15. Mensenkind! het zijn uwe broederen, die met u in de ballingschap leven, uwe broederen, de mannen uwer maagschap en het ganse huis Israëls, die gij door uwe bemiddeling bij Mij moet loskopen, ja dat ganse huis, zodat juist zij deel en aanspraak hebben op de erve der belofte, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van den HEERE; gij hebt niets meer met Hem te doen; ditzelve land is ons tot ene erfbezitting gegeven.
Tot recht begrip dezer woorden hebben wij het volgende op te merken, Ezechiël heeft zich eerst in Hoofdstuk 9:8 ontfermd over de bewoners van Jeruzalem. voorbiddende met de woorden: "Ach Heere HEERE! zult Gij al het overblijfsel van Israël verderven met Uwe grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?" Nu doet hij het in Vers 13 van ons Hoofdstuk met dezelfde woorden voor de oversten des volks. Hij heeft zelf de mening voorbestaan: wat nog te Jeruzalem woont is het overblijfsel van Israël, terwijl wat reeds in ballingschap is weggevoerd moet gehouden worden voor de takken, die van den olijfboom zijn afgebroken. Nu doet God hem opmerken, dat hij verkeerd doet, dat hij niet voor de rechte lieden met zijne voorbede tussen beiden treedt. De rechte mensen voor zijne voorspraak zijn integendeel zijne broeders, namelijk zijne broeders in het lijden, die met hem reeds in ballingschap leven; op deze moet hij zijn oog vestigen als op dengenen, die de belofte in Hoofdstuk 5:8, bedoelt, wanneer daar van een overblijfsel sprake is, dat zich zal bekeren en zalig worden. Het is dus te doen om wegneming van dezelfde dwaling, over welke ook het 24ste Hoofdstuk bij Jeremia handelt. Ezechiël deelt die dwaling niet juist voor zijn persoon, want hem was zonder twijfel het aan Jeremia geopenbaarde gezicht reeds bekend, maar hij heeft bij die dubbele voorspraak zich in ene verkeerde wijze van beschouwing verplaatst, en de mening die te Jeruzalem bestaat, waarheen hij in den geest verplaatst is, voorgesteld. Hij heeft de geestelijke ziekte van het geslacht, dat daar verkeert, op zich genomen alsof zij zijne eigene ware, om in zijn persoon Gods genezing te laten volbrengen voor hen, ten wier behoeve hij als Profeet is gesteld. Nu is het wel niet in uitsluitenden zin zo, dat, gelijk bij Jeremia staat geschreven, degenen, die zich nog te Jeruzalem bevonden de kwade, en die zich in ballingschap bevinden, de goede vijgen zijn. Onder de eersten is nog een overblijfsel der genade, dat een voorwerp der bewaring is (Hoofdstuk 9:4) al is het ook slechts ene zeer kleine minderheid; en aan de andere zijde is onder deze volgens Hoofdstuk 14 veel uitschot. De tegenstelling is slechts over het geheel en in `t algemeen op te vatten, dat de weggevoerden in ballingschap het betere deel des volks voorstellen, waaraan de toekomst van het rijk Gods behoort, terwijl de achtergeblevenen te Jeruzalem, ondanks hun hoge pretentie, ten verderve bestemd zijn. In het algemeen genomen was het echter ook zeer juist, want "de Chaldeën, die met den inwendigen toestand der Joden wel bekend waren, sleepten bij de wegvoering van Jojachin voornamelijk de dragers van het Israëlietische principe weg, omdat zij in deze den nationalen steun des volks zagen; en evenzo gingen juist de godvruchtigen gewillig in de ballingschap, omdat deze dood volgens de verkondiging van Jeremia de poort ten leven was, terwijl de goddelozen alles beproefden om in het vaderland achter te blijven, en de hoop in zich omdragen, dat daar alles spoedig zou verbeteren. " Terwijl nu de achtergeblevenen zich inbeeldden het overblijfsel van Israël te zijn, maar de naar Babel weggevoerden voor de van den wijnstok Israëls afgesnedene en verdorde prijs gegevene ranken aanzagen wordt van de laatsten in het volgende 16de vers het omgekeerde gezegd, dat zij, het huis Israëls, waaraan de belofte toekomt, geheel in zich sluitende, in het geheel niet verworpen zijn door den Heere, dat Hij gedurende den slechts korten tijd hunner verbanning zelf of onmiddellijk hun heiligdom zou zijn (Vers 16 De inwoners van Jeruzalem verhieven er zich op, dat zij nog het heiligdom, den tempel in hun midden hadden; zij meenden daarmee ook den Heere zelven, die Zich met Zijne genadige tegenwoordigheid aan het heiligdom had gebonden, bij zich te hebben. Zo als intussen dit gezicht in Hoofdstuk 10 heeft getoond, is de tempel nu nog ene ledige schaal; de eigenlijke substantie, die hem tot een heiligdom maakte, of de kern is met het heengaan der heiligheid des Heeren reeds weggenomen. Daarentegen wil de Heere voor den betrekkelijk korten tijd van hun leven in de ballingschap den verbannenen in dien zin een heiligdom zijn, waarin wij het woord in Jesaja 8:14 vonden; Hij wil hen verheugen door Zijne onmiddellijke tegenwoordigheid in hun midden, zo als Hij dat reeds begonnen is te doen, daar Hij bijv. onzen Profeet met Zijnen Geest en Zijne kracht toerustte; maar ook in hetgeen aan Daniël en door hem geschied is, waarbij dan nog komen de uitwendige uitreddingen en de inwendige vertroostingen, die den ballingen ten dele werden. Het woord van ons vers verkreeg op nieuw zijne betekenis in de Nieuw-Testamentische geschiedenis, toen de Christelijke gemeente na het vermoorden van Jakobus den rechtvaardige, van den tempel te Jeruzalem werd uitgesloten. Het was voor velen ene verzoeking tot afval van Christus, omdat het woord der ongelovige Joden: "Maakt u verre van den Heere" op waarheid scheen te berusten. In den brief aan de Hebreën bewijst de Apostel aan de zwaar bestredene gemeente denzelfden dienst, die hier Ezechiël geroepen is aan zijne broeders in de ballingschap te betonen. Want nadat in Vers 16 het woord dergenen, die nog te Jeruzalem wonen, over de reeds naar Babylon weggevoerden: "zij zijn van den Heere weggevlucht" is weerlegd, wordt in Vers 17-19 #Eze ook het tweede deel dezer rede, waarmee zij zich boven die broeders verheffen: "dit land is ons tot ene erfbezitting gegeven" weerlegd door de belofte, die den weggevoerden wordt gegeven. Zij is ene dubbele: 1) het weer bezitten van het heilige land, en 2) de vernieuwing des harten. Met deze belofte gaat echter ene dreiging hand in hand, in welke op opmerkelijke wijze het geheel uitloopt, zodat daardoor wordt te kennen gegeven, dat de belofte aan de teruggekeerden uit de ballingschap toch slechts in zeer ondergeschikte mate zal vervuld worden. Ook onder het volk des nieuwen verbonds is ene treurige neerslachtigheid, een nieuw aas, dat op nieuw de arenden daarbij roept. En zo zal op nieuw een oordeel over Jeruzalem komen en ene nieuwe, veel dieper gaande bekering bij het volk der verstrooiing nodig worden; maar dan zal ook de dubbele belofte op veel heerlijker wijze worden vervuld, zo als wij ze ook in Openbaring 4:1, vervuld zien. Wat het eerste punt in Vers 16 aangaat: "Ik zal hun tot een heiligdom zijn" hoe verschillend is de Babylonische ballingschap van de tegenwoordige verbanning der Joden uit hun land en hun verstrooiing onder de volken! Hier geen bewijs der tegenwoordigheid Gods; het volk kan slechts gedenkfeesten vieren en van de toekomst dromen. Tussen het verre verleden en de verre toekomst ene ontzaglijk ledige ruimte, ene grote Sahara (Openbaring :12-17). Daar voor de dieper zienden in de diepste vernedering overal sporen der liefdevolle voorzorg van God, onderpanden der voortdurende verkiezing, der toekomstige verheerlijking. Vgl. den Profeet Daniël.