Romeinen 9:14-24
Nadat de apostel de ware betekenis van de belofte heeft vastgesteld, gaat hij nu over tot de handhaving en het bewijzen van Gods volstrekte vrijmacht in Zijn beschikkingen over de kinderen der mensen ten aanzien van hun eeuwigen toestand. En in dit opzicht moet God niet beschouwd worden als regeerder en overheid, die beloningen en straffen uitdeelt in overeenstemming met Zijn geopenbaarde wetten en verbonden, maar als eigenaar en zegenaar, die aan de kinderen der mensen zulke genade en gunst geeft, als Hij in en door Zijn verborgen en eeuwigen wil en raad bepaald heeft, zowel de gunst van het zichtbare lidmaatschap van gemeente en voorrechten, die Hij het ene volk geeft en het andere onthoudt, als de gunst van werkdadige genade, die den enen bijzonderen persoon geschonken en den anderen onthouden wordt. Dit gedeelte van zijn betoog is een antwoord op twee tegenwerpingen.
I. Men kan tegenwerpen: Is er onrechtvaardigheid bij God? Wanneer God, zo met de kinderen der mensen handelende, zo op eigenmachtige wijze den een verkiest en den ander verwerpt, kan Hij dan niet verdacht worden van onrechtvaardig met hen te handelen? De apostel schrikt terug van deze gedachte: Dat zij verre! Verre zij het van ons zo iets te denken, zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen? Genesis 18:25, Hoofdstuk 3:5, 6. Hij ontkent de gevolgtrekkingen en bewijst het goed recht daartoe.
1. Ten opzichte van hen, aan wie Hij barmhartigheid bewijst, vers 15, 16. Hij haalt daartoe deze schriftuurplaats aan om Gods vrijmacht te bewijzen in de uitdeling van Zijn gunsten: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, Exodus 33:19. Al Gods redenen om zich te ontfermen worden genomen uit Hem zelven. Alle mensenkinderen zijn gelijkelijk gestort in een staat van zonde en ellende, gelijkelijk onder de schuld en den toorn. God, als de vrijmachtige opperheer, neemt sommigen uit dit gevallen oproerige ras om vaten van Zijn genade en heerlijkheid te worden. Hij schenkt Zijn gaven aan wie Hij wil, zonder daarvan rekenschap te geven aan ons, overeenkomstig Zijn eigen welbehagen kiest Hij sommigen uit om te worden tot toonbeelden van Zijn barmhartigheid en genade, voorkomende genade en werkdadige genade, terwijl Hij anderen voorbijgaat. De uitdrukking is zeer nadrukkelijk, en zij wordt het nog meer door de herhaling: Ik zal Mij ontfermen diens Ik Mij ontferm, en Ik zal barmhartig zijn dien Ik barmhartig ben. Zij duidt op een volkomen vrijmacht van Gods wil, Hij zal doen wat Hem behaagt, ook zal Hij geen rekenschap geven van een Zijner daden, het zou ook niet met Zijne waardigheid overeenkomen. Gelijk de verheven woorden: Ik ben die Ik ben (Ik zal zijn die Ik zijn zal) Exodus 3:14, overvloedig te kennen geven de volstrekte onafhankelijkheid van Zijn bestaan, zo geven deze woorden: Ik zal barmhartig zijn diens Ik barmhartig ben, ten volle te kennen de algehele heerschappij en vrijmacht van Zijn wil. Ten einde Gods rechtvaardigheid te handhaven in het bewijzen van barmhartigheid aan wie Hij wil, beroept de apostel zich op hetgeen God zelf gezegd heeft, waardoor Gods onbeperkte macht en vrijheid wordt bewezen. God is de bevoegde rechter, ook in Zijn eigen zaak. Wat God ook doet of besluit te doen, het een zowel als het ander zal blijken rechtvaardig te zijn. Eleêsoo hon an eleo. Ik zal barmhartig zijn dien Ik barmhartig ben. Wanneer Ik begin, voltooi Ik het. Daarom duurt Gods barmhartigheid eeuwiglijk, aangezien Hij de reden daartoe uit zich zelven genomen heeft, daarom zijn Zijn genadegiften en roeping onberouwelijk. Hier voegt hij bij: Zo is het dan niet desgenen die wil, vers 16. Welk goeds ook van God tot den mens komt, de heerlijkheid daarvan kan niet toegekend worden aan de meest-edelmoedige begeerte of aan de ijverigste poging des mensen, maar enig en alleen aan de vrije genade en barmhartigheid Gods. In Jakobs geval was het niet desgenen die wil of desgenen die loopt, het was niet de ernstige wil en begeerte van Rebekka dat Jakob de zegening zou ontvangen, het was niet Jakobs haast om die te verkrijgen (want hij kan gezegd worden er om gelopen te hebben) die hem den zegen verwierf, maar enkel de barmhartigheid en genade Gods. Het enige, waarin het heilige en gelukzalige volk van God verschilt van andere mensen, is de genade Gods die het onderscheid maakt. Wanneer deze algemene regel toegepast wordt op het bijzondere geval, dat Paulus thans behandelde, dan blijkt dat de reden waarom de onwaardige, niets-verdienende, alles-verbeurd-hebbende heidenen worden geroepen en ingeënt in de gemeente, terwijl het grootste gedeelte der Joden in ongeloof verloren gelaten worden, niet daarin bestaat dat de heidenen die meer verdienden of er beter voor geschikt waren om zulk een gunst te genieten, maar dat alleen Gods vrije genade het onderscheid maakte. De heidenen wilden het niet en zij liepen er niet voor, want zij zaten in duisternis, Mattheus 4:16. In duisternis, en daarom verlangden zij niet naar hetgeen zij niet kenden, zij zaten in duisternis, een houding van tevredenheid, en daarom liepen zij er niet voor, maar zij werden voorgekomen met deze onwaardeerbare zegeningen van goedertierenheid. Zodanig is de wijze van Gods genade jegens allen die er deelgenoten van worden, want Hij wordt gevonden van degenen die Hem niet zochten, Jesaja 65:1. In deze voorkomende, werkdadige, onderscheidende genade handelt Hij als weldoener, die uit zichzelf genadig is. Ons oog mag daarom niet boos zijn, omdat Hij goed is, maar van al de genade die wij of die anderen hebben, komt Hem de eer toe. Niet ons, o Heere, niet ons! Psalm 115:1.
2. Ten opzichte van degenen, die verloren gaan, vers 17. Gods vrijmacht, geopenbaard in de verdelging van zondaren, wordt hier aangetoond in het geval van Farao, dat meegedeeld wordt in Exodus 9:16. Merk op:
A. Wat God aan Farao deed. Hij verwekte hem, bracht hem in de wereld, maakte hem beroemd, gaf hem het koninkrijk en de macht-en zette hem als een sein op een berg, als een doelwit voor al zijn plagen, zie Exodus 9:14, verhardde zijn hart, zoals Hij gezegd had te zullen doen, Exodus 4:21. Ik zal zijn hart verstokken, dat is de vertederende genade onttrekken, hem aan zich zelven overlaten, Satan tegen hem loslaten, en verhardende voorvallen hem in den weg leggen. Ook kan met verwekken bedoeld worden de tussenpozen tussen de plagen, waardoor Farao uitstel verkreeg en het uitstel dat hij daardoor nam. In het Hebreeuws leest men: ik deed u staande blijven, ging voort met u in het land der levenden te laten. Zo verwekt God zondaren, maakt hen voor zich zelven, zelfs voor den dag des kwaads, Spreuken 16:4, verwekt hen tot uitwendigen voorspoed, uiterlijke voorrechten, Mattheus 11:23, en sparende barmhartigheden.
B. Wat Hij daarmee beoogde: Opdat Ik in u Mijne kracht bewijzen zou. God zou dit alles dienstbaar maken aan de eer van Zijn naam, en Zijn macht openbaren door het neerslaan van den hoogmoed en de aanmatiging van den groten en roekelozen dwingeland, die den Hemel zelf uitdaagde en al wat recht en heilig was met voeten vertrad. indien Farao niet zo hoog en zo machtig, niet zo verhard en brutaal geweest was, zou de macht van God niet zo schitterend in zijn ondergang uitgekomen zijn, maar het wegnemen van den geest van zulk een vorst, die op zo hoge wijze God tegenstond, was inderdaad een grote verheerlijking van Gods heiligheid, die machtig is en vreeslijk, doende wonderen, Exodus 15:11. Dit is Farao en al zijn menigte!
C. Zijn gevolgtrekking uit die beide vinden wij in vers 18 : Zo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil, en Hij verhardt dien Hij wil. De verschillende handelingen Gods met de mensen, waardoor Hij den een van den ander onderscheidt, worden opgelost door Zijn onbeperkte vrijmacht. Hij is geen mens iets schuldig. Zijn genade is Zijn eigen welbehagen, en Hij kan die geven of terughouden al naar Hem behaagt. Wij hebben die geen van allen verdiend, wat meer is, wij hebben die op duizenderlei wijzen verbeurd, zodat hierin het werk van onze verlossing bewonderenswaardig wèl geordend is, dat zij die gered worden alleen God er voor kunnen danken, en zij die verloren gaan het alleen aan zich zelven wijten kunnen, Hosea 13:9. Wij zijn gehouden, want God heeft er ons toe verplicht, om al wat in onze macht staat te doen voor de zaligheid van allen, met welke wij in aanraking komen, maar God is daartoe niet gehouden verder dan Hij zelf naar Zijn welbehagen er zich toe verbonden heeft door Zijn eigen verbond en belofte, welke Zijn geopenbaarde wil zijn, en dat is: dat Hij zal aannemen, en niet verwerpen, allen die tot Christus komen, maar de trekking der zielen, opdat zij zullen komen, is een voorafgaande onderscheidende gunst aan wie Hij wil. Was Hij barmhartig voor de heidenen? Dat kwam alleen doordien Hij hun barmhartig zijn wilde. Waren de Joden verhard? Het was doordien het Zijn eigen welbehagen was hun de vertederende genade te onthouden en hen over te laten aan hun eigen-gekozen welbewust ongeloof. Alzo, Vader, is Uw welbehagen geweest! Lukas 10:21. Deze Schriftuurplaats verklaart uitnemend wat we hier lezen, en toont aan den vrijmachtigen wil van God beide in het geven of terughouden van de genademiddelen en den werkdadigen zegen op die middelen.
II. Hier kan tegengeworpen worden: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? vers 19. Indien de apostel alleen bewijs gevoerd had voor Gods vrijmacht in het vaststellen en verordenen van de voorwaarden en middelen van aanneming en verlossing, dan zou er niet de minste reden voor deze tegenwerping geweest zijn, want men zou wel oorzaak aan de zijde der mensen gevonden hebben zo zij weigerden te komen op de voorwaarden, waarop de verlossing werd aangeboden, -daar de verlossing zo groot was, konden geen voorwaarden te zwaar zijn. Maar hier kon plaats voor die tegenwerping zijn, tegen zijne bewijsvoering voor de vrijmacht Gods in het geven en terughouden van de onderscheidende en voorkomende genade, en de tegenwerping wordt gewoonlijk zeer gretig gemaakt tegen het leerstuk van de bijzondere genade. Indien God, wanneer Hij aan den een werkdadige genade geeft, die den ander onthoudt, hoe kan Hij dan de schuld vinden bij hen wie Hij ze onthoudt? Indien Hij de Joden verworpen had en hun ogen gesloten hield voor de dingen die tot hunnen vrede dienen, hoe kon Hij hen dan beschuldigen ter oorzake van hun blindheid? Indien het Zijn welbehagen was geweest hen niet als Zijn volk te beschouwen en hen geen barmhartigheid te doen verkrijgen, dan was hun uitsluiting van zich zelven geen tegenstaan van Zijn wil. Op deze tegenwerping geeft hij breedvoerig antwoord.
1. Door hem, die de tegenwerping maakt, te bestraffen, vers 20. Dat is geen tegenwerping, die gemaakt mag worden door het schepsel tegen zijn Schepper, door den mens tegen God. De waarheid, zoals die in Jezus is, vernedert den mens zo diep mogelijk en verhoogt God als vrijmachtig Opperheer van allen.
Maar toch, o mens, wie zijt gij? vers 20. Merk op, hoe vernederend hij spreekt over den mens, wanneer die wil gaan twisten met zijn Maker. "Wie zijt gij! Gij, zo dwaas, zo zwak, zo kortzichtig, zo onbevoegd om te oordelen over goddelijke raadsbesluiten! Zijt gij instaat om zulk een diepte te peilen, zulk een geval te bespreken, den weg te beoordelen van God, wiens weg is in de zee, wiens pad is in grote wateren? Die tegen God antwoordt. Het past ons aan Hem ons te onderwerpen, en niet tegen Hem te antwoorden, ons te buigen onder Zijne hand en niet Hem in het aangezicht te vliegen, noch Hem enige ongerijmdheid toe te schrijven, ho antapokrinomenos. Die antwoordt tegen. God is onze Meester en wij zijn Zijne dienstknechten, en het voegt dienstknechten niet tegen te spreken, Titus 2:9.
2. Door alles tot de goddelijke vrijmacht terug te brengen. Wij zijn de geformeerde dingen, Hij is de Formeerder, en het komt ons niet toe Zijn wijsheid te betwisten of te bedillen, wanneer Hij ons in dezen en niet in een anderen vorm gemaakt en gesteld heeft. De ruwe en ongevormde massa klei heeft geen recht op den een of anderen vorm, de formeerder doet er mede naar zijn welgevallen. Gods vrijmacht over ons wordt treffend voorgesteld onder het beeld van den pottenbakker en de beschikking welke deze heeft over de klei, vergelijk Jeremia 18:6, waar, door dezelfde vergelijking, God Zijn macht betoogt over het volk der Joden, waaraan Hij eerlang Zijn gerechtigheid verheerlijken zou door de overwinning, die Nebukadnezar zou behalen.
A. Hij geeft ons de vergelijking, vers 21. De pottenbakker maakt uit dezelfden klomp klei hetzij een schoon vat, dat voor eervolle en aanzienlijke doeleinden geschikt is, of een verachtelijk vat waaraan men geen welgevallen heeft. En hij handelt daarin geheel eigenmachtig, hij kon er de voorkeur aan gegeven hebben om in `t geheel geen vat te maken, hij kon goed geacht hebben de klei in de aarde te laten, en het staat aan hem om er van te maken wat hij verkiest.
B. De toepassing van de gelijkenis, vers 22-24. God vormde twee soorten van vaten uit den groten klomp leem van de gevallen mensheid.
a. Vaten des toorns, vaten met toorn gevuld, gelijk een wijnfles, een vat gevuld met wijn, vol van de grimmigheid des Heeren, Jesaja 51:20. God is willens in deze Zijn toorn te tonen, dat is: Zijn straffende gerechtigheid en Zijn vijandschap tegen de zonde. Deze moeten aan de gehele wereld getoond worden. God zal het openbaar maken dat Hij de zonde haat. Hij zal daardoor tevens Zijn macht bekendmaken, to duna ton autoe. Het is een macht van sterkte en wilskracht, een werkzame macht, die de verwoesting aanbrengt en veroorzaakt van allen die verloren gaan, het is de verwoesting die voortkomt uit de heerlijkheid Zijner sterkte, 2 Thessalonicenzen 1:9. De eeuwige verdoemenis van zondaren zal een overvloedige betoning van Gods macht zijn, want Hij zal daarin onmiddellijk handelen, Zijn toorn zal zich als het ware op de schuldige gewetens als op een prooi werpen, en Zijn uitgestrekte arm zal hun welzijn ten enenmale verwoesten, en toch tegelijkertijd op wonderbare wijze het bestaan zelf van Zijn schepselen bewaren. Daartoe verdraagt God hen met veel lankmoedigheid, oefent veel geduld jegens hen, laat hen toe de maat hunner zonden vol te maken, doet hen groeien tot zij rijp zijn voor het verderf, en zo worden zij voor het verderf toebereid, toebereid door hun eigen zonden en zelfverharding. De overheersende verdorvenheid en godloosheid van de ziel zijn haar toebereiding en geschiktmaking voor de hel, een ziel wordt daardoor gemaakt tot brandstof, gereed voor de vlammen der hel. Toen Christus tot de Joden zei, Mattheus 23:32 :Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen, opdat op u kome al het rechtvaardig bloed, dat vergoten is op de aarde, vers 35, verdroeg Hij hen, om zo te zeggen met veel lankmoedigheid, opdat zij door hun eigen hardnekkigheid en gewilligheid om te zondigen, zich zelven voor de verdoemenis zouden toebereiden.
b. Vaten der barmhartigheid, vaten gevuld met barmhartigheid. De gelukzaligheid, geschonken aan het geredde overblijfsel, is de vrucht niet van hun verdienste, maar van Gods barmhartigheid. De bron van alle vreugde en heerlijkheid des hemels is die barmhartigheid Gods, welke duurt in eeuwigheid. Vaten ter ere zullen in alle eeuwigheid moeten erkennen dat zij vaten der barmhartigheid zijn. En merk hier op: Ten eerste. Wat Hij noemt als hun doel: Opdat Hij zou bekendmaken den rijkdom Zijner heerlijkheid, dat is: van Zijne goedertierenheid, want Gods goedertierenheid is Zijn grootste heerlijkheid, voornamelijk wanneer die gepaard gaat met Zijn grootste vrijmacht. Toon mij nu uwe heerlijkheid, bad Mozes, Exodus 33:18. Ik zal al mijne goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, vers 19, antwoordde God, en dat vrijwillig en om niet geven. Ik zal genadig zijn dien Ik genadig ben. God maakt Zijne heerlijkheid, deze Zijne goedertierenheid, bekend in de bewaring en onderhouding van al Zijn schepselen, de aarde is vol van Zijne goedertierenheid, Hij kroont het jaar Zijner goedheid, maar wanneer Hij den rijkdom Zijner goedertierenheid wil bekendmaken, doet Hij dat in de zaligmaking der heiligen, die tot in eeuwigheid de heerlijke gedenktekenen van Zijn goddelijke genade zullen zijn.
Ten tweede. Wat Hij voor hen doet. Hij heeft hen tevoren bereid tot heerlijkheid. Heiligmaking is het bereid maken van de ziel voor de heerlijkheid, haar geschikt maken om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht. Dat is Gods werk. Wij kunnen zeker genoeg ons zelven verwoesten, maar wij kunnen niet ons zelven zalig maken. Zondaren bereiden zich zelven voor de hel, maar het is God, die de heiligen bereidt voor den hemel, en allen die God hiernamaals voor den hemel bestemt maakt Hij hier beneden voor den hemel bereid, Hij bereidt hen daarvoor, 2 Corinthiërs 5:5. En wilt gij weten wie deze vaten der barmhartigheid zijn? Degenen die Hij geroepen heeft, vers 24, want die Hij uitverkoren heeft, die heeft Hij ook geroepen met werkdadige roeping. En zulks niet enkel uit de Joden, maar ook uit de heidenen, want de middelmuur des afscheidsels is afgebroken, de gehele wereld over is dat gebeurd, en Gods gunst is niet, zoals zij vroeger was, beperkt tot de Joden alleen, en dezen staan geen voetstap nader tot de aanneming tot kinderen dan het overig deel der mensheid. Zij staan nu op dezelfde hoogte als de heidenen, en de vraag is nu niet wie het zaad Abrahams is of niet, dat doet er niet toe, maar wie naar Zijn voornemen geroepen zijn.