Job 20:1-9
I. Zofar begint hier zeer hartstochtelijk en schijnt in grote toorn ontstoken te zijn over hetgeen Job gezegd heeft. Besloten zijnde Job te veroordelen als een slecht man, was hij er zeer misnoegd om dat hij zo sprak als een goed man, en hij schijnt hem in de rede gevallen te zijn, vers 2. Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden. Hij neemt geen notitie van hetgeen Job gezegd had om hun medelijden op te wekken, of om van zijn oprechtheid te getuigen, maar valt op de bestraffing, die hij hun gaf aan het einde van zijn rede, acht die bestraffing een smaad te zijn, en denkt verplicht te wezen om te antwoorden, omdat Job hun gezegd had te schromen vanwege het zwaard, teneinde niet bevreesd te schijnen voor zijn bedreigingen. De beste raad van een tegenstander zal dikwijls euvel opgenomen worden, zodat die meestal wel achterwege kan blijven. Zofar schijnt meer in haast om te spreken dan aan een wijs man betaamt, maar hij verontschuldigt het met twee dingen:
1. Dat Job er hem ten sterkste toe geprikkeld heeft, vers 3. "Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet, en kan haar niet langer aanhoren." Ik vrees dat Jobs vrienden te hooghartig waren om met een man in zijn lage, vernederde toestand te handelen, en hooghartige lieden kunnen geen tegenspraak dulden, zij achten zich beledigd, indien niet allen, die hen omringen, spreken, zoals zij spreken, zij kunnen geen bestraffing dulden, noemen het een bestraffing die hun schande aandoet, en zijn dan eershalve verplicht er op te antwoorden.
2. Dat zijn eigen hart er hem sterk toe aanspoorde. Zijn gedachten deden hem antwoorden, vers 2, want uit de overvloed des harten spreekt de mond, maar hij schrijft het toe, vers 3, aan de geest van zijn verstand. Die behoort ons ook werkelijk te doen antwoorden, wij moeten een zaak goed begrijpen en behoorlijk overwegen, eer wij er over spreken, maar of dit nu hier al of niet het geval was, is de vraag, de mensen zien dikwijls de ingevingen van hun hartstocht voor ingevingen van hun rede, hun verstand, aan, en daarom denken zij wèl te doen met toornig te zijn.
II. Zofar toont zeer duidelijk het verderf aan dat over de goddelozen komen zal, te kennen gevende dat Job in het verderf gestort zijnde, noodzakelijkerwijs een goddeloos man moet wezen en een geveinsde.
Merk op:
1. Hoe deze leer ingeleid wordt, vers 4, waar hij zich beroept:
a. Op Jobs eigen kennis en overtuiging: "Weet gij dit niet? Kan een zo duidelijke, eenvoudige waarheid u onbekend zijn? Of kunt gij twijfelen aan een waarheid, die door de instemming van geheel het mensdom bevestigd is?" Diegenen weten weinig, die niet weten dat de bezolding van de zonde de dood is.
b. Op de ervaring van alle eeuwen. Het was bekend vanouds, van dat God de mens op de wereld geschapen heeft, dat is: van dat de mens geschapen was, was deze waarheid in zijn hart geschreven, dat de zonde van de zondaren hun verderf zal wezen en van dat er voorbeelden waren van goddeloosheid (die er spoedig waren nadat de mens op aarde gesteld was) waren er ook voorbeelden van de straf ervan, getuige de verbanningen van Adam en Kain. Toen de zonde in de wereld kwam, is de dood met haar in de wereld gekomen. De gehele wereld weet dat het kwaad de zondaren vervolgt, "welke de wraak niet laat leven," Handelingen 28:4, en onderschrijft het, Jesaja 3:11 :"Wee de goddeloze, het zal hem, vroeg of laat, kwalijk gaan."
2. Hoe zij voorgesteld wordt. Het gejuich van de goddelozen is kort, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik, vers 5.
Merk op:
A. Hij stelt niet alleen de rampzaligheid vast van hen, die openlijk goddeloos zijn, maar ook van de huichelaars, die onder schijn van de Godsdienst te belijden in het verborgen goddeloosheid bedrijven, omdat hij Job als zodanig een goddeloze beschouwde. En het is waar dat een gedaante van godzaligheid, die gebruikt wordt als een dekmantel voor boosheid, het kwade slechts nog erger maakt, geveinsde vroomheid is dubbele ongerechtigheid, en dienovereenkomstig zal het verderf wezen, dat er mee gepaard gaat. De heetste plaats in de hel zal het deel wezen van de geveinsden, zoals door onze Zaligmaker te kennen wordt gegeven, Mattheus 24:51.
B. Hij geeft toe dat de goddelozen voor een tijd voorspoedig kunnen zijn, veilig en gerust en zeer vrolijk kunnen leven, gij kunt hen zien in triomf en vreugde, triomferende en zich verheugende in hun rijkdom en macht, hun grootheid en hun welslagen, triomferende over hun arme naburen, die zij kwellen en verdrukken. Zij gevoelen geen kwaad en vrezen er geen. Jobs vrienden waren er in het eerst afkerig van te erkennen dat goddelozen voorspoedig kunnen zijn, Hoofdst, 4:9, totdat Job het duidelijk bewezen heeft, Hoofdst. 9:24, 12:6, en nu stemt Zofar het toe, maar:
C. Verklaart het als een onomstotelijke waarheid, dat hun voorspoed niet lang duren zal. Hun vreugde is maar voor een ogenblik, en zal spoedig uitlopen op eindeloze smart, al is hij nog zo rijk, zo groot en zo vrolijk, hij zal vernederd en rampzalig gemaakt worden.
3. Hoe dit wordt opgehelderd, vers 5 en verv.
A. Hij onderstelt dat zijn voorspoed zeer groot is, zo groot als gij u die maar kunt voorstellen, vers 6. Het is niet zijn wijsheid en deugd, maar zijn wereldlijke rijkdom, die hij als zijn voortreffelijkheid beschouwt en waarop hij zich laat voorstaan. Wij willen onderstellen dat deze zijn rijkdom en zijn grootheid opklimmen tot aan de hemel, en daar zijn geest zich altijd verheft met zijn staat, kunt gij onderstellen dat zijn hoofd tot aan de wolken reikt. Hij wordt in alle opzichten bevorderd, vooruitgeholpen, de wereld heeft al het mogelijke voor hem gedaan, hij ziet met minachting neer op allen, die rondom hem zijn, terwijl zij met bewondering, afgunst of vrees tot hem opzien, wij willen onderstellen, dat hij een goed vooruitzicht heeft op een wereldheerschappij. En hoewel het niet anders kan, of hij moet zich vele vijanden hebben gemaakt eer hij die hoogte bereikt heeft, gelooft hij zich toch evenzeer buiten het bereik van hun schichten, als wanneer hij zich in de wolken bevond.
B. Zofar is er van overtuigd, dat dienovereenkomstig zijn verderf zeer groot zal wezen en zijn val zoveel schrikkelijker, naarmate hij hoog was opgeklommen. Hij zal in eeuwigheid vergaan, vers 7. Zijn hoogmoed en zijn gerustheid waren de stellige voortekenen van zijn ellende. Dit zal voorzeker waar zijn van alle onboetvaardige zondaren in de andere wereld, zij zullen voor eeuwig verloren, rampzalig zijn, maar Zofar bedoelt zijn verderf in deze wereld, en bekende, openbare zondaren worden ook inderdaad soms op merkwaardige wijze afgesneden door dadelijke oordelen, zij hebben reden genoeg om te vrezen voor hetgeen waarmee Zofar zelfs de triomferende zondaar dreigt.
a. Een schandelijk verderf. Hij zal vergaan gelijk zijn drek of zijn mesthoop, zo walglijk is hij voor God en alle goede mensen en zo gaarne zal de wereld van hem willen scheiden, Psalm 119:119, Jesaja 66:24.
b. Een verbazingwekkend verderf. In een ogenblik wordt hij tot verwoesting, Psalm 73:19, zodat zij, die hem omgeven en hem voor een wijle nog gezien hebben, zullen vragen: "Waar is hij? Kon hij, die zo groot een rol heeft gespeeld, zo plotseling verdwijnen?"
c. Een snel verderf, vers 8. Hij zal wegvliegen op de vleugelen van zijn eigen angsten, en weggejaagd worden door de rechtvaardige verwensingen van allen die hem omringen en hem gaarne kwijt willen wezen.
d. Een algeheel verderf. Het zal een totaal verderf zijn, hij zal heengaan als een droom, als een gezicht des nachts, dat slechts een hersenschim, een droombeeld was en wat daar ook in was om de verbeelding te behagen, het is geheel en volstrekt weg, en er is niets van overgebleven, dan hetgeen dienen kan om over de dwaasheid ervan te lachen. Het zal finaal wezen, vers 9. Het oog dat hem zag, en gereed was hem te aanbidden, zal hem niet meer zien, en de plaats, die hij had ingenomen, zal hem niet meer aanschouwen, hem een eeuwig vaarwel hebbende toegeroepen, toen hij, evenals Judas, heenging in zijn eigen plaats, Handelingen 1:25.