17. Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, waardoor velen zullen omkomen, en van degenen, die den hongersnood doorstaan, de een met den ander verbaasd worden, wanneer zij in ballingschap worden weggevoerd, en zij daar volgens
Leviticus 26:39 in hun ongerechtigheid uitteren. 1)
1) Nu wordt dit teken hier in zijn bijzonderheden verklaard, het betekent, dat zij die te Jeruzalem gebleven waren, tot de uiterste ellende zouden gebracht worden, uit gebrek aan noodzakelijk voedsel; dewijl al het onderhoud zou afgesneden zijn door de belegeraars, zo zou die stad welhaast, gebrek van het land vinden. De staf des broods zou worden verbroken. God zou niet alleen aan het brood deszelfs woedende kracht wegnemen, zodat zij zouden eten en niet verzadigd worden, maar ook het brood zelf wegnemen. Zodat het weinige dat overbleef, bij het gewicht zou gegeten worden, zo veel op één dag, zoveel ieder voor zijn hoofd, opdat zij een gelijk gedeelte mogen hebben, en het zo lang zouden doen strekken als mogelijk was.
Mozes stelt in Leviticus 26 en Deuteronomium 32 aan Israël zegen en vloek voor bij gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid. De uitdrukkingen, met welke daar Mozes het volk bedreigt voor het geval van ongehoorzaamheid met verschrikkelijke gerichten Gods worden hier en door het gehele 5de hoofdstuk dikwijls in den vorm van een citaat gebezigd, om dat gericht te beschrijven, hetwelk Ezechiël hier moet aankondigen als nabijzijnde. Het is van bijzondere betekenis: het nabijzijnde oordeel, de Babylonische ballingschap zal de straf zijn, die God toen door Mozes heeft voorzegd, en deze voorspelling van Mozes moet in deze Babylonische ballingschap worden vervuld.
Ezechiël is eigenlijk een Profeet voor onzen tijd. Wie in zijn woord indringt, die wordt levendig aangegrepen door den ernst van den tijd, en zal zich gedrongen gevoelen, om alle krachten in te spannen, dat de crisis, die begonnen is tot een gezegend einde kome. Tevens zou men uit hem, wanneer het Gode mocht behagen grote ziftende gerichten over ons te brengen, af te breken, wat Hij gebouwd heeft, en uit te roeien, wat Hij geplant heeft, (en dat zal volgens Openbaring 1:7, zonder twijfel geschieden), een onwankelbaar vertrouwen verkrijgen op de eindelijke overwinning van het rijk van dien God (op de in Openbaring 1:11 aangegevene wijze), die doden levend maakt, slaat en geneest, en die, nadat Hij de donkerste wolken heeft doen komen, eindelijk aan Zijn verbond gedenkt en Zijnen regenboog laat schijnen.