Ezechiël 4:9-17
De beste toelichting van dit deel van Ezechiëls voorspelling van de verwoesting van Jeruzalem, is Jeremia's weeklacht, Klaagliederen 4:3, 4 enz, en vers 10, waar hij op aandoenlijke wijze de vreselijke honger beschrijft, die te Jeruzalem heerste gedurende het beleg, en de droeve gevolgen er van.
I. Om het volk met het vooruitzicht er van te treffen, moet de profeet zich hier driehonderd negentig dagen beperken tot grove kost en een matig rantsoen, en wel in onvoldoende kleding, want zij zouden beide voedsel en brandstof ontberen.
1. Wat de hoedanigheid betreft, moest zijn spijs bestaan uit het slechtste brood, gebakken van een weinig tarwe en gerst, en verder bonen, linzen, gierst en spelt, dat wij aan de paarden geven of waar wij varkens mee mesten, en dat alles dooreen, als maalkoren, of als dat in de bedelzak, waarin aan het een huis een schotel vol van de ene soort graan en aan het andere van een andere soort, gedaan wordt, van zulk koren moet het brood van de profeet gebakken worden, terwijl hij de vermoeienis ondergaat van op zijn zijde te liggen, en beter voedsel nodig had vers 9. Het is wijs van ons niet verzot te zijn op lekkernijen en smakelijk brood, omdat wij niet weten tot welke sobere kost wij gedwongen kunnen worden, voordat wij sterven en waar wij nog blijde mee mogen wezen. Het minste soort van voedsel is beter dan wij verdienen, en daarom moet het niet veracht of verkwist worden, ook moet men niet met minachting neerzien op degenen, die het gebruiker, omdat wij niet weten, wat ons eigen lot zal zijn.
2. Wat de hoeveelheid betreft, het moest zo weinig zijn, dat iemand er nauwelijks door in `t leven blijven kon, om te betekenen, dat de belegerden op rantsoen gesteld zouden worden en het zouden uithouden, "totdat al het brood in de stad op was," Jeremia 27:21. De profeet mag maar twintig sikkelen in gewicht daags aan brood hebben, vers 10, dat was ongeveer een half pond, en hij mocht niet meer drinken dan het zesde deel van een hin water, dat was ongeveer een vierde deel van een liter, vers 11. Het Lessische dieet bestaat uit vier ons voedsel en een halve liter water. De profeet te Babel had brood genoeg en meer dan genoeg, en woonde bij de rivier, waar overvloed van water was, en toch, om zijn eigen voorspelling te bevestigen, en een teken te zijn voor de kinderen Israëls, verplicht God hem zo sober te leven, en hij onderwerpt er zich aan. Gods knechten moeten leren ongemak te verduren en zich het genot van geoorloofde genoegens te ontzeggen, als zij daardoor de ere Gods kunnen dienen, de oprechtheid van hun geloof bewijzen, en uiting geven aan hun medegevoel voor hun broederen in de verdrukking. "Het lichaam moet bedwongen en tot dienstbaarheid gebracht worden." De natuur is met weinig tevreden, de genade met nog minder, maar de lust is nooit tevreden. Het is goed ons te beperken in alles wat aangenaam is, opdat wij het te beter kunnen dragen, als wij er ooit door de nood toe gedwongen worden. En in tijden van algemene nood en ramp past het ons slecht ons zelf te goed te doen, zoals zij, "die wijn uit schalen drinken en zich niet bekommeren over de verbreking van Jozef," Amos 6:4, 6.
3. Wat de toebereiding betreft, hij moet het bakken met de uitwerpselen van mensen vers 12, die moest gedroogd worden en tot brandstof dienen om de oven mee te verwarmen. De gedachte daaraan was genoeg om iemands maag om te keren, toch moet hij het grove, aldus gebakken brood als gerstekoek eten, juist alsof het hetzelfde brood was, waar hij aan gewoon wast Dit walgelijk staaltje van bakkunst moet hij in `t openbaar vertonen, voor hun ogen, opdat zij te meer getroffen mogen worden door de naderende ramp, die er door betekend werd dat zij als de honger het hoogste punt bereikte niet alleen niets zouden hebben, dat op lekkernij geleek, maar ook niets dat rein was, zij moesten voor lief nemen wat zij hadden. Voor een hongerige ziel is alle bitter zoet. Van dit laatste onderdeel van de voorgeschreven handeling, het bakken van het brood met de uitwerpselen van mensen verzocht de profeet nederig en met onderwerping verschoond te mogen blijven vers 14 :het scheen op zich zelf een vormelijke verontreiniging te zijn want er was een wet dat de uitwerpselen met aarde bedekt moest worden, "opdat God niets schandelijks onder hen zou zien" Deuteronomium 23:13, 14. En moet hij nu heengaan en iets zo onreine verzamelen en gebruiken om zijn voedsel mee toe te bereiden voor de ogen van het volk? "Ach Heere, Heere", zegt hij, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest, en ik vrees, dat zij hierdoor verontreinigd zal worden". De verontreiniging van de ziel door de zonde is, wat goede mensen meer dan iets anders vrezen, en toch vrezen tedere zielen het zonder reden, en brengen zich zelf in verlegenheid door gewetensbezwaren tegen geoorloofde dingen, zoals de profeet hier, die nog niet geleerd had, dat het niet is, "hetgene ten monde ingaat, dat de mens verontreinigt Mattheus 15:11. Maar nu pleit hij niet: Heere, van mijn jeugd af ben ik teder grootgebracht en nooit gewend geweest aan iets, dat niet rein en fijn was (en er waren er, die zo grootgebracht waren en die gedurende het beleg van Jeruzalem de drek omhelsden, Klaagliederen 4:5) maar dat hij godsdienstig was grootgebracht en nooit iets gegeten had, dat door de wet verboden was, "geen dood aas, noch dat verscheurd is, " en daarom, Heere, leg mij dit niet op. Zo pleitte Petrus, Handelingen 10:14 :"Heere ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was." Het zal ons een troost zijn, als wij genoodzaakt worden een hard leven te leiden, dat ons hart voor ons getuigen kan, dat wij ons altijd zorgvuldig van zonde hebben onthouden, zelfs van kleine zonden en de schijn des kwaads. Wat God ons gebiedt, daar kunnen wij zeker van zijn, is goed, maar als wij tot iets genoopt worden, waarvan wij zien, dat het kwaad is moeten wij daar tegen opkomen, uit deze overweging, dat wij tot nu toe onze vlekkeloosheid behouden hebben-en zullen wij die nu verliezen? Omdat Ezechiël dit bezwaar klaarblijkelijk uit nauwgezetheid opwierp, verschoonde God hem in dit opzicht. Die de macht in banden hebben, moeten niet hardvochtig hun bevelen opdringen aan hen, die er geen vrede mee hebben, zelfs niet, als hun onvrede geen grond heeft of voortkomt uit opvoeding en veeljarige gewoonte, maar liever hun bevelen intrekken dan de zwakken pijn te doen of te beledigen, of hun een struikelblok in de weg te leggen, overeenkomstig het voorbeeld van Gods nederbuigende goedheid jegens Ezechiël, hoewel wij zeker zijn, dat Zijn gezag onbetwistbaar is en al Zijn bevelen wijs en goed zijn. God stond Ezechiël toe rundermest te g bruiken, in plaats van mensenlijke uitwerpselen, vers 15. Dit is een stilzwijgende beschouwing van de mens, die inhoudt, dat zijn vuil walgelijker en hatelijker is dan dat van enig ander schepsel, daar hij door zonde verontreinigd is. "Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende," Job 15:16.
II. Nu wordt dat teken hier in `t bijzonder uitgelegd, het beduidde,
1. Dat degenen, die nog te Jeruzalem waren, tot het uiterste van ellende gebracht zouden worden door gebrek aan het noodzakelijkste voedsel. Daar alle toevoer door de belegeraars afgesneden was, zou de stad spoedig ontdekken dat zij gebrek had aan het land, want de koning zelf wordt van het veld gediend en zo zou de staf des broods in Jeruzalem gebroken worden, vers 16. God zou niet alleen het brood de kracht benemen om te voeden, "zodat zij zouden eten, maar niet verzadigd worden," Leviticus 26:26, maar Hij zou ook het brood zelf wegnemen Jesaja 3:1, zodat het weinige, dat er overbleef, met gewicht gegeten zou worden, zoveel per dag, zoveel per hoofd, opdat ieder evenveel kreeg, en het zo lang mogelijk zou duren. Maar waartoe, als het toch niet altijd duren kon en de belegerden eerder uitgeput zouden zijn dan de belegeraars? Zij zouden eten en drinken met kommer, hoe lang het zo duren kon, en met verbaasdheid, als zij zagen, dat het bijna op was en niet wisten waar nieuwe aanvoer vandaan te halen. Zij zouden verbaasd worden, de een met de ander, terwijl het een verlichting van rampen is, dat anderen die met ons delen "(Solamen miserie socios habuisse doloris), en een troost voor `t gemoed" om te klagen over de druk zou het voor hen een verzwaring van de ellende zijn, dat zij algemeen was, en hun wederkerige klachten zou hen allen te verdrietiger maken en de verbazing vermeerderen. En de afloop zal evenredig zijn met hun vrees, zij kunnen het niet erger maken dan het is, want zij zullen in hun ongerechtigheid uitteren, "in grote getale zullen zij van honger sterven, een langzame dood, erger dan die door het zwaard", Klaagliederen 4:9, zij zullen sterven zo, dat zij weten, dat zij sterven. En het is de zonde, die al deze ellende over hen brengt: "Zij zullen in hun ongerechtigheid uitteren", zij zullen hardnekkig en onboetvaardig blijven, en zullen in hun zonden sterven, wat ellendiger is dan op een mesthoop te sterven.
a. Laat ons hier zien hoe ellendig de zonde een volk maakt, en daarin de rechtvaardigheid Gods erkennen. Er was eens een tijd, dat Jeruzalem "verzadigd werd met het vette van de tarwe" Psalm 147:14 :maar nu zou het blij zijn met de magerste tarwe, en ze niet kunnen krijgen. "Zatheid van brood was een van Jeruzalems zegeningen" geweest, en was een van haar zonden geworden, Ezechiël 16:49. De overvloed werd tot weelde en overdaad, die daarom rechtvaardiglijk met honger gestraft werden. Het is rechtvaardig van God om ons van die genietingen te beroven, die wij tot voedsel en brandstof van onze lusten hebben gemaakt.
b. Laat ons zien, welke reden wij hebben om God te danken voor overvloed, niet alleen wat betreft de voortbrengselen van de aarde. maar ook de vrijheid van handel, dat de landbouwer geld kan krijgen voor zijn brood en de handelaar brood voor zijn geld, dat er overvloed is niet alleen in het veld, maar ook op de markt, dat zij, die in de steden wonen, zo grote als kleine, al "zaaien zij niet en al maaien zij niet, toch met geschikt voedsel gevoed worden, van de ene dag tot de anderen."
2. Het beduidde, dat zij, die in gevangenschap gevoerd waren, gedwongen zouden worden, hun brood onrein te eten onder de heidenen vers 13, om voedsel te gebruiken, door heidense handen op andere wijze klaargemaakt de volgens de wet van de Joodse kerk, dat hun altijd geleerd was onrein te noemen, en waarvan zij een even groten afkeer hadden als iemand hebben zou voor brood toebereid met mest, dat is (zoals het misschien verstaan moet worden) gekneed en in de vorm gemengd met mest. Daniël en zijn vrienden "bepaalden zich bij het gezaaide en water, liever dan zich te verontreinigen met de stukken van de spijze des konings, die hun toegewezen waren, omdat zij vreesden, dat die hen zouden verontreinigen". Of zij zouden gedwongen worden verfoeilijk vlees te eten, dat hun onderdrukkers hun als slaven geven zouden, en dat zij vroeger beneden zich geacht zouden hebben aan te raken. Omdat zij "God niet dienden met blijmoedigheid bij de overvloed van alle dingen, zal God hen hun vijanden doen dienen in het gebrek aan alle dingen".