Ezechiël 18:21-29
Hier hebben wij nog een regel, waarnaar God ons oordelen zal, waardoor verder de billijkheid van Zijn bestuur bewezen wordt. De vorige toonde, hoe God beloont of straft naar dat de verandering, die in een familie of bij een opvolging plaats grijpt, ten goede of ten kwade is, hier toont Hij, dat Hij beloont of straft naardat de verandering in de persoon zelf ten goede of ten kwade is. Zolang wij in deze wereld zijn, zijn wij in een staat van beproeving, de tijd van de beproeving duurt even lang als ons leven, en naardat wij aan `t eind bevonden worden, zal de eeuwigheid voor ons zijn. Ziehier
I. Het geval duidelijk uiteengezet, vrijwei zoals in Hoofdstuk 2:18 enz, en wel, eerst in vers 21-24, en nog eens in vers 26-28, omdat het een zaak is van het grootste belang, een zaak van leven en dood, van eeuwig leven of eeuwigen dood. Wij hebben hier,
1. Een vriendelijke uitnodiging aan de goddelozen, om zich van hun goddeloosheid te bekeren. De verzekering wordt ons hier gegeven, dat, wanneer de goddeloze zich bekeert, hij gewis leven zal, vers 21, 27.
A. Wat vereist wordt om iemand een oprecht bekeerde te kunnen noemen, hoe hij bekwaam gemaakt moet worden, om recht te hebben op deze vergiffenis.
a. De eerste stap naar bekering is overdenking, vers 28 :Dewijl hij toeziet en zich bekeert. De reden, waarom zondaars voortgaan op hun boze weg, is, dat zij niet bedenken, wat het einde zal zijn, maar, als de verloren zoon eenmaal tot zichzelf komt, als hij neerzit en een weinig bedenkt, hoe slecht zijn toestand is, en hoe gemakkelijk die verbeterd kan worden, dan zal hij spoedig "tot zijn vader gaan", Lukas 15:17, en de echtbreekster tot haar vorige man, als zij bedenkt, dat het haar toen beter was dan nu, Hosea 2:6.
b. Deze overdenking moet afkeer van de zonde teweeg brengen. Als hij nadenkt, moet hij zich bekeren van zijn goddeloosheid, hetgeen een verandering is in de gesteldheid van het hart, hij moet zich bekeren van zijn zonden en overtredingen, hetgeen een verandering is in zijn leven, hij moet zijn boze weg verlaten, en hij moet besluiten de ongerechtigheid, die hij gedaan heeft niet meer te doen, en dat uit een beginsel van haat tegen de zonde. Wat heb ik meer met de afgoden te doen?
c. Deze afkeer van de zonde moet volkomen zijn, hij moet zich bekeren van al zijn zonden en van al zijn overtredingen, zonder enige uitzondering, hetzij voor Delila, hetzij in het huis van Rimmon. Wij bekeren ons niet waarlijk van de zonde, als wij ze niet waarlijk haten, en wij haten ze niet waarlijk, als zodanig, als wij niet alle zonde haten.
d. Dit moet vergezeld gaan van een bekering tot God en plicht, hij moet al Gods inzettingen onderhouden (want, als de gehoorzaamheid oprecht is, zal ze volkomen zijn) en moet recht en gerechtigheid doen, wat overeenstemt met de wil en het Woord van God, dat hij als levensregel moet aannemen, en niet de wil des vleses en de weg van de wereld.
B. Wat beloofd wordt aan degenen, die zich aldus van de zonde tot God bekeren.
a. Zij zullen hun ziel in het leven behouden, vers 27. Zij zullen gewis leven, zij zullen niet sterven, vers 27, en opnieuw vers 28. Hoewel gezegd is: De ziel, die zondigt, die zal sterven, moeten toch zij, die gezondigd hebben, niet wanhopen, omdat de dreigende dood afgewend kan worden, als zij maar bijtijds berouw hebben en zich bekeren. Als David berouwvol erkent: Ik heb gezondigd, wordt hem terstond de vergeving toegezegd: "De Heere heeft uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven," 2 Samuël 12:13, gij zult niet voor eeuwig sterven. Hij zal gewis leven, hij zal opnieuw Gods gunst deelachtig worden, die het leven van de ziel is, en zal niet onder de toorn blijven, die als de bode des doods is voor de ziel.
b. De zonden, waarover zij berouw hebben, en die zij laten varen zullen niet tegen hen opstaan in het oordeel, er zal hun zelfs geen verwijt van worden gemaakt. Alle zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hoe talrijk, hoe snood, hoe tergend ook voor God, en hoezeer zij hen tot oneer zijn, zullen hem niet gedacht worden, vers 22, niet gedacht worden tegen hem, zij zullen hem niet alleen niet toegerekend worden, om hem rampzalig te maken, maar zij zullen ook niet tegen hem gedacht worden om hem smart aan te doen of beschaamd te maken, zij zullen bedekt worden, zij zullen gezocht en niet gevonden worden. Dat betekent de volheid van de vergevende genade, als de zonde vergeven is, dan is ze uitgedelgd, dan wordt ze niet meer gedacht.
c. In zijn gerechtigheid zal hij leven, niet om zijn gerechtigheid, alsof dat de prijs was voor zijn vergiffenis en zaligheid en de verzoening voor zijn zonden, maar in de gerechtigheid, die hem bekwaam maakt voor al de zegeningen, die gekocht zijn door de Middelaar, en die zelf een van die zegeningen is.
C. Welke bemoediging een boetvaardig zondaar heeft, als hij zich bekeert, om op vergeving en het leven te hopen, overeenkomstig deze belofte. Hij is zich bewust, dat zijn gehoorzaamheid in de toekomst nooit een geldige vergoeding kan zijn voor zijn ongehoorzaamheid in het verleden, maar hij kan zich staande houden met de gedachte, dat het Gods natuur, een van Zijn eigenschappen, en Zijn vermaak is, barmhartig te zijn en te vergeven, want Hij heeft gezegd, vers 23 :Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood des goddelozen? Neen, in geen geval, Ik heb u nooit reden gegeven om dat te denken. Het is waar, dat God besloten heeft de zondaars te straffen, Zijn rechtvaardigheid eist hun bestraffing, en dienovereenkomstig zullen de onboetvaardige zondaars voor eeuwig onder Zijn toorn en vloek liggen, dat is de wil van Zijn besluit, die daar het gevolg van is, maar het is niet Zijn voorafgaande wil, de wil van Zijn lust. Hoewel de rechtvaardigheid van Zijn bestuur de dood van de zondaars eist, toch verzet zich de goedheid van Zijn natuur daartegen. "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm?" Dit is vergelijkenderwijs bedoeld, Hij heeft geen welbehagen in de dood des zondaars want Hij wil liever, dat hij zich bekere en leve, het is Hem welbehagelijker, dat Zijn barmhartigheid verheerlijkt wordt in zijn verlossing, dan dat Zijn rechtvaardigheid verheerlijkt wordt in zijn verdoemenis.
2. Een vriendelijke waarschuwing aan de rechtvaardigen om niet af te wijken van hun rechtvaardigheid, vers 24-26. Hier is,
a. "Het karakter van een afvallige, die zich afkeert van zijn gerechtigheid. Hij was nooit in oprechtheid een rechtvaardige (als blijkt uit 1 Johannes 2:19, indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn), maar hij ging voor rechtvaardig door. Hij had de naam en al de uiterlijke kentekenen van een rechtvaardige, hij dacht zelf, dat hij het was, en anderen dachten het ook. Maar hij werpt zijn belijdenis over boord, verlaat zijn eerste liefde, verloochent en verzaakt de waarheid en de weg van God en aldus keert hij zich a) van zijn gerechtigheid, als eer, die er van walgt, en toont nu zijn afkeer er van, die hij in `t geheim altijd gehad heeft, en nadat hij zich van zijn gerechtigheid afgekeerd heeft, wordt hij losbandig en onheilig, zinnelijk, onmatig, onrechtvaardig, kortom hij doet naar alle de gruwelen, die de goddeloze doet, want, als de onreine geest opnieuw bezit neemt van het hart, dan neemt hij "met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar," Lukas 11:26.
b. Het vonnis van een afvallige: zou die leven, omdat hij eens rechtvaardig was? Neen, factum non dicitur quod non perseverat- wat niet blijvend is wordt niet als gedaan beschouwd In zijn overtreding, vers 24, en om zijn ongerechtigheid (dat is de reden, waarom hij de dood verdient), in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, zal hij sterven, sterven voor eeuwig, vers 26. Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden. Maar zal dan zijn vroegere belijdenis, zullen zijn vorige daden hem niet baten? zullen zij niet ten minste zijn straf verminderen? Neen: Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, hoezeer ook toegejuicht door de mensen, zullen niet gedacht worden, tot zijn voordeel niet en tot zijn troost niet, de rechtvaardigheid van een afvallige wordt vergeten, zoals de goddeloosheid van een boetvaardige. Als een Nazireër verontreinigd was, onder de wet, waren al de vorige dagen van zijn afzondering ongeldig, Numeri 6:12, zo is ook van hen, die "met de Geest begonnen zin en met het vlees voleindigen, al wat ze gedaan en al wat ze geleden hebben, tevergeefs, Galaten 3:3, 4, als wij niet volharden, verliezen wij, hetgene wij gearbeid hebben," 2 Johannes : 8.
II. Een beroep op het geweten van het huis Israëls, hoe bedorven ook, betreffende Gods billijkheid in dit alles, want uit hun eigen mond zal Hij gerechtvaardigd en zullen zij geoordeeld worden.
1. De beschuldiging, die zij tegen Hem inbrengen, is lasterlijk, vers 25, 29. Het huis Israëls heeft de onbeschaamdheid te zeggen: De weg des heren is niet recht, en niets kan ongerijmder en goddelozer zijn. Zou Hij, die het oog formeert, niet aanschouwen? Kunnen Zijn wegen onrecht zijn, Wiens wil de onveranderlijke wet is van goed en kwaad, van recht en onrecht? Zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Dat zal Hij zonder twijfel, Hij kan niet anders.
2. Gods bespreking met hen is zeer genadig en neerbuigend, want zelfs deze lasteraars zou God liever willen overtuigen en redden dan veroordelen. Men zou denken, dat God onmiddellijk de eer van Zijn rechtvaardigheid zou handhaven, door hen, die Hem beschuldigen, tot eeuwige gedenktekenen daarvan te maken. Zal Hij dulden, dat zij, die zulke goddeloze woorden spreken, nog een enkel woord uiten? Zal de tong, die eenmaal gezegd heeft: "De weg des Heeren is niet recht," ooit weer spreken behalve in de hel? Ja, want dit is de dag van Gods geduld, Hij verwaardigt Zich met hen te redeneren, en Hij eist van hen, dat zij `t erkennen, want het is zo klaar, dat zij `t niet kunnen ontkennen.
a. De billijkheid van Zijn weg: Is Mijn weg niet recht? Zonder twijfel. Hij legt iemand nooit meer op dan recht is. In de tegenwoordige straffen van de zondaars en de beproevingen van Zijn eigen volk, ja, en in de eeuwige verdoemenis van de onboetvaardigen, is de weg des Heeren recht.
b. Het onrecht van hun wegen. Zijn niet uw wegen onrecht? Het is duidelijk, dat zij dat zijn, en de ellende, waarin gij zijt, hebt gij u zelf op de hals gehaald. God doet u geen onrecht, maar gij doet u zelf onrecht. "De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren, maakt die onrecht, en dan vergramt zich zijn hart tegen de Heere, alsof Zijn weg onrecht was", Spreuken 19:3. In al onze geschillen met God, en in al Zijn twisten met ons, zullen wij steeds bevinden, dat Zijn weg recht is, maar de onze onrecht, dat Hij gelijk heeft en wij ongelijk.