29. Evenwel zegt het huis Israëls: De weg des HEEREN is niet recht, 1) wanneer Hij bij enen bekeerde de zonde, die hij vroeger gedaan heeft niet in rekening brengt en bij enen afgevallene niet om het goede geeft, dat vroeger door hem geschied is; zouden, daar Ik de harten doorzoek, en volgens de gezindheid van ieder omtrent Mij, over zijn wel en wee beslis-zoudenMijne wegen, o huis Israëls! niet recht zijn? zijn niet uwe wegen onrecht?want onrecht is het alleen het uitwendige op te tellen, zonder op den toestand des harten te zien, en alleen naar dat uitwendige beslissing te verlangen.
1) Het huis Israëls had de onbeschaamdheid van te zeggen: Gods weg is niet recht; niets kon ongerijmder, zowel als goddelozer zijn dan dat. Zal hij, die het oog gemaakt heeft, niet zien? Kunnen Zijne wegen onrecht zijn, Wiens wil de enige regel van goed en kwaad is, van recht en onrecht? Zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen? Buiten twijfel zal Hij en Hij kan niet anders doen.
Wanneer reeds in Vers 4 de uitdrukking: vader zoon in hare betrekking op het spreekwoord in Vers 2 tevens de vroegere en de latere generatie aanduidde, dan blijkt dit nog meer bepaald in het voor ons liggende. Het is ook hiermede, gelijk bij Hoofdstuk 3:17, is opgemerkt, dat meer nog den aan een bijzonder persoon bij den goddeloze, die zich bekeert, aan het gehele volk moet worden gedacht, zo als uit het volgende stuk (Vers 30-32) duidelijk blijkt. Maar de rechtvaardige, die zich van zijne gerechtigheid afkeert en kwaad doet, zou dan dat gedeelte des volks voorstellen, dat tot betere gezindheid bekwaam, zich evenwel door den algemenen geest des tijds mede laat voortslepen, en zo mede de schuld wordt van de algemene straf-dit is ene bijzondere waarschuwing voor de toehoorders van den Profeet-God is niet alleen rechtvaardig, maar ook genadig en barmhartig. Hij straft slechts diegenen met den dood, die of het kwaad niet laten, of op den weg Zijner geboden niet volharden willen.
Met recht is het woord in Vers 23 ten allen tijde gehouden voor ene vriendelijke vermaning aan den zondaar. God heeft geen lust in den dood des goddelozen, is ene spreuk, die alleen genoegzaam is, om de aanklachten van het moderne heidendom, dat een koud God, zonder hart in het Nieuwe Testament meent te vinden, ten bodem slaan. De God des Ouden Testaments heeft een hart. Hij, de zaligheid zelf, die zich afspiegelt in de zaligheid der schepselen, heeft een hart voor alles wat van Hem is afgevallen en den dood zich heeft overgegeven. De grondtrek van Zijn wezen is heilige liefde; Zijn lust is in het bekeren van den dood tot het leven. En welk een diep en helder inzicht in het wezen der genade bij onzen Profeet! In machtige trekken hebben wij in kort te zamen de voorstelling van de wet met hare eisen, de gestrengheid Gods ten opzichte van hun vervulling, even als van de bekering des zondaars tot God en het aangrijpen der Goddelijke genade, die niets ten halve doet, maar de gehele schuld uitdelgt; verder van de bevestiging der bekering in gerechtigheid en heiliging des levens. Gelijk de Profeet echter tot hiertoe het gehele huis Israëls voor ogen had, en daartegen zijn bestraffend woord richtte, zo nu ook het thans volgende woord over de bekering. Geheel Israël moet belijdenis doen. Het volgende stuk is Messiaans en sluit zich alzo aan Hoofdstuk 17:22, aan; daar was de genade Gods in hare verhevene volheid voorgesteld, hier wordt gesproken van het aangrijpen van deze, om het aandeel van ieder in `t bijzonder aan dien rijkdom, wat nu hier geëist wordt, komt in de toekomst in heerlijke vervulling, zo als in Hoofdstuk 11:17, is verkondigd.
Gods redeneringen met hem zijn zeer genadig en toegevende. Want deze Godslasteraar wilde God liever overtuigen en behouden, dan veroordeeld hebben. Men zou verwacht hebben, dat God aanstonds de ere van Zijne gerechtigheid zou gehandhaafd hebben, door dezulken, die dezelve belasterden, eeuwige gedenktekenen daarvan te maken. Moeten deze verdragen worden nog te ademen, die eens zulk goddeloosheid geademd hebben, als deze is? Zal die tong weer ergens spreken dan in de hel, die eens gezegd heeft, de wegen des Heeren zijn niet recht. Ja, omdat deze is de dag van Gods verdraagzaamheid. Hij vergunt met Hem te pleiten, en Hij eist van hen te bekennen, want het is zo klaar, dat zij niet loochenen kunnen.
De Heere legt Zijn volk nooit meer op, dan recht is. Ook in de bittere wegen der beproeving en der kastijding is des Heeren weg recht, is Zijn doen enkel Majesteit. Wij mogen twisten met Hem, maar ten slotte zal het toch blijken, dat Zijne wegen altijd recht zijn. Zalig dezulken, die dat door genade leren toestemmen en belijden.