11. Gij zult ook op elken van die 390 dagen water naar zekere maat drinken, namelijk het zesde deel van een hin (
Exodus 29:40); van tijd tot tijd naar de 3 maaltijden verdeeld, zult gij het drinken. 1)
In deze verzen is Ezechiël weer vertegenwoordiger van het volk even als in Vers 4-6, en nu moet hij den nood des volks gedurende den tijd der belegering voorstellen. Zij zullen alles wat maar tot brood kan worden gemaakt bij elkaar zoeken en het betere en slechtere tot ene gemengde spijze verwerken, maar nu ook voor elken maaltijd nauwkeurig moeten afdelen, totdat ook dit ten laatste niet meer mogelijk is en de hongersnood zich in zijne gehele vreeslijkheid laat gevoelen. Gelijk de Profeet zelf twee rollen vervult, daar hij nu eens den Heere (Vers 3, 7), dan het volk (Vers 4-6, 9-11) vertegenwoordigt, zo nu ook het getal der dagen, die hij eerst op de linkerzijde moet liggen. In Vers 4 v. beeldt dat de jaren der misdaad van het huis Israëls af, nu betekenen de 390 dagen, als werkelijke dagen genomen, den duur van den nood der belegerde stad, tot aan het in 2 Koningen 25:3 en Jeremia 52:6 aangegeven tijdpunt, waarmee haar lot beslist was. Dit tijdpunt is de 9de dag der vierde maand (Thammuz) in het jaar 588 v. C Daar nu een Hebreeuws jaar, wanneer het geen schrikkeljaar was (zulk een nemen wij voor 594 v. C. aan, zodat 589 er geen geweest zou zijn) 354 dagen telt (Exodus 12:2), zo leiden ons de 390 dagen rugwaarts gerekend tot het begin der 3de maand (Sivan, overeenstemmende met onzen Juni) van het jaar 589. Vier of vijf maanden vroeger was Nebukadnezar de belegering begonnen; zij bracht in `t eerst nog geen bijzonderen nood teweeg, daar het Egyptische leger tot ontzet der stad aanrukte, hetwelk de Chaldeën eerst moesten terugslaan (2 Koningen 25:1) Daarop werd het echter met de belegering ernst, en deze tijd in het nu, dien de Profeet moet voorstellen, waarbij echter het ergste en zwaarste, dat nog op de 390 dagen volgde, eveneens buiten beschouwing blijft, als in Openbaring :5 v. bij de belegering van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na C. De voorzegging gaat in het volgende aanstonds voort om den troostelozen toestand des volks in de Babylonische ballingschap zelf voor te stellen, deze voorstelling verbindt zich met de 40 dagen, gedurende welke Ezechiël op zijne rechterzijde ligt en de misdaad van het huis van Juda draagt. Nadat hij 390 + 40 = 430 dagen op beide zijden heeft gelegen, komt in Hoofdstuk 5-7 Gods verdere opdracht en een woord der openbaring tot hem. Daarvoor hebben wij van den 29sten dag der vijfde maand tot den 5den dag der 6de maand in Hoofdstuk 8:1 v. waar hij ene nieuwe verschijning van God heeft, nog 5 dagen over; het is dus ten onrechte, wanneer vele uitleggers de 40 dagen in vs 6 onder de 390 in Vers 4 v. willen rekenen.
Dit dagelijks rantsoen moest hij niet op eenmaal gebruiken, maar den dagelijksen maaltijd in porties verdelen, zodat hij niet genoeg verzadigd werd.
Ook dat was een symbolische handeling van den toestand in Jeruzalem, gelijk uit Vers 16, 17 blijkt. 12. En wat verder uwe voeding aangaat, gedurende uw nederliggen van 40 dagen (Vers 6), gij zult enen gerstenkoek eten, en dien zult gij met behulp van gedroogde drek van des mensen afgang als stooksel (Job 20:7) bakken voor hun ogen, voor het oog uwer volksgenoten, die beschouwen wat gij doet.