij een eigendom zijn", Maleachi 3:17, zegt de Heere. Hoe klein of gering de stam ook was, er was een edelgesteente voor in de borstlap van de hogepriester. Zo zijn ook al de heiligen dierbaar aan Christus, en Hij verlustigt zich in hen, die de heerlijken der aarde zijn, al worden zij ook door de mensen "gelijk gerekend aan de aarden flessen", Klaagliederen 4:2.
3. De hogepriester had de namen van de stammen beide op zijn schouders en op zijn borst, waarmee beide de kracht en de liefde worden te kennen gegeven, waarmee onze Heere Jezus voorbede doet voor de Zijnen. Hij draagt hen niet slechts met almachtige kracht in Zijn armen, maar hij draagt ze op Zijn hart, zoals hier de uitdrukking is vers 29, draagt ze in Zijn schoot, Jesaja 40:11, met de tederste liefde. Hoe na moest Christus naam zijn aan ons hart, daar het Hem behaagt de onze zo nabij de Zijne te hebben, en welk een troost is het voor ons bij al ons spreken tot God, dat de grote Hogepriester onzer belijdenis de namen van geheel Zijn Israël op het hart draagt voor het aangezicht des Heeren, ter gedachtenis, die aan God voorstellende als het volk Zijner keuze, die aangenomen zullen zijn in de Geliefde! Laat geen goede Christenen vrezen dat God hen heeft vergeten, of er aan twijfelen, dat Hij bij alle gelegenheden hunner gedenkt, daar zij niet slechts in Zijn handpalm gegraveerd zijn, Jesaja 49:16, maar gegraveerd in het hart van de grote Voorspraak. Zie Hooglied 8:6.
II. De Urim en Thummim, door welke in twijfelachtige gevallen de wil van God werd bekendgemaakt, werden in deze borstlap gezet, die daarom de borstlap des gerichts genoemd wordt, vers 30. Urim en Thummim betekenen licht en recht. Over wat zij waren hebben de geleerden vele gissingen gedaan, wij hebben geen reden om te denken dat zij iets waren, dat Mozes moest maken bij wat hem tevoren bevolen was, zodat of God zelf ze gemaakt heeft en ze aan Mozes heeft gegeven om ze in de borstlap te doen, Leviticus 8:8, of er wordt niets meer bedoeld dan een verklaring van het verdere gebruik van wat al bevolen was om gemaakt te worden. Ik denk dat de zin als volgt gelezen kan worden: En gij zult geven of toevoegen aan de borstlap des gerichts de verlichtingen en volkomenheden en zij zullen op het hart van Aäron zijn, dat is: "Hij zal de gave ontvangen met het vermogen om de wil Gods te kennen en bekend te maken in alle moeilijke, twijfelachtige zaken betreffende de burgerlijke en kerkelijke staat van het volk." Hun regering was een theocratie, God was hun Koning, de hogepriester was, onder God, hun bestuurder, de Urim en Thummim waren zijn kabinetsraad. Mozes heeft waarschijnlijk op de borstlap geschreven, of er in doen weven, deze woorden: Urim en Thummim, om aan te duiden, dat de hogepriester, deze borstlap aanhebbende, en in elke moeilijke omstandigheid het openbare welzijn rakende, God om raad vragende, geleid zal worden om de maatregelen te nemen, of de raad te geven, die door God goedgekeurd zal worden. Als hij voor de ark stond, (maar buiten de voorhang) heeft hij waarschijnlijk, evenals Mozes, Hoofdstuk 25:22, instructies ontvangen, die van het verzoendeksel tot hem kwamen. Aldus scheen Pinehas gedaan te hebben, Richteren 20:27,28. Indien hij op een afstand was van de ark, zoals Abjathar toen hij de HEERE vroeg voor David, 1 Samuël 23:6 en verv, dan werd het antwoord gegeven, òf door een stem van de hemel, òf liever, door een aandrift in het gemoed, de geest, van de hogepriester, wat misschien te kennen is gegeven in deze uitdrukking: Alzo zal Aäron de namen der zonen Israëls dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk. vers 29.
Dit orakel was van groot nut voor Israël, Jozua heeft het geraadpleegd, en waarschijnlijk hebben ook de richteren, ha hem, dit gedaan. In de ballingschap is de borstlap verloren geraakt, en daarna nooit hersteld, ofschoon dit wel verwacht scheen te worden, Ezra 2:63, want Hattirsatha zei, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met Urim en met Thummim. Maar het was een schaduw van toekomende goederen en Christus is het wezen. Hij is ons orakel, door Hem heeft God in deze laatste dagen Zichzelf en Zijn wil aan ons bekend gemaakt, Hebreeën 1:1, Johannes 1:18. In Hem concentreert zich de Goddelijke openbaring, en door Hem komt zij tot ons, Hij is het Licht, het ware licht, de getrouwe getuige, de waarheid zelf, en van Hem ontvangen wij de Geest der waarheid, die ons in alle waarheid leidt. De samenvoeging van de borstlap met de efod geeft te kennen, dat Zijn profetisch ambt gegrond was in Zijn priesterschap, en het was door de verdienste van Zijn dood, dat Hij voor zich deze eer heeft verkregen en voor ons deze gunst. Het was "het Lam, dat geslacht is, dat waardig werd geacht het boek te nemen en zijn zegelen te openen", Openbaring 5:9.