2 Petrus 3:9-10
Hier wordt ons gezegd dat de Heere niet traag is, Hij stelt niet uit na den bepaalden tijd. Gelijk God den tijd hield, dien Hij vastgesteld had voor de verlossing van Israël uit Egypte (Exodus 12:31), zo zal Hij ook den tijd houden, die bepaald is voor het oordeel der wereld. Welk een onderscheid zien wij hier tussen de rekening die God maakt en die welke de mensen maken! De godvrezenden zijn soms geneigd te denken dat God boven den bepaalden tijd vertraagt, dat is den tijd, dien zij hebben vastgesteld voor hun eigen verlossing of die der gemeente. Maar hun tijd is niet die van God, en Hij zal niet nalaten den tijd te houden, dien Hij bepaald heeft. Goddelozen durven God van schuldige traagheid betichten, alsof Hij den tijd liet voorbijgaan en de gedachte aan de wederkomst liet varen. Maar daartegenover verzekert de apostel ons:
I. Datgene, wat sommigen traagheid achten, is in werkelijkheid lankmoedigheid, en wel over ons. Hij geeft daardoor meer tijd aan Zijn volk, dat Hij verkoren heeft voor de grondlegging der wereld, omdat velen van hen nog niet bekeerd zijn. En zij, die reeds in een toestand van genade en gunst van God verkeren, kunnen toenemen in kennis en heiligheid, overvloedig worden in goede werken, zich oefenen in geloof en geduld, doen en lijden hetgeen waartoe zij geroepen worden, en daardoor Gode heerlijkheid brengen en toenemen in hun geschiktheid voor den hemel. Want de Heere wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Merk hier op:
1. Bekering is volstrekt noodzakelijk voor zaligheid. Zo gij u niet bekeert, zult gij vergaan, Lukas 13:3, 5.
2. God heeft geen lust in den dood der zondaren, de straf der zondaren is een pijniging voor de schepselen, maar de barmhartige God schept er geen behagen in. En ofschoon het voorname doel van Gods lankmoedigheid is het zegenen van hen, die Hij verkoren heeft tot zaligheid, door heiligmaking des Geestes en geloof in de waarheid, toch nodigen en roepen Zijn goedheid en zorgvuldigheid allen, over welken zij uitgestrekt worden. Indien dus mensen, wie God gelegenheid tot bekering verlengt, zonder berouw voortgaan, zal Hij hen eenmaal des te gestrenger behandelen, ofschoon de voorname reden waarom Hij Zijn komst niet verhaast, is dat Hij het getal Zijner uitverkorenen nog niet volledig gemaakt heeft. Veracht daarom het geduld en de lankmoedigheid Gods niet door u aan een ongoddelijken wandel over te geven, gaat niet stout en roekeloos op den weg der zondaren, zit niet zorgeloos neer in een staat van onbekeerdheid zonder berouw gelijk degenen die zeggen: Mijn Heere vertoeft te komen, Mattheus 24:28, want dan zal Zijne komst u verrassen, want:
II. De dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, vers 10. Merk hier op:
1. De zekerheid van den dag des Heeren, ofschoon het nu reeds meer dan zestien eeuwen geleden is, dat deze brief geschreven werd, en die dag nog niet gekomen is, toch zal Hij zeker komen. God heeft een dag gesteld, waarop Hij de wereld rechtvaardig oordelen zal, en Hij zal de bepaling houden. Het is den mensen gezet, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, Heb. 9:27. Weest daarom in uw harten overtuigd dat de dag des Heeren gewis komen zal en gij dan zeker geroepen zult worden rekenschap te geven van al wat gij in het lichaam gedaan hebt, hetzij goed, hetzij kwaad. Laat dus uw zuivere wandel voor God en het gewoon-strenge oordeel over uzelven getuigenis geven van uw vast geloof in het toekomend oordeel, want velen leven alsof zij nooit geroepen zullen worden om rekenschap af te leggen.
2. De plotselinge komst van dien dag. Hij zal komen als een dief in den nacht, op een tijd wanneer de mensen slapend en zeker zijn, en er niet aan denken om den dag des Heeren te verwachten, evenmin als de mensen in den donkeren en stillen nacht, terwijl zij gerust slapen, denken aan den dief die inbreekt. Te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt! Mattheus 25:6, en toen sliepen niet alleen de dwaze maagden, maar ook de wijze. De Heere zal komen op den dag, waarop men niet naar Hem uitziet, en een uur, waarin men Hem niet verwacht. De tijd, dien de mensen voor het minst-geschikt en voor het onwaarschijnlijkst houden, waarin zij dus het meest zeker zich gevoelen, zal de tijd van des Heeren wederkomst zijn. Laat ons dus zorg dragen, dat wij in onze gedachten en voorstellingen dien dag niet als ver van ons beschouwen, integendeel het er voor houden dat die waarschijnlijk het dichtst bij is, naarmate een goddeloze wereld hem verschuift.
3. De plechtigheid van deze komst.
A. De hemelen zullen met een gedruis voorbijgaan. De zichtbare hemelen, als niet instaat om te blijven wanneer de Heere in Zijne heerlijkheid komt, zullen voorbijgaan, zij zullen een machtige verandering ondergaan, en dat zal plotseling geschieden en met zulk een gedruis als het breken en in elkaar storten van zulk een groots gebouw noodzakelijk moet veroorzaken.
B. De elementen zullen branden en vergaan. Bij de wederkomst des Heeren zal het niet alleen rondom Hem zeer stormen, zodat de hemelen als in een machtigen, ontzettenden wervelwind zullen voorbijgaan, maar vuur zal voor Zijn aangezicht heengaan, dat de elementen versmelten zal, waaruit deze schepping is samengesteld.
C. De aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. De aarde met hare bewoners en al haar werken, zowel van natuur als van kunst, zullen verwoest worden. De deftige paleizen en tuinen, en al de begeerlijke dingen, waarin wereldsgezinde mensen hun geluk zoeken en stellen, zullen alle verbranden, alle schepselen, die God gemaakt heeft, en al de werken der mensen ondergaan hetzelfde lot, alle moeten in het vuur. Dat zal een verterend vuur zijn voor al de onreinheid, welke de zonde in de wereld gebracht heeft, ofschoon het een louterend vuur zal zijn voor de werken van Gods handen, opdat de spiegel der schepping helderder er uit te voorschijn kome en de heiligen daarin des te beter de heerlijkheid des Heeren mogen zien. En wie ziet nu niet duidelijk het onderscheid tussen de eerste en de tweede komst van Christus! Toch wordt die eerste genoemd de grote en vreeslijke dag des Heeren, Maleachi 4:5. Hoe veel vreeslijker moet dan Zijn komst ten oordeel wel zijn! Laat ons zo wijs zijn dat wij er ons toe voorbereiden, opdat hij voor ons geen dag van wraak en verwoesting zij! O wat zal er van ons worden, wanneer wij onze zinnen op het aardse zetten en dat tot ons deel verkiezen, ofschoon het alles zal verbranden! Ziet daarom uit naar en verzekert u van iets beters dan deze zichtbare wereld, die brandende zal vergaan.