Bijbelstudie
Boeken
Jesaja 66
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
1
ALZO zegt de HEERE:
a
1
De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten;
2
waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En
3
waar is de plaats Mijner rust?
2
4
Want Mijn
5
hand heeft al deze dingen gemaakt,
6
en al deze dingen
7
zijn geweest, spreekt de HEERE;
8
maar op dezen zal Ik zien, op den
9
arme en
10
verslagene van geest en
11
die voor Mijn woord beeft.
3
Wie een os
12
slacht,
13
slaat een man; wie een lam offert,
14
breekt een hond den hals; wie spijsoffer offert, is
als die
15
zwijnenbloed
offert
; wie
16
wierook brandt ten gedenkoffer, is
als
die
17
een afgod
18
zegent.
19
Dezen verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust
20
aan hun verfoeiselen.
4
21
Ik zal ook verkiezen
22
het loon
hunner handelingen, en
23
hun vrezen zal Ik over hen doen komen,
b
omdat
24
Ik heb geroepen en niemand antwoordde; Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar
c
deden wat kwaad is in Mijn ogen, en verkoren hetgeen waartoe Ik geen lust had.
5
25
Hoort des HEEREN woord, gij die voor Zijn woord beeft:
26
Uw broeders, die u haten, die u verre
27
afzonderen
28
om Mijns Naams wil,
29
zeggen:
d
30
Dat de HEERE heerlijk worde.
31
Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.
6
Er zal
32
een stem van een groot rumoer
33
uit de stad
34
zijn, een stem uit den tempel, de stem des HEEREN, Die Zijn vijanden de verdienste vergeldt.
7
Eer
35
zij barensnood had, heeft zij gebaard; eer haar smart overkwam, zo is zij
36
van een knechtje verlost.
8
Wie heeft
ooit
zulks gehoord? Wie heeft dergelijke gezien? Zou
37
een land kunnen geboren worden
38
op een enigen dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar
39
Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft
40
haar zonen gebaard.
9
41
Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt de HEERE; zou Ik, Die genereer, voortaan
42
toesluiten? zegt uw God.
10
Verblijdt
43
u
44
met Jeruzalem en verheugt u
45
over haar, al haar liefhebbers;
46
weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen die over haar
47
zijt treurig geweest;
11
48
Opdat gij moogt zuigen en verzadigd worden van de borsten
49
harer vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen en u verlustigen
50
met den glans harer heerlijkheid.
12
Want alzo zegt de HEERE: Zie, Ik zal
51
den vrede
52
over haar uitstrekken
53
als een rivier, en
54
de heerlijkheid der heidenen als een overlopende beek; dan zult
55
gijlieden
56
zuigen, gij zult
e
57
op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk
58
getroeteld worden.
13
Als een dien zijn moeder troost, alzo
59
zal Ik u troosten; ja, gij zult
60
te Jeruzalem getroost worden.
14
En gij zult
het
zien, en
61
uw hart zal vrolijk zijn, en
62
uw beenderen zullen groenen
63
als het tedere gras; dan zal
64
de hand des HEEREN bekend worden
65
aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden
66
gram worden.
15
Want zie, de HEERE zal
67
met vuur komen, en Zijn
68
wagens als een wervelwind; om met grimmigheid
69
Zijn toorn hiertoe
70
te wenden, en
71
Zijn schelding met vuurvlammen.
16
Want met
72
vuur
73
en met
74
Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden
75
met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn.
17
76
Die
77
zichzelven heiligen en zichzelven reinigen
78
in de hoven,
79
achtereen
80
in het midden
derzelve
,
81
die zwijnenvlees eten, en verfoeisel en muizen; tezamen zullen zij
82
verteerd worden, spreekt de HEERE.
18
83
Hun werken en hun gedachten!
84
Het komt,
85
dat Ik vergaderen zal alle heidenen en
86
tongen; en zij zullen komen en zij zullen
87
Mijn heerlijkheid
88
zien.
19
En Ik zal
89
een teken aan hen zetten, en uit hen
90
die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen,
91
naar
Tarsis,
92
Pul, en
93
Lud,
94
de boogschutters,
naar
95
Tubal en
96
Javan, tot de vergelegen eilanden, die
97
Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en
98
zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.
20
En zij zullen
99
al uw broeders uit alle heidenen den HEERE
100
ten
spijsoffer brengen,
1
op paarden en op wagens, en
2
op rosbaren, en op muildieren, en
3
op snelle lopers,
4
naar Mijn heiligen berg toe,
5
naar
Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israëls het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des HEEREN.
21
En ook zal Ik
6
uit dezelve enigen
7
tot priesters
en
tot Levieten nemen, zegt de HEERE.
22
Want gelijk als
8
de
f
nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal
ook
9
ulieder zaad en ulieder naam staan.
23
En het zal geschieden dat
10
van de ene nieuwe maan tot de andere en van den enen sabbat
11
tot den anderen,
12
alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
24
En
13
zij zullen henen uitgaan en zij zullen
14
de dode lichamen der lieden
15
zien die tegen Mij overtreden hebben; want
g
16
hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen
17
allen vlees
18
een afgrijzing wezen.