9. Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan; van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israëls is.
De bepalingen omtrent het dienend personeel sluiten zich in `t algemeen aan hetgeen onder het Oude verbond ten opzichte der theokratische indeling vast stond, en handelen, de oude verdeling in drie delen weer volgende, van de gewone leden van het volk van God (Vers 9), van de Levieten (Vers 10-14), en van de priesters (Vers 15-31), de rechten van de bijzondere klassen voorstellende. Om nu verder Vers 9 juist te verstaan, moet men zich de bepalingen der wet over hetgeen tot de gemeente Gods behoord, nauwkeurig herinneren. Volgens deze behoorde tot de gemeente Gods alles wat van Abraham afstamde door geboorte, toch moest al wat manlijk was door de besnijdenis worden opgenomen. Afstamming en besnijdenis gaven volkomen aandeel aan alles, wat de theokratie aan het volk schonk, alleen met uitzondering van hetgeen den priesters en Levieten als bijzondere voorrechten was toegestaan. Daarentegen was de niet-Israëliet of vreemdeling als zodanig van het lidmaatschap van Gods volk, en van alles wat dat schonk onvoorwaardelijk uitgesloten. Nu was het echter niet dadelijk bedoeld, om Israël, dat toch een zegen van alle volken zou worden, van alle kinderen der vreemden absoluut af te scheiden, deze moeten alleen in ene bepaalde betrekking tot den dienst treden, en alsdan wordt deze betrekking in de wet door bepaalde verordeningen geregeld: 1) den gekochten lijfeigenen slaaf moet men dadelijk besnijden, daardoor behoort hij tot Israël, en heeft hij alles te doen en te ontvangen als een geboren Israëliet, hij eet zelfs het pascha, en gaat in Israël op; 2) die als loonarbeiders voor een tijd zich onder Israël ophouden, verkrijgen wegens hun tijdelijk oponthoud gene betrekking tot Israël en zijne instellingen; anders was het daarentegen 3) met de vreemdelingen, die onder Israël op den duur leefden. Bij deze kwam het er op aan, of zij zich door de besnijdenis geheel in de gemeenschap van Israël wilden laten opnemen of niet; in het laatste geval bleven zij van de eigenlijke gemeente Gods uitgesloten (Ezechiel 12:48), maar aan de ene zijde zijn zij verplicht tot ene zekere hoogte de Levietische wet te houden, en aan de andere zijde hebben zij daarvoor ook weer relatief aandeel aan de gemeente van Gods volk en aan hun goederen (Leviticus 19:34; 25:47; 17:8. 15:15, 29). Was een Israëliet, die zich bij voortduring in Israël ophield, hiermede niet tevreden, zo stond het hem vrij, zich door de besnijdenis in de volle gemeenschap van het volk Gods te laten opnemen, waar hij dan alle rechten daarvan deelachtig maar ook een Israëliet werd, en ophield een vreemdeling te zijn. (Leviticus 17:9). Toch waren er ook zulke kinderen van vreemdelingen die, hoewel zij voortdurend in Israël leefden, toch niet door de besnijdenis konden worden opgenomen, wier toelating geheel verboden was (verstotenen, gesnedenen, Kanaänieten), en die zo enigermate ene vierde klasse vormden. Vergelijken wij, dan staan tussen degenen, die als slaven of die vrijwillig door de besnijdenis in het volk Gods waren ingelijfd, aan de ene zijde degenen, die vreemdelingen bleven om ongeschiktheid tot opname of voorbijgaand oponthoud, aan de andere zijde diegenen als ene middenklasse, die zonder besnijdenis op den duur als vreemdelingen in het midden van Israël leefden. Terwijl de eersten eigenlijk gene vreemden meer waren, de anderen ook volgens de oude wet het heiligdom niet mochten betreden, zo hadden daarentegen de laatsten tot hiertoe in het heiligdom voor zich mogen offeren en dat dus mogen betreden; maar juist deze middenklasse moet in het nieuwe heiligdom ophouden. Zij heeft tot de in Vers 6, bestrafte ontheiliging van het vorige heiligdom aanleiding gegeven, en opdat zulks niet weer voorkome, moet bij het heiligdom der toekomst zulk ene middenplaats niet meer worden geduld. Wie in `t midden van Israël als vreemdeling voortdurend wil leven, moet zich of door de besnijdenis geheel en al in het verbond van God laten inlijven en daardoor als de ingeborene worden en leven (Hoofdstuk 47:22). of hij moet, wanneer hij zich niet laat besnijden, ook geen toegang hebben tot het heiligdom en geen aandeel aan de offeranden, maar geheel een kind der vreemden blijven, even als zij, die slechts voor een tijd onder Israël leven. Dit is echter slechts het ene punt van het voorschrift, het tweede ligt daarin, dat de besnijdenis des vleses uitdrukkelijk ter zijde wordt gesteld aan de besnijdenis des harten-niet alleen het gebrek van de besnijdenis des vleses, maar, zelfs wanneer die daar ware, ook het gebrek van de besnijdenis des harten moet onder het heiligdom der toekomst van het betreden daarvan uitsluiten (Hoofdstuk 20:38). De Mozaïsche wet verlangt alleen de besnijdenis des vleses, maar de nieuwe wet verlangt daarenboven ook de besnijdenis des harten, de gezindheid, welke overeenkomstig die besnijdenis is. Die onder het nieuwe heiligdom dat wil betreden, en aan zijnen dienst deel wil hebben, d. i. tot de gemeente Gode wil behoren, die moet de besnijdenis aannemen, opdat hij van degenen, die daarbuiten zijn, geheel en al een in waarheid afgezonderd zij, maar ook die niet alleen naar het vlees, maar ook naar het hart besneden is, die zal een Israëliet, maar ook een waar Israëliet worden.
Duidelijk wordt hierdoor voorspeld, dat in de dagen der N. Bedeling geen onderscheid zou gemaakt worden tussen Jood en Griek. Naast de onbesnedenen naar het vlees worden genoemd de onbesnedenen van hart. Noch hij, die onbesneden was van harte, noch hij, die onbesneden was naar het vlees zou in het heiligdom in het koninkrijk des Heeren ingaan. Waaruit volgt, dat, hetzij hij Heiden of Jood was van afkomst, maar werkelijk wedergeboren, toegang zou hebben tot de gemeenschap Gods in Christus Jezus, den Heere.