8. Dit land van den vorst aangaande, het zal hem tot ene bezitting zijn in Israël; en Mijne vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, gelijk vroeger toen zij geen eigen land als domein of kroongoed bezaten, maar zij zullen den huize Israëls het land laten naar hun stammen (
Hoofdstuk 46:18). Zij zullen, terwijl Mijn heiligdom met zijne dienaren en de heilige stad met haar gebied omgeven, hun roeping kennen, om kerk en staat eveneens te beschermen en voor te staan.
Over het hefoffer van het land zijn hier slechts hoofdbepalingen gegeven, die in de afdeling over de verdeling des lands (nr. 6, 7) nog uitvoeriger worden voorgesteld.
Het hefoffer is op onze plaats slechts vermeld in zamenhang met het loon, dat de dienaars van den Heere en van Zijn heiligdom genieten zullen. Daarbij behoort ook in zeker opzicht het eigendom, dat den vorsten wordt toegewezen als aan het hoofd des volks, aan wien het brengen der offeranden voor het volk plicht is, en die, afgezien daarvan, ook voor zijn deel een hem bijzonder toekomend aandeel in land tot zijn onderhoud nodig heeft.
De verdeling des lands staat in omgekeerde verhouding tot die onder Jozua. Toen verkreeg alleen het volk, en wel iedere stam in `t bijzonder, zijn aandeel, en eerst later werd aan Jehova een vaste zetel in `t land gegeven; hier verkrijgt Jehova het allereerst ene heilige gave. Verder moet de heilige stad voortaan niet het heiligdom ontsluiten, maar ter zijde daarvan liggen. Geen ijverzucht om haar bezit zal dan de stammen meer verdelen, maar even als het heiligdom zelf, zal zij ene algemene bezitting zijn.