Jesaja 29:17-24
Van hen, die hun raad voor de Heere dachten te verbergen, werd gezegd dat zij de dingen onderstboven keerden, vers 16, en zij dachten het te doen zonder dat God het wist, maar God zegt hun hier dat Hij op Zijn wijze de dingen onderstboven zal keren, en laat ons nu zien wiens woord zal bestaan, het Zijne of het hunne. Zij geloven Gods voorzienigheid niet. "Wacht een wijle," zegt God, en gij zult door klaarblijkelijke bewijzen ervan overtuigd worden dat er een God is, die de wereld regeert, en dat Hij haar regeert en er alle dingen in regelt ten beste van Zijn kerk." De wonderbare omkeringen, die hier voorzegd zijn, kunnen in de eerste plaats betrekking hebben op de gelukkige vestiging en regeling van de zaken van Juda en Jeruzalem na de mislukking van Sanheribs aanval, en de rust, die de Godvruchtigen genoten toen zij verlost waren van de verschrikking van het zwaard beide van de strijd en van de vervolging. Maar het kan nog verder zien, namelijk op de verwerping van de Joden bij de eerste planting van het Evangelie (want hun ongeloof en hun geveinsdheid zijn hier voorzegd, vers 13), en de toelating van de heidenen in de kerk.
In het algemeen: het is een grote en verbazingwekkende verandering, die hier voorzegd wordt, vers 17. De Libanon, die een woud was, is in een vruchtbaar veld veranderd, en de Karmel, die een vruchtbaar veld was, zal een woud worden, het is een ruiling. Binnen zeer weinig tijds kunnen soms grote veranderingen ontstaan, veranderingen ten goede zowel als ten kwade. Het was een teken, dat hun gegeven werd van Sanheribs nederlaag, dat de grond buitengewoon vruchtbaar zal zijn, Hoofdstuk 37:30. In dit jaar zal men eten wat vanzelf gegroeid is, het voedsel voor mensen zal, evenals het voedsel voor de dieren, het spontane voortbrengsel zijn van de grond, de Libanon zal dan een vruchtbaar veld worden, zo vruchtbaar, dat hetgeen een vruchtbaar veld geacht werd nu in vergelijking er mee slechts als een woud beschouwd zal worden. Toen een grote oogst van zielen van onder de heidenen ingezameld werd voor Christus, was de woestijn in een vruchtbaar veld verkeerd, en de Joodse kerk, die gedurende langen tijd een vruchtbaar veld was geweest, is een woest en eenzaam woud geworden, Hoofdstuk 54:1.
In het bijzonder:
1. Zij, die onwetend waren, zullen verstandig worden, vers 18. Zij, die deze profetie niet begrepen hebben-zij was hun als een gesloten en verzegeld boek, vers 17- zullen, als zij vervuld is, haar verstaan, en zij zullen niet alleen de hand Gods erkennen in de gebeurtenis, maar ook de stem Gods in de voorzegging ervan. De doven zullen dan de woorden uit het boek horen, de vervulling van de profetie is de beste verklaring ervan. De Goddelijke openbaring zal dan tot de arme heidenen worden gebracht, en zij, die in duisternis waren gezeten, zullen het grote licht zien, zij, die blind waren, zullen uit de duisternis zien, want het Evangelie was hun gezonden om hun ogen te openen, Handelingen 26:18.
Merk op: het middel dat Gods genade gebruikt om de mensen vruchtbaar te maken in goede gezindheden en goede daden, is: hun verstand te openen en hen de woorden van Gods boek te doen hoven.
2. Zij, die dwaalbegrippen waren toegedaan, zullen rechtzinnig worden, vers 24. Die dwalende van geest zijn, die verkeerde voorstellingen hadden van de woorden van het boek en van hun betekenis, zullen tot een recht verstand van de dingen komen. -De geest van de waarheid zal hun vergissingen rectificeren en hen in alle waarheid leiden. Het behoort ons aan te moedigen om te bidden voor hen, die gedwaald hebben en misleid waren, dat God dezulken tot een recht verstand kan brengen, en hen ook dikwijls er toe brengt. Dan zullen zij, die tegen Gods waarheden gemurmureerd hebben als harde woorden, en er zo gaarne mee getwist hebben, de ware betekenis dier leerstellingen leren verstaan, en er mee verzoend worden. Zij die in dwaling waren omtrent de voorzienigheid Gods met betrekking tot de openbare zaken en aangelegenheden, en tegen haar beschikkingen hebben gemurmureerd, zullen, als zij de uitkomst van de dingen zien, ze beter verstaan en bespeuren wat Gods bedoeling ermede was Hosea 14:10.
3. Zij, die neerslachtig waren, zullen opgewekt en blijmoedig worden, vers 19. De zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben, of hun vreugde vermeerderen in de Heere. Zij, die arm zijn in de wereld en arm van geest die, onder beproeving zijnde, zich schikken naar hun beproeving, geheel lijdelijk en niet hartstochtelijk als zij God voor hen zien verschijnen, zullen vreugde op vreugde hebben in de Heere of hun vreugde vermeerderen. Dit duidt aan dat zij zelfs in hun benauwdheid hun blijdschap in de Heere hebben bewaard, want nu vermeerderen zij haar. Zij, die, als zij in benauwdheid zijn zich waarlijk kunnen verblijden in God, zullen spoedig reden hebben om zich grotelijks in Hem te verblijden. Als de blijdschap in de wereld afneemt en verwelkt, dan neemt de blijdschap in God toe en wint veld. Dit schijnende licht zal al meer en meer schijnen, want wat bedoeld wordt is, dat deze blijdschap volkomen zal worden. Zelfs de armen de behoeftigen onder de mensen, zullen zich verblijden in de Heilige Israëls en hun armoede behoeft hen niet te beroven van deze blijdschap, Habakuk 3:17, 18. En de zachtmoedige, de nederige, de geduldige zullen toenemen in deze blijdschap. De genade van de zachtmoedigheid zal zeer veel bijdragen om onze heilige blijdschap te doen toenemen.
4. De vijanden, die geducht waren, zullen gering, verachtelijk worden. Sanherib, de tiran, de verschrikkelijke, en zijn groot leger, die het land in zo'n ontsteltenis brachten, zullen een einde nemen, vers 30, hun zal de macht ontnomen worden om nog meer kwaad te doen. De macht van Satan, die ware tiran, zal verbroken worden door de overwegenden invloed van het Evangelie van Christus, en zij, die met vrees des doods van de dienstbaarheid onderworpen waren van hem, die het geweld des doods had zullen verlost worden, Hebreeën 2:14, 15.
5. Dat de woede van de vervolgers tot bedaren zal worden gebracht, zodat degenen, voor wie zij kwellend zijn geweest, verlost zullen zijn van de vrees voor hen. Om de rust van Gods volk volkomen te maken, zal niet alleen de buitenlandse tiran vernietigd worden maar zullen ook de spotters in het eigen land uitgeroeid worden door Hizkia's reformatie. Diegenen zijn een gelukkig volk, die, als God hun overwinningen voorspoed geeft tegen hun verschrikkelijke vijanden uit het buitensland, er zich ijverig op toeleggen om ondeugd, goddeloosheid en de geest van vervolging, deze gevaarlijke vijanden in het eigen land, tegen te gaan. Of, zij zullen verteerd en uitgeroeid worden door de oordelen Gods. Zij zullen uitgekozen worden om tot voorbeelden te worden gesteld. Of, zij zullen onmerkbaar wegteren, beschaamd gemaakt zijnde door de vervulling van de voorzeggingen, waarmee zij de spot gedreven hebben.
Let op hetgeen de goddeloosheid was van deze spotters, om welke zij uitgeroeid zullen worden: zij zijn vervolgers geweest van Gods volk en van Zijn profeten, waarschijnlijk in het bijzonder van de profeet Jesaja, en daarom klaagt hij zo aandoenlijk over hen en hun listige boosaardigheid. Sommigen als aanbrengers en vervolgers, anderen als rechters, deden alles wat zij konden, om hem het leven te benemen of ten minste hem van zijn vrijheid te beroven. En dit is zeer van toepassing op de overpriesters en de Farizeën, die Christus en Zijn apostelen hebben vervolgd, en om die zonde zijn zij en hun volk van spotter verteerd en uitgeroeid.
a. Zij bespotten de profeten en de ernstige belijders van de Godsdienst, zij minachtten hen en deden alles wat zij konden om verachting over hen te brengen, zij waren spotters en zaten in het gestoelte des spotters.
b. Zij zochten gelegenheid tegen hen, door hun spionnen zien zij uit naar ongerechtigheid, of zij de hand kunnen leggen op iets, dat gezegd of gedaan werd, dat een ongerechtigheid genoemd kon worden. Of, zij zelf zien uit naar een gelegenheid om kwaad te doen, zoals Judas gedaan heeft om de Heere Jezus te verraden.
c. Zij maakten gebruik tegen hen van iedere vergissing in hun spreken, van het minste of geringste, dat enigszins verkeerd was uitgedrukt, maakten zij een grond van beschuldiging. Zij maakten een mens, al was hij ook nog zo wijs en goed, ja al was hij een mens Gods, schuldig voor een woord, een verkeerd gekozen woord, of een misplaatst woord, al wisten zij ook heel goed dat het goed bedoeld was. Zij vitten op ieder woord, dat de profeten tot hen spraken bij wijze van vermaning, al was het ook nog zo onschuldig gesproken en zonder enige bedoeling om hen te beledigen. Aan hetgeen gezegd werd gaven zij de slechtste uitlegging en maakten er een misdaad van. Zij, die bedenken hoe licht wij allen er toe kunnen komen om onbedachtelijk te spreken en ons te vergissen in het horen, of wat wij horen verkeerd op te vatten, zullen het zeer onrechtvaardig, zeer onbillijk vinden, om een mens schuldig te maken om een woord.
d. Zij deden alles wat zij konden om hen, die getrouwelijk met hen handelden en hun hun fouten onder het oog brachten, in moeilijkheden te brengen. Hen, die hen bestraften in de poort, aan wie door hun ambt als profeten, rechters of magistraten de plicht was opgelegd, om bestraffers te zijn en de mensen hun overtredingen te tonen haatten zij, zij legden hun strikken, zoals de Farizeën hun handlangers uitzonden om onze Heiland in Zijn rede te verstrikken, Mattheus 22:15, opdat zij iets zouden hebben om Hem ten laste te leggen, dat Hem gehaat kon maken bij het volk en onaangenaam aan de regering. Aldus hebben zij de profeten vervolgd, en het is ook voor de meest omzichtige schier onmogelijk om hun woorden met zoveel voorzichtigheid te kiezen en te plaatsen, dat zij aan deze strikken kunnen ontkomen. Zie hoe laag goddeloze mensen zijn, dat ze een wrok koesteren tegen hen, die uit welwillendheid voor hen hun ziel zoeken te redden van de dood, en zie hoe bestraffers beide moed nodig hebben om hun plicht te doen en voorzichtigheid om bij het doen van hun plicht de strik te vermijden.
e. Zij verkeren het recht en willen geen eerlijk man zijn eerlijke zaak laten winnen, zij verdreven de rechtvaardige om een nietig ding, zij veroordelen hem, of doen uitspraak in zijn proces tegen hem, zonder dat er een bewijs of ook maar een schijn van bewijs tegen hem is. Zij zullen door allerlei slinkse streken iemands goeden naam wegnemen, hem in een vals daglicht stellen, zoals zij ook met onze Heiland gedaan hebben. Wij moeten het niet vreemd vinden als wij de beste van de mensen aldus behandeld zien, de discipel is niet meer dan zijn Meester, maar wacht een weinig, en God zal niet slechts hun gerechtigheid voortbrengen, maar deze spotters verteren en uitroeien.
6. Jakob, die gebloosd heeft om de smaad, en gebeefd heeft voor de dreigementen van zijn vijanden, zal nu bevrijd worden van zijn schande en zijn vrees, daar de smaad van hem weggenomen en deze dreigementen verijdeld zullen worden, vers 22. Daarom zegt de Heere, die Abraham verlost heeft, hem geroepen heeft uit Ur van de Chaldeën en hem aldus verlost heeft van de afgoderij van zijn vaderen, en hem als een vuurbrand uit het vuur heeft gerukt. Hij, die Abraham verlost heeft uit zijn strikken en benauwdheden zal allen, die door het geloof zijn echt zaad zijn uit de hunne verlossen. Hij, die in de verlossing van Abraham Zijn zorg begon voor Zijn kerk, toen zij en haar Verlosser nog in zijn lenden waren, zal nu de zorg er voor niet van zich werpen. Omdat de vijanden van Zijn volk zo ijverig zijn beide om hen zwart te maken en hen te verschrikken, zal Hij voor het huis van Jakob verschijnen, en ze zullen niet beschaamd zijn, zoals zij geweest zijn, maar hun versmaders iets te antwoorden hebben, en hun aangezicht zal nu niet meer bleek worden, zij zullen moed grijpen en hun vijanden in het aangezicht zien zonder van kleur te veranderen, waartoe zij ook alle reden hebben, die de God Abrahams aan hun zijde hebben.
7. Jakob, die dacht dat zijn geslacht zou uitsterven, dat het erfdeel van de Godsdienst ervan weggenomen zou worden, zal de voldoening hebben om in opvolgende geslachten een talrijk nakroost aan God te zien gewijd, vers 23.
a. Hij zal zijn kinderen zien een talrijke menigte van gelovigen, een biddend volk, het geestelijk zaad van de gelovigen Abraham en de worstelenden Jakob, Zijn pijlkoker vol hebbende van deze pijlen, zal hij niet beschaamd worden, maar spreken met de vijanden in de poort, Psalm 127:5. Christus zal niet beschaamd worden, Hoofdstuk 50:7, want Hij zal zaad zien, Hoofdstuk 53:10, Hij ziet enig zaad, en voorziet nog meer in het midden van hem, toestromende tot de kerk, en daar wonende.
b. Zijn kinderen zijn het werk van Gods handen, geformeerd zijnde door Hem, zijn zij geformeerd voor Hem, Zijner handen werk, en geschapen tot goede werken. Het is troostrijk voor oudere om te denken dat hun kinderen Gods schepselen zijn het werk van de handen van Zijn voorzienigheid. Maar het zal hun tot nog veel meer troost zijn, om hen Zijn nieuwe schepselen te zien het werk van de handen van Zijn genade.
c. Hij en zijn kinderen zullen de naam van God heiligen als hun God, als de heilige Jakobs, en zij de God Israëls vrezen en aanbidden. Dit wordt gesteld tegenover zijn beschaamd zijn en zijn bleek worden, als hij verlost is van zijn versmaadheden en zijn gevaren, dan zal hij niet zichzelf groot maken, maar hij zal de heilige Jakobs heiligen. Als God onze toestand aangenaam en gemakkelijk maakt, dan moeten wij er naar streven om Hem heerlijk te maken. Ouders en kinderen zijn dan in waarheid sieraden en vertroostingen voor elkaar, als zij zich verenigen in het heiligen van Gods naam. Als ouders hun kinderen en kinderen zichzelf overgeven aan God, om Hem te zijn tot een naam en heen lof, dan zal het woud spoedig tot een vruchtbaar veld worden.