19. En Ik zal hun in tegenstelling tegen de verschillende harten in dezen tegenwoordigen toestand, nu ieder zijn eigen zin volgt (
Jesaja 53:6), a) enerlei, een door dezelfde gedachten en gevoelens beheerst hart geven, 1) en zal enen nieuwen Geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart, 2) dat onvatbaar is voor de indrukken van Mijn woord en de trekkingen der genade, dat door Mijne slagen zich wel laat verdrukken, maar niet wil breken, uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven.
a) Jeremia 32:39. Ezechiel 36:26.
1) Dat is een hart dat ganselijk voor den waren God is, en niet verdeeld, gelijk het geweest was onder vele goden, een hart dat gevestigd en ingenomen is voor God, en niet twijfelende; standvastig en eenparig en niet ongestadig bij zich zelven.
2) De Profeet spreekt hier zulke harde taal, opdat hij zich richten zou naar het begrip van het onwetende, en bijna barbaars geworden volk. Doch Israël wordt ons tegelijk als een spiegel aller mensen voor ogen gesteld.
Wat de Heere hier laat profeteren, ziet op een zaligmakend werk der genade des Geestes in uitgebreiden zin, niet nog dadelijk op de uitstorting des H. Geestes op den Pinksterdag.
Niet alleen dat bij het volk als volk er een tegenzin en afkeer zou gewekt worden tegen den afgodendienst, maar ook zouden er velen in den loop der tijden komen, die op geestelijke wijze werden toegebracht tot het geestelijk Israël.