Jesaja 60:15-22
De gelukkige en verheerlijkte staat van de kerk wordt hier verder voorzegd, voornamelijk en uitsluitend met betrekking tot de Christelijke kerk en haar geestelijke vrede, maar onder het type van de kleine en uitwendige vrede welke de Joden nu en dan na hun terugkeer uit de gevangenschap genoten hebben. Derhalve wordt hier gesproken van haar:
I. In vergelijking met hetgeen zij geweest was. Dit maakt haar vrede en eer zoveel aangenamer, dat haar toestand zo geheel anders was.
1. Zij is veracht geweest, maar zal nu geëerd worden, vers 15, 16. Jeruzalem is verlaten en gehaat geweest, verlaten door haar vrienden, verafschuwd door haar vijanden, niemand ging door die vereenzaamde stad heen, allen vermeden haar als een treurig toneel, zij was een ontzetting en aanfluiting. Maar nu zal zij tot een eeuwige heerlijkheid gemaakt worden, hervormd worden van de afgoderij en de tekenen van Gods gunst terug ontvangen en zij zal de vreugde van de godvrezenden zijn van geslacht tot geslacht. Wanneer wij nu in aanmerking nemen hoe kort de heerlijkheid van Jeruzalem geduurd heeft, en hoeveel er tekort is gekomen aan de vervulling van deze belofte, moeten wij de volkomen vervulling verwachten in de voortdurende uitnemendheid van de kerk des Evangelies, welke die van de Oud Testamentische kerk verre overtreft, en de heerlijke voorrechten en zegeningen van de Christelijken godsdienst die werkelijk een vreugde zijn van geslacht tot geslacht. Van twee dingen wordt hier gesproken als van haar blijdschap en heerlijkheid, in tegenstelling met de vroegere verlatenheid en haat.
A. Zij zal door haar naburen ondersteund worden.
De volken en hun koningen, die er toe gebracht worden om het Christendom te omhelzen zullen zichzelf ten dienste stellen aan het welzijn van de kerk, en haar belangen behartigen met de tederheid, welke de voedster gevoelt voor het kind aan haar borst, vers 16. Gij zult de melk van de heidenen zuigen, niet hun bloed, dat is niet in de geest des Evangelies. Gij zult de borsten van de koningen zuigen, die voor u als voedstervaders zullen zijn.
B. Zij zal ondersteund worden door God, Gij zult weten dat Ik de Heere ben, uw Heiland en uw Verlosser. Gij zult dat bij ondervinding weten, want er zal zo'n verlossing, zo'n verzoening voor u gewrocht worden, dat het onwedersprekelijk is dat dit het werk is van de Heere, het werk van de Machtige Jakobs, een grote verlossing, waardoor het welzijn van alle ware Israëlieten verzekerd wordt. Vroeger wisten zij dat de Heere hun God was nu kennen zij Hem als hun Heiland en Verlosser. De Heilige Israëls verschijnt als de Machtige Jakobs.
2. Zij was verarmd, maar nu zal zij verrijkt worden, en alle dingen zullen in haar voordeel veranderen, vers 17. Wanneer zij, die uit het stof verhoogd werden, naast prinsen worden geplaatst, krijgen zij in plaats van koper goudgeld in de beurs, in plaats van ijzeren huisraad zilveren vaten, en allerlei andere aangename verbeteringen. Evenzeer zal de geestelijke heerlijkheid van de Nieuw Testamentische kerk de uitwendige pracht en de glans van de Joodse huishouding overtreffen, welke geen heerlijkheid had in vergelijking met deze uitnemende heerlijkheid, 2 Corinthiers 3:10. Toen wij de doop in plaats van de besnijdenis kregen, het avondmaal des Heeren in plaats van het paasfeest, de bediening des Evangelies in plaats van de Levietische priesterschap, kregen wij goud in plaats van koper. De zonde veranderde het goud in koper, toen Rehabeam koperen schilden maakte ter vervanging van de gouden, die hij moest afstaan, maar Gods gunst, als die terugkeert, verandert het koper weer in goud.
3. Zij was verdrukt geweest door haar eigen vorsten, waarover geklaagd was niet alleen als over een gevolg van haar zonden, maar ook als over haar ellende Hoofdstuk 59:14, maar nu zullen alle grieven van die aard hersteld worden, vers 17 :Ik zat al uw opzieners vreedzaam maken. Mannen des vredes zullen haar overheden zijn, waarlijk rechtvaardigen en geen beschermers van ongerechtigheid, vrederechters en geen werktuigen van moeite en verdrukking. Zij zullen vrede zijn, dat is, zij zullen oprecht uw welzijn zoeken en door hun beheer zult gij het goede genieten. Zij zullen vrede zijn, want zij zullen rechtvaardigen zijn. De vrede is als een rivier, wanneer de gerechtigheid is als de golven van de zee. Zelfs uw drijvers, zij die de belastingen moeten innen, ofschoon zij stipt zijn zullen, zullen niet partijdig zijn, maar rechtvaardig zowel jegens de onderdanen als jegens de vorsten. Zij mogen, zo gebood Johannes de Doper de tollenaren, niet meer eisen dan hetgeen hun gezet is, Lukas 3:13.
4. Zij was door haar naburen beledigd, overrompeld, buit gemaakt, uitgeplunderd, maar nu zal dat niet meer zo zijn, vers 18. Geen geweld zal meer gehoord worden in uw land. Geen zegekreten van hen die geweld doen, geen klachten of gekerm van hen die geweld lijden, zal meer gehoord worden, maar allen zullen in vrede het hun bezitten en genieten. Er zal geen verstoring of verbreking in uw landpalen zijn, noch van personen noch van eigendom, maar uw muren zult gij Heil heten en uw poorten Lof. Uw muren zullen veilig en middelen van beveiliging voor u zijn. Uw poorten zullen u lof brengen van ieder, die ziet in hoe goede staat zij zijn. En zij zullen de lof zijn van God, die de grendelen van uw poorten sterkt, Psalm 147:14. Wanneer Gods heil de muren sterkt, is het betamelijk dat Zijn lof gehoord wordt in de poort, de plaats van de samenkomst.
II. Zij zal in alles volmaakt zijn. Het schijnt dat wij in het slot van dit hoofdstuk geleid worden om nog verder te zien, en wel naar de heerlijkheid en het geluk des hemels, onder het beeld van de bloeiende toestand van de kerk op aarde, die echter nooit ook slechts in de verte geleek naar hetgeen hier voorzegd wordt. Vele van de beelden en uitdrukkingen, die hier gebruikt worden, vinden wij terug in de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem, in Openbaring 21:23 en 22:5. Gelijk de profeet meermalen en ongemerkt overgaat van de zegeningen van de Joodse kerk naar de geestelijke zegeningen van de Christelijke kerk, die eeuwig zijn, zo verheft hij zich soms van de strijdende kerk tot de zegevierende kerk. Daar en daar alleen zullen de beloofde vrede, blijdschap en heerlijkheid in volmaaktheid gevonden worden.
1. God zal alles in allen zijn in het hier beloofde geluk, dat is Hij altijd voor alle ware gelovigen, vers 19. De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten. Gods volk, dat Zijn gunst geniet en wandelt in het licht Zijns aanschijns, maakt weinig staat op zon en maan en de overige geschapen lichten, maar wandelt getroost in het licht des Heeren, ofschoon die andere lichten ook hun schijnsel inhouden. In de hemel zal er geen behoefte meer zijn aan zijn maan, want de hemel is de erfenis van de heiligen in het licht, een licht dat even gemakkelijk de glans van de zijne verdooft, als de zijne het schijnsel van een kaars overtreft. Afgodendienaars aanbaden de zon en de maan, hetgeen sommigen houden voor de oudste en minst onredelijke afgoderij, maar deze zullen uw licht niet meer zijn, zij zullen niet meer verafgood worden, want de Heere zal uw bestendig licht zijn, bij dag en bij nacht, in de nacht van tegenspoed zowel als op de dag van voorspoed. Zij, die God voor hun enig licht houden, hebben in Hem een algenoegzaam licht, hun zijn en schild. Uw God zal uw sierlijkheid zijn. God is de sierlijkheid van hen, wier God Hij is, en Hij zal het eeuwig zijn. Het is hun, sierlijkheid dat zij Hem tot hun God hebben, hun heerlijkheid en hun schoonheid ligt daarin. Gods volk is daardoor een eerwaardig volk, ze hebben in God hun belang als in hun Verbondsgod.
2. De hier beloofde heerlijkheid zal geen verandering, vervanging of einde kennen, vers 20. Uw zon zal niet meer ondergaan, maar het zal eeuwig dag zijn, eeuwig zonneschijn. Uw zon zal niet deze zijn, die soms verduisterd wordt, of bewolkt, en die al schijnt zij nog zo schitterend en verwarmend, binnen enkele uren wegzinkt en u in het donker en in de koude laat, maar Hij zal uw zon en uw fontein van licht zijn, die zelf de "Vader van de lichten is, en bij Wie geen verandering of schaduw van omkeren is." Jakobus 1:17. Wij lezen dat de zon eens stilstond en gedurende een gehele dag niet haastte om onder te gaan, en het was een heerlijke dag, die zijns gelijke niet had, maar wat is dit vergeleken bij de dag, waarop nooit een nacht volgen zal? En zelfs indien er een nacht daalde, zou het een lichte nacht zijn, want uw maan zal haar licht niet intrekken, zij zal nooit afnemen, nooit veranderen, maar altijd vol zijn. De vertroosting en de blijdschap des hemels, de heerlijkheid die als het licht van de zon voor de ziel bereid is, en de heerlijkheid van het verrezen lichaam die als het licht van de maan is, zullen nooit de minste verandering of onderbreking kennen. Hoe zouden ze ook indien de Heere uw eeuwig licht is, een licht dat nooit verminderd of geblust worden kan? En de dagen uwer treuring zullen een einde nemen zij zullen nooit terugkeren, al uw tranen zullen afgewist worden, en de fonteinen dier tranen, zonde en beproeving, zullen verdroogd zijn, zodat droefheid en zuchten voor eeuwig van u wijken zullen.
3. Zij, die voor dit geluk uitverkoren zijn en er voor bereid en geschikt gemaakt werden, zullen nooit van het bezit ervan beroofd worden, vers 21. Uw volk, dat dit nieuwe Jeruzalem bewonen zal, zullen allen tezamen rechtvaardigen zijn, allen gerechtvaardigd door de gerechtigheid van de Messias, allen geheiligd door Zijn Geest, geheel dat volk, geheel Jeruzalem, moet rechtvaardig zijn, moet die heiligheid bezitten, zonder welke niemand de Heere zien zal. Zij zijn allen rechtvaardigen, want wij weten dat niemand, die de ongerechtigheid werkt, het Koninkrijk Gods beërven zal. Er is op aarde geen volk, dat uit enkel rechtvaardigen bestaat, aan deze zijde des hemels zijn er altijd enige slechten onder het beste gezelschap vermengd maar zulke-vermenging bestaat daar niet. Zij zullen allen rechtvaardigen zijn, dat is, zij zullen geheel en al rechtvaardig zijn, gelijk er geen bedorvene onder hen is zo zal er ook geen bederf onder hen zijn tot geesten van de volmaakte rechtvaardigen zijn zij gemaakt. En allen zullen zij, die het Nieuw Jeruzalem bevolken, rechtvaardigen zijn, zij worden de vergadering van de rechtvaardigen genoemd, Psalm 1:5. En omdat zij allen rechtvaardigen zijn, zullen zij de aarde in eeuwigheid erfelijk bezitten, want alleen de zonde zou hen kunnen verdrijven. De volmaaktheid van de heiligheid van de gelovigen is de waarborg voor de eeuwigen duur van hun geluk.
4. De heerlijkheid van de kerk zal de eer van de God van de kerk verhogen. Het zal blijken dat zij een spruit van Zijn plantingen zijn, het werk van Zijn handen, en Hij zal hen als zodanig erkennen. zij werden door de genade Gods voor dit geluk aangewezen, zij zijn een spruit van Zijn plantingen. Hij heeft hen uit de wilde olijfboom afgebroken en in de goede olijfboom geënt, hen uit het open veld waar zij als tengere plantjes stonden, overgeplaatst in Zijn hof. Nu zijn zij op aarde in Zijn tuin geplant, straks worden zij overgebracht naar het paradijs des levens. Door Zijn genade werden zij bereid en bekwaam gemaakt voor dit geluk, zij zijn het werk van Zijn handen. Efeziers 2:10, zijn hiervoor bereid, 2 Corinthiers 5:5. Het is een werk van tijd en wanneer het voltooid is, zal het blijken een wonderwerk te zijn, en God, die het begon en voleindde, zal er door verheerlijkt worden, want de Heere Jezus zal alsdan wonderlijk zijn in allen die in Hem geloven. Zij zullen te meer verheerlijkt worden en God zal des te meer in hen verheerlijkt worden wanneer men hetgeen zij zijn zullen vergelijkt met hetgeen zij waren, het geluk dat zij bereikt hebben met hun kleine begin, vers 22. De kleinste zal tot duizend worden en de minste tot een machtig volk. De gevangenen, die uit Babel terugkwamen, werden bijzonder vermenigvuldigd en groeiden tot een sterk volk. De Christelijke kerk was bij de aanvang zeer klein, en bevatte niet meer dan honderd twintig namen, nu zijn er duizenden. De steen, zonder handen uit de berg afgehouwen is zo groot geworden dat zij de gehele aarde vervult. De zegevierende kerk, en elke verheerlijkte heilige zal zijn duizend uit een klein en een machtig volk uit een geringe. De genade en vrede van de heiligen zijn eerst gelijk een mosterdzaad maar zij groeien en vermenigvuldigen, en maken dat de kleinste tot duizend wordt en de zwakste gelijk David. Wanneer zij in de hemel komen en terugzien op de geringheid van hun aanvang, zullen zij er over verwonderd staan dat zij zover gekomen zijn. En zo wonderbaar is deze belofte dat zij aan het einde met een sterke verzekering bevestigd wordt. Ik de Heere, zal zulks te van Zijner tijd snellijk doen komen, alles wat hier gezegd is betreffende de Joodse en de Christelijke kerk, de strijdende en Zegevierende kerk, en iederen gelovige in het bijzonder.
a. Het schijnt te moeilijk om te kunnen geschieden en daarom kan er aan gewanhoopt worden, maar God de Almachtige heeft het ondernomen. Ik de Heere zal het doen, Ik die het doen kan en besloten heb het te doen. Het zal gedaan worden door Hem Wiens macht onwederstaanbaar en Wiens raadsbesluit onveranderlijk is.
b. Het kan schijnen zo vertraagd te worden dat alle hoop vergaat of het ook nog geschieden zal, maar de Heere die het doen zal, zal het haastig doen komen. Hij zal het doen met alle bekwamen spoed- ofschoon er veel tijd moge voorbijgaan eer alles geschied is, zal er toch geen tijd verloren gaan. Hij zal het te Zijner tijd snellijk doen komen, op Zijn eigen tijd, de tijd als `t het meest gepast is, Hij doet het op de tijd die Zijn wijsheid bepaald heeft en niet op die welke onze dwaasheid er voor kiest. En dat is werkelijk snel of schoon het langzaam schijnt te zijn, het is niet te laat als het op Gods tijd komt, want wij kunnen zeker zijn dat het de beste tijd is, waarop hij, die gelooft, geduldig wacht.