13. Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat de tweede der beide in
Vers 1 genoemden, namelijk Pelatja, de zoon van Benaja, stierf 1). Toen viel ik neer op mijn aangezicht en riep met luider stem, en zei, even als in
Hoofdstuk 9:8 : Ach Heere HEERE! zult Gij gans ene voleinding maken met het overblijfsel van Israël? 1) Het plotseling sterven van een der vorsten van het volk nog gedurende Ezechiëls profeteren, moet voor het huis van Israël de zekere vervulling van dit woord van God aanwijzen. Wat de zaak aangaat moet men opmerken, dat even als Ezechiël zich slechts in den geest te Jeruzalem bevindt, en daar den mannen, die hij in den Geest ziet, voorzegt, zo ook de dood van Pelatja slechts tot het visioen behoort, en in de werkelijkheid zo vervuld is, dat bij of na de openbaarmaking van het visioen deze vorst plotseling is gestorven.
Dat uit het getal der te zamen ter dood bestemde 25 vorsten juist Pelatja, de zoon van Benaja, moet sterven, om het lot, dat allen wacht, te voren af te beelden, wordt uit zijnen naam verklaard, volgens welken met hem als het ware alle zegen voor Juda te niet ging.
Het ontzettende van dit voorval maakt op den Profeet enen dergelijken indruk, als het voorval in Hoofdstuk 5:5 op allen, die er van horen, in den geest ziet hij ze allen reeds gestorven en herhaalt hij zijne vroegere klacht.
Als een vertoornd vader in huis met de roede rondgaat, dan vreest ook wel een vroom kind, het valt hem te voet, en bidt voor broeders en zusters. Dit doet ook een gelovige voor de goddelozen, wanneer God ze straft (Exodus 32).
In Hoofdstuk 9:3 was de Profeet in antwoord op zijne klacht slecht de rechtvaardigheid van het gericht over Jeruzalem getoond, maar hier bij het besluit wordt hem ook de verschoning en begenadiging toegezegd van de overgeblevenen Israëlieten, die in de gevangenschap leefden.