24. En zij zullen 1), zo dikwijls zij weer bij het heiligdom geweest zijn en daar de zaligheid gesmaakt hebben, die hun in het nieuwe Jeruzalem bereid is, henen uitgaan, uit de poorten der stad zich naar huis begevende; en zij zullen steeds weer op nieuw in het dal van Josafat en het dal Hinnom, waardoor hun weg leidt (
1 Koningen 1:35), met een blij gevoel over Mijn rechtvaardig bestuur en over hun eigene redding de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben, en daarom in het gericht (
Vers 15) zijn omgekomen; want hun worm, die deze lijken opeet, zal niet sterven, en hun vuur, dat hen verteert, zal niet uitgeblust worden, en zij, die lijken, die daar eeuwig door dien worm gegeten en door dat vuur verteerd worden, die gedoden des Heren (
Vers 16) zullen alle vlees, waarvan in
Vers 23 sprake was, ene afgrijzing wezen (
Hoofdstuk 48:22).
1) Zij, die God vrezen, zullen henen uitgaan, en zullen de dode lichamen dergenen zien, die tegen Mij overtreden hebben, om hun eigen hart op te wekken tot de liefde van hunnen Verlosser, wanneer zij zien uit welke ellende zij verlost zijn. Gelijk het de ellende der verdoemden zal verzwaren anderen in het koninkrijk der hemelen te zien en zich zelve uitgedreven (Lukas 13:28), zo zal het ook de vreugde en heerlijkheid der godzaligen ophelderen te zien, wat van hen geworden is, die in hun overtredingen sterven, en het zal hun lof- en dankzegging nog hoger verheffen, als zij denken dat zij zelf als vuurbranden uit dien brand gerukt zijn. Tot eer van die vrije genade, die hen dus onderscheiden heeft, moeten de verlosten des Heren met alle nederigheid en niet zonder beven hun zegezangen opzingen.
Hoe is het mogelijk, dat alle vlees, d. i. alle mensen van alle volken, in Jeruzalem en den tempel plaats vinden? en hoe kunnen lijken, terwijl zij verbranden, tegelijk door de wormen verknaagd worden? En hoe kunnen zij, zonder ooit voor `t menselijk oog te verdwijnen, een eindeloze buit der wormen en des vuurs zijn? De Profeet neemt door zijne eigene wijze van voorstelling de mogelijkheid weg, om zich het voorgestelde in letterlijken zin hier op aarde te denken; hij spreekt van hetgeen over het graf is, maar op ene wijze aan dit aardse ontleend. Wat hij voorzegt is niets anders, dan het nieuwe Jeruzalem der eeuwigheid en de eeuwige pijn der verdoemden; maar de wijze, waarop hij beide schildert, noodzaakt ons, uit het tegenwoordige, waarin hij zijne voorstellen kleedt, ons in het toekomstige te verplaatsen.
In Vers 23, 24 sluit de Profeet zijn Boek met de grote, met de finale tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen.
Zou er hier reeds een groot onderscheid zijn tussen het vleselijk Israël en de massa der heidenen, die den Christus zouden verwerpen en niet wilden dat Hij Koning over hen zou zijn, en het geestelijk Israël, zowel uit de Joden als uit de Heidenen, dat onderscheid zou doorgetrokken worden tot over de grenzen der eeuwigheid.
Hier, bij het geestelijk Israël, een ongestoord, een voortdurend aanbidden van den Heere en daarom een eeuwig leven-het eeuwig leven is toch den Heere te kennen, te erkennen als zijn Heere-en daar, bij het vleselijk Israël en bij de degenen, die hun gelijk zouden zijn, een eeuwige dood, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust, een eeuwige afwezigheid van God en Zijnen hemel, en Zijnen dienst.
Begon het Boek met een weeklagen over de zonde en den afval van het vleselijke Israël, maar was het desniettegenstaande, ja daarom vol van Goddelijke waarschuwingen en vermaningen aan de ene zijde, en van Goddelijke lokstemmen der liefde aan de andere zijde: het eindigt met het voorzeggen der toekomst van de godvrezenden en van de goddelozen. Voor de godvrezenden een heerlijke, voor de goddelozen een schrikkelijke.
Het Evangelie van den Ouden dag is ook, gelijk het Evangelie van den Nieuwen in den grond der zaak hetzelfde Evangelie-een reuke des levens ten leven of een reuke des dode ten dode.
SLOTWOORD OP HET BOEK JESAJA.
Waar er velen zijn, onder de nieuwere uitleggers vooral, die het tweede gedeelte van dit profetische Boek aan een anderen Profeet, dan aan den zoon van Amos toeschrijven, achten we het niet overbodig, ook in deze editie op te nemen wat door wijlen Prof. Dr. A. Rutgers o. m. tot verdediging der echtheid is geschreven en wat o. i. nog immer wacht op degelijke weerlegging.
"De eigenlijke hoofdzaak, " zo schrijft hij, "waar het hier op aankomt, is het navolgende. Van den eersten bestrijder der echtheid dezer hoofdstukken af tot op den tegenwoordigen tijd, wordt telkens op nieuw als een sterk en onomstotelijk argument de volgende redenering bijgebracht.
Men zegt: De Schrijver moet gedurende de Babylonische ballingschap te Babel geleefd hebben. Gewoonlijk toch wordt in deze 27 hoofdstukken het woord gericht tot de Joodse ballingen aldaar.
Bovendien is de historische toestand, zo als hij hier voorkomt, uit- en inwendig, zodanig als hij te Babel in dien tijd werkelijk bestond. Er is in al deze hoofdstukken niets, dat op den leeftijd van Jesaja of op zijne woonplaats in Palestina wijst. Was de Schrijver Jesaja en leefde hij in Palestina, het moest toch wel hier of daar enigszins uitkomen. Al kon een schrijver zich met levendige verbeeldingskracht nu en dan in het tijdvak der ballingschap verplaatsen, ondenkbaar is het, dat zijn werkelijke leeftijd, indien deze vóór de Babylonische ballingschap viel, in zeven en twintig hoofdstukken nergens zou doorschemeren.
Ziedaar het telkens herhaalde argument.
Vooreerst moet wel hierop worden aangemerkt, dat bij de uitwerking van dat betoog, door allen, die daarvan gebruik maken, twee zaken verward worden, die men nauwkeurig behoort te onderscheiden. Door die verwarring ontstaat ene valse redenering en onwaar besluit.
Men behoort wel te onderscheiden den toestand, die geprofeteerd wordt, van den toestand, die rechtstreeks of zijdelings wordt beschreven. Tot den toestand, die geprofeteerd wordt, behoorden niet meer dan vier onderwerpen. Het zijn de verwoesting van stad en tempel, de verlossing en terugkeer des volks, de redding door Cyrus, de komst van den Messias. Wat buiten deze profetieën in het tweede deel geschreven staat, de gebeurtenissen, beschouwingen, beelden, voorstellen, inkleding enz. dit alles behoort tot den historischen toestand, waaruit een besluit tot den leeftijd en de woonplaats van den Schrijver moet worden getrokken.
Bij onzen Schrijver wordt de zaak als reeds geschied voorgesteld. Het land is verwoest, zegt hij; en niet: het zal verwoest worden, enz. Dit is intussen ene zwarigheid, die alleen van gewicht is voor hen, die met de Hebreeuwse grammatica en constructie en met de schrijfwijze der Profeten niet bekend zijn. De Hebreeuwse profeten, al spreken zij van de toekomstige zaken, verplaatsen zich niet zelden met hun gedachten zozeer midden in de dingen, die zij vermelden, dat zij daarvan spreken alsof ze nu geschieden, of die voorstellen en afschilderen alsof ze reeds voleindigd waren. Zo zegt Roorda terecht in zijne grammatica 359.
En wil men een voorbeeld, den wijs ik op het eerste aldaar aangehaalde Jesaja 9:1-5; waar ook het eerste vers in het Hebreeuws het perfectum heeft, en in overeenstemming met de volgende verzen, letterlijk luidt: "Het volk, dat in duisternis wandelt heeft een groot licht gezien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over deze heeft een licht geschenen, " en zo verder tot Vers 5, "een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven enz. " en dat wel, ofschoon er klaarblijkelijk van de verre toekomst, van den tijd van Messias gesproken wordt.
Zo als nu Jesaja in Hoofdstuk 9 zich verplaatst in den tijd, waarin het licht reeds gezien, en het kind reeds geboren is, zo doet hij het ook in de laatste hoofdstukken. Hij verplaatst zich in den tijd dat Jeruzalem verwoest is.
De Auteur van de 27 laatste hoofdstukken van Jesaja is te huis in de geschiedenis. Onderscheidene gebeurtenissen, van den oudsten tijd af, vermeldt hij meermalen als in het voorbijgaan, en ontleent daaraan zijne beelden, en gebruikt die om de gebeurtenissen van zijn eigen tijd te levendiger voor te stellen.
Dat doet Jesaja in de weinige hoofdstukken, die aan geen tegenspraak onderworpen zijn.
Dat doet de Auteur van de laatste hoofdstukken op dezelfde wijze. Ook met den bijzonderen historischen toestand van vreemde volken, zo als die ten tijde van Jesaja was, is deze auteur goed bekend. Maar wat hij van geschiedenis geweten of vermeld moge hebben, de geschiedenis van Babel tijdens de ballingschap der Joden aldaar kende hij niet. Ik spreek nu niet van het gehele stilzwijgen van dezen auteur aangaande den politieken toestand, het staats-bestuur, de verschillende regeringsposten en betrekkingen, de personen, die deze ambten bekleedden, den toestand der Joden met betrekking tot de Overheid, hun levenswijze, middelen van bestaan enz.
Evenmin wil ik nu met nadruk er op wijzen, dat hij Daniël niet schijnt gekend te hebben, ofschoon deze meermalen door diens tijdgenoot Ezechiël (wiens woonplaats onderscheidene dagen reizens van Babel verwijderd was) met de hoogste onderscheiding genoemd wordt; dat hij ook Daniël's vrienden, die de aanzienlijkste ambten bekleed hebben, met stilzwijgen voorbij gaat. Zelfs wil ik niet nadrukkelijk wijzen op de onverklaarbare en ongehoorde vergissing, waaraan hij, in Babel levende, zich schuldig zou hebben gemaakt in Hoofdstuk 57:9, 10. Hij bestraft daar de Joden, omdat zij met olie (kostelijk product van Kanaän) en andere geschenken gezanten zonden (N. B. zij de Joodse ballingen) naar een verwijderden koning d. i naar Egypte: men zie Hosea 12:2b en Jesaja 30:2, 31:1,
Ik laat dit alles onbesproken, ofschoon het in een schrijver, te Babel levende, niet met gezonde redenen kan worden goedgemaakt. Maar dat hij nooit de algemeen bekende en gewichtigste gebeurtenis van zijne jeugd en van zijn mannelijken leeftijd aangehaald, ja de allerbelangrijkste, pas voorgevallen omwenteling te Babel niet gekend heeft, dit is niet alleen vreemd, maar volstrekt ongelooflijk en ondenkbaar.
Ik meen te mogen komen tot het besluit: die Schrijver heeft waarschijnlijk niet te Babel onder die Chaldeeuwse koningen, en niet na de revolutie onder den Babylonischen geleefd.
Het is zeer moeilijk twee niet ver van elkaar verwijderde landen te vinden, die in uitwendig voorkomen der natuur, in aard en voortbrengselen meer van elkaar verschillen, dan het eigenlijke Babylonië en Palestina. Als wij dus een schrijver voor ons hebben, die op het land, zijn toestand en producten zeer opmerkzaam is geweest, en daaraan al zijne beelden en spreekwijzen ontleent (en van het begin tot het einde van het gehele boek van Jesaja is dit in ieder van de 66 hoofdstukken overal het geval), dan is het reeds a priori waarschijnlijk, dat ook hierdoor de landstreek, waarin de schrijver woonde, wel zal worden aangeduid. Hij moet door hetgeen hij daarvan telkens vermeldt óf verraden óf duidelijk aanwijzen, in welk van de twee landen hij geleefd en geschreven heeft. De uitkomst bevestigt op de stelligste wijze dit reeds op zichzelf waarschijnlijke vermoeden.
Wat de eigennamen van steden en landen betreft, vinden wij hier terstond een opmerkelijk verschijnsel. Behalve Babel waren in dat land der vreemdelingschap vele grote en sterk bevolkte steden, waarvan meer dan ene in het gezicht of in de nabijheid van Babel lag. Geen enkele van deze wordt in deze 27 hoofdstukken genoemd. Er komt ook geen enkele eigennaam voor van enige Babylonische provincie, district, landstreek, vesting, dorp enz. hoegenaamd; ja de naam van Babel zelf komt in al deze 27 hoofdstukken niet meer den drie malen voor. Wel mag men dit vreemd heten, vooral wanneer men bedenkt, dat de naam van Babel bij alle Schrijvers, die omstreeks de Babylonische ballingschap leefden, zo als natuurlijk is, dikwijls voorkomt; bij Jeremia meer dan 160 malen! van Kanaän daarentegen worden niet alleen veelmalen Jeruzalem, Zion, de Libanon enz. maar ook minder bekende plaatsen genoemd, b. v. de vallei van Saron en die van Achor, Hoofdstuk 65:10. Waarom juist deze? Zeker niet, omdat zij zo algemeen bekend waren, de laatste althans niet. Maar het zijn de uiterste einden van het rijk van Juda, ten tijde van Jesaja! Achor in het Noord-oosten. Saron in het Westen en Zuid-westen. Saron wordt ook nog genoemd Jesaja 33:9, 2 en het dal van Achor door Jesaja's tijdgenoot, Hosea 2:17. In lateren tijd, na dien van Jesaja, wordt van Achor niet meer gesproken. Ook van al de volken, die rondom Babylonië woonden, wordt niet een enkel in deze 27 hoofdstukken genoemd. Daarentegen is Palestina's omgeving steeds voor den geest van den Schrijver. De volken, die hij noemt, zijn die naburen van Judea, met wie men door politiek of handel te Jeruzalem bekend was. Het eigenlijke Babylonië, dat ten oosten en ten zuiden door den Tigris en den Eufraat werd begrensd, ten westen sedert de uitgebreide ontginningen en kunstmatige besproeiing door Nebukadnezar, zich een weinig verder dan den Eufraat uitbreidde tot aan de Arabische woestijn, en dat ten noorden tot aan Hit (Is) en het daar tegenover liggende Samarah zich uitstrekte, is geheel en al een laag alluviaal land. Noch tussen den Tigris en den Eufraat, noch tussen deze rivier en de Arabische woestijn is hier ergens berg of heuvel, rots of spelonk, dal of beek te vinden.
Het is van natuur ene eentonige vlakte, alleen afgebroken door gegraven kanalen, die gedeeltelijk bestemd zijn tot verdediging des lands en voor de scheepvaart. Tot op geringen afstand van den Eufraat werden de landen telken jare overstroomd en daardoor vruchtbaar, maar overigens moest het vlakke land gedurende een groot gedeelte van het jaar door kunst worden bewaterd, en waar dit middel ontbrak, lag het land onbebouwd en onvruchtbaar, en was veelal met een soort van wormkruid bedekt.
Het land, waarin de Schrijver der laatste 27 hoofdstukken leefde, en waaraan hij zijne beelden ontleende, is geheel het tegenovergestelde. Telkens spreekt hij van bergen en heuvelen, rotsen en rotskloven, bergwegen en spelonken, dalen en valleien, beken, bronnen en putten. Men zie Jesaja 40:4, 9, 12, 15; 41:18; 42:15; 44:8; 48:21; 49:9, 11; 50:7; 52:7; 55:10, 12; 57:5, 6, 7; 58:14; 63:2, 14; 65:7, 10; 66:12, 20. Het karakteristieke van het landschap van Babel wordt nergens, zelfs niet met een enkel woord aangeduid noch daarop gedoeld. De natuur van het land, waaraan de Schrijver zijne beschrijvingen, beelden, gelijkenissen ontleent, is die van Judea.
Tot den natuurlijken toestand van het land behoort ook de aanwezigheid of het gemis van stenen:
Babylonië's alluviale grond bezat die niet. Nergens worden hier op of onder den grond zachtere of hardere steensoorten gevonden. Noch voor het bouwen van vestingen, paleizen, huizen of tempels waren hier de elders overvloedige gewone stenen voorhanden, noch ook edelgesteenten voor kostbaren tooi.
De Schrijver van Jesaja's tweede deel daarentegen kent en vermeldt, zo van als een bewoner van Palestina verwacht mocht worden, het zand der zee en zijne steentjes, 48:19; de gladde stenen der beken, 57:6; de stenen op de wegen verspreid liggende, 62:10; de rotssteen (Palestina's meest gewone steensoort) 44:8; 51:1; de harde kei- of vuursteen, 50:7 enz.
Zo doet gewoonlijk een schrijver, die in een land woont, dat rijk is aan stenen; zo doet men niet in een land, waar muren en huizen enz. bij gebrek van het natuurlijk voortbrengsel met gebakken steen gebouwd worden, en dit kunstproduct noemt hij nooit, evenmin als de naftha, die aldaar ook voor brandstof diende, of petroleum, die te Babel in de lampen gebrand werd in plaats van olie. Hetzelfde verschijnsel openbaart zich als wij op de planten acht geven, die in Babylonië gevonden worden.
Die landstreek is arm aan bomen. In de hoven werden wel onderscheidene soorten van vruchtbomen met zorg gekweekt, perziken, abrikozen, moerbeziën, kersen, appelen, enz. maar in de vrije natuur vond men slechts bossen van palmbomen en aan den rivierkant twee soorten van populieren en wilgen. Van al die soorten is in dit tweede deel geen enkele genoemd, behalve alleen de wilgen, 44:4; maar hier voegt de Schrijver er nog een woord aan toe, dat ons verbiedt aan Babylonische wilgen te denken, en dat ons naar Palestina en de wilgen aldaar henen leidt. Hij zegt toch "wilgen aan waterbeken. " Daar die waterbeken in Babylonië niet te vinden zijn, maar in Palestina van de bergen en heuvels afstromen (zie b. v. Jesaja 30:25), kan dit gene uitzondering op den algemenen regel genoemd worden. Hij noemt de Babylonische bomen niet.
De bomen daarentegen, die in Palestina gevonden werden, vermeldt hij vaak genoeg. Hij noemt ceder, acacia, mirteboom, olijfboom, dennenboom, beuk, kleine ceder, cipres, pijnboom, elk, olm, vooral ook den wijnstok met zijne druiven, most en wijn. Men zie 41:19; 44:14; 51:22; 54:13; 57:5; 61:5; 62:8; 63:2; 65:8, 21 enz.
Geheel in overeenstemming hiermede is het gebruik van hout. Had men in Babylonië hout genoeg voor huizen, meubels, brandstof, dan gebruikte men hiertoe volgens Strabo (XVI:1, _14) en Theophrastus (Hist. plant, II:7, 8) palmbomenhout.
Onze Schrijver daarentegen laat den timmerman een cederboom of cipres, een eik of een pijnboom omhouwen en verwerken, en bij een deel van dat hout zijn brood bakken en zijn vlees braden en zich verwarmen, 44:13-16, en die bomen vond men in Babylonië niet.
Hoe is het nu denkbaar, dat iemand, in Babel wonende, de bomen van het land, waarin hij woont, en hun gebruik nergens zou vermeld hebben, en die van een ander land op de aanschouwlijkste wijze voorgesteld en in groten getale genoemd?
Niet anders is het gesteld met de veldvruchten. Bij allen, die dit land bewoond of bereisd hebben, is maar ene stem over de geheel buitengewone vruchtbaarheid van Babylonië.
Herodotus, die nog al vele landen gezien had, betuigt (I. 193), dat van alle landen die hij gezien heeft, dit verreweg de grootste opbrengst van koren oplevert. De gewone vruchtbomen, vijgen, wijnstok, olijfbomen, zegt hij, ziet men hier niet, maar het koren geeft overal althans twee honderdvoudige en in sommige streken drie honderdvoudige vrucht. De bladeren, zelfs van de tarwe en gerst zijn 4 vingeren breed, en hoe hoog en groot de gierst en sesamplant hier wordt, wil hij niet opgeven, omdat zij, die deze landstreek niet gezien hebben, het geheel ongelooflijk zullen vinden. Van die zo geheel buitengewone opbrengst der veldvruchten spreekt de Schrijver niet, ofschoon de opmerking daarvan voor de hand lag en voor een Israëliet niet onbelangrijk zijn kon; hij doet dit niet eens daar, waar hij van de toekomstige welvaart en landelijken rijkdom des volks spreekt. Hij alleen zal dit dus niet opgemerkt hebben! Hij noemt trouwens ook niet ene plant die aan Babylonië bijzonder eigen is, maar wel specerij, riet, vlas enz. die in Palestina gevonden of verbouwd werden.
Met de dieren heeft hetzelfde plaats. Ofschoon hij in deze hoofdstukken 25 soorten van dieren opnoemt, is er niet één onder, die aan Babylonië bijzonder eigen was. De roofdieren kon hij licht, in de stad wonende, niet gekend hebben; ofschoon hij toch wel de roofdieren van Palestina, den leeuw, den wolf, den beer, den sjakal en meer dan ene soort van slangen noemt; maar ik meen, dat hij, in Babel levende, wel moest vernomen hebben van de zeldzame dieren, in die landstreek te vinden, van den bever, den otter, het grote stekelvarken, alligator of van de fazanten, flamingo's, pelikanen enz. en bovenal dat hij de dagelijkse en geliefkoosde spijs der Babyloniërs, de keurige vissen, wel eens zou hebben genoemd, n. l. karpers, brasems enz. die in zeer groot aantal dagelijks aldaar werden aangevoerd. Hij schijnt geheel onkundig te zijn van al wat daarvan in Babylonië gevonden werd.
Een onderzoek naar de mededelingen van den Schrijver van Jesaja's tweede deel omtrent den godsdienst van Babel ligt geheel op onzen weg. Het kan niet onbelangrijk zijn op te merken, wat de schrijver wist en vermeldde van de voorgangers in den eredienst, van de plaatsen aan den dienst der goden gewijd, en van die goden zelf. Deze drie hoofdpunten toch kon aan iemand, die te Babel leefde, niet onbekend zijn.
Zien wij dan of de Schrijver die kende.
Reeds langen tijd vóór de Babylonische ballingschap en vóór Jesaja's leeftijd, had de afdeling der Chaldeeën te Babel zich toegewijd aan den eredienst. Het was hun werk den dienst waar te nemen in den tempel en aan de altaren, dromen uit te leggen, voortekenen te verklaren, uit de sterren de toekomst te voorzeggen, en op te geven hoe men door offeranden enz. dreigende gevaren zou kunnen afwenden; bovendien waren zij de geleerden en hebben door hun astronomische aantekeningen, in verband met de geschiedenis van Nabonassar af, het nageslacht aan zich verplicht.
Deze wijzen, in bijzonderen zin Chaldeeën genoemd, en in bijzondere klassen verdeeld naar den aard hunner werkzaamheden, stonden bij de koningen der Chaldeeën en hun raadslieden in de hoogste achting, en werden door het volk met de hoogste onderscheiding en eerbied bejegend. Ook toen door de nationale omwenteling, bij den dood van Beltsazar, de overheersing der Chaldeeën te Babel voor altijd had opgehouden, bleven deze Chaldeeën hun voormalige functies uitoefenen, behielden hun invloed als uitleggers van den wil der goden en bleven als astrologen en geleerden onder hun tijdgenoten in ere.
De schrijver dezer laatste hoofdstukken, die gezegd wordt 5, 10 of 15 jaren ongeveer voor het einde der Babylonische ballingschap, en dus na den politieken val der Chaldeeuwse overheersers geleefd te hebben, moest hen te Babel gekend hebben; maar hij weet van hen niets en zegt van hen niets. Bij hem is de naam Chaldeeën alleen de naam van het krijgszuchtige, overheersende volk. De plaatsen aan den dienst der goden gewijd, moesten ieders aandacht trekken door de geheel eigenaardige, op astrologie gegronde, constructie der tempels, en door hun rijkdom, grootte en pracht.
De verwondering, ja verbazing van alle reizigers wordt nu nog gewekt door de genoegzaam bewaarde overblijfselen van den tempel van Nebo, te Borsippa bij Babel, door Nebukadnezar gebouwd, en dien ik als ophelderend voorbeeld hier meen te moeten vermelden, om de bijzondere constructie te doen uitkomen.
In ene vierkante, door een muur ingesloten ruimte, stond de tempel boven op een pyramidaalvormigen toren of ontzaglijk groot en hoog gebouw, dat uit zeven, aan de 7 planeten gewijde terrassen bestond.
Op een grondslag van gebakken steen was gelijkvloers gemetseld ene onderste of eerste terras of volkomen vierkant, waarvan iedere zijde ene lengte had van 272 voet; de hoogte van dit geheel uit gebakken steen dicht gemetseld vierkant is 26 voet. De buitenzijden zijn zwart gekleurd, de kleur van den planeet Saturnus. Op dit onderste vierkant was een tweede kleiner vierkant gebouw, ook van baksteen, welks zijden slechts 230 voet lang waren; de hoogte was weer 26 voet. De buitenzijden waren aangestreken met oranje, de kleur van den planeet Jupiter. Het daarop geplaatste vierkant van 188 voeten hoogte, was aan de buitenzijden hoog rood, de kleur van Mars. Het vierde vierkant van 146 voet en 26 voet hoogte was aan de zon geheiligd en aan de buitenzijden met goudplaten bekleed. Het vijfde van 104 voet en 15 voet hoogte was geel geverfd, de kleur van Venus. Het zesde van 62 voet en 15 voet hoogte was donkerblauw, de kleur van Mercurius. Het zevende of bovenste vierkant, welks vier zijden 20 voet lang waren en dat weer 15 voet hoogte had, was dat der Maan en met zilveren platen gedekt. Het gehele naar boven steeds kleiner wordende ondergebouw was dus ene dicht gemetselde massa, 150 voet hoog en werd langs de buitenzijden beklommen. De tempel, die hier boven op geplaatst was, is nu geheel vernield en verdwenen; en deze beschrijving dient hier nu dus alleen om de geheel eigenaardige constructie van het kostbaar en vaste ondergebouw der Babylonische tempels enigszins te doen uitkomen. Geheel overeenkomstig met den zo-even beschreven onderbouw, en dus met veel grotere dimensie der vierkanten, was de tempel van Bel te Babel. Het piramidaal vormig ondergebouw was hier niet minder den 480 voet hoog en op den top van deze torenhoge vierkante piramide was het heiligdom van Bel geplaatst, waarheen men langs de buitenzijden opklom. Ter halverwege was ene rustplaats. In dat hooggeplaatste heiligdom bevonden zich, volgens Diodorus Siculus (II 9 _55) vóór Babels verovering door de Perzen, drie kolossale gouden standbeelden van Bel, Hera of Beltis en Rhea of Ischtar. Voor het beeld van Beltis lagen 2 gouden leeuwen en 3 zilveren slangen, elk van 30 talenten gewichts. Ene grote gouden tafel, 40 voet lang en 15 voet breed, was vóór de 3 beelden geplaatst en daarop stonden twee enorme bekkens, elk 30 talenten zwaar, en bovendien 2 buitengemeen grote wierookvaten, 3 gouden kannen enz. Behalve dit heiligdom was er een tweede heiligdom aan den voet van het stenen grondgebouw. Hierin bevond zich, toen Herodotus Babel bezocht (1:183), een groot gouden beeld zittende op een gouden troon aan ene gouden tafel, en voor dit heiligdom twee altaren, het ene van goud; op het andere werd op het jaarlijkse feest wierook gebrand en wel een gewicht van niet minder den 1000 talenten. Zo als hij vernam, had Xerxes uit dezen tempel laten wegnemen een standbeeld van menselijke gedaante, dat 22 ellen hoog en van massief goud was enz.
En nu vergelijke men eens met dezen luister en pracht, met deze zeldzame constructie en ten toon gespreiden rijkdom-de beschrijving van den eenvoudigen afgodendienst, zo als die in de laatste hoofdstukken van Jesaja voorkomt. Men moet den wel tot de conclusie komen: de armelijke toestand der afgoderij, die hier beschreven en bespot wordt, is klaarblijkelijk niet die aan Babel, maar die van Judea. Had de Schrijver al de Babylonische pracht met eigene ogen aanschouwd, hij zou dan niet ene beschrijving hebben gegeven, die in generlei opzicht daarop past; hij zou dien luister hebben vermeld en het nietige daarvan hebben aangetoond. Zo als het nu door hem geschiedt, is zijn betoog krachtig te Jeruzalem, maar het is geheel ongepast en zonder enige betekenis, als de schrijver te Babel in het gezicht van dien Bels-tempel en van vele andere niet minder kostbare en prachtig versierde tempels geschreven had.
Ik ga dit nog een weinig nader toelichten.
Vooreerst dan hebben wij te letten op de plaatsen, waar de afgoderij wordt uitgeoefend, die door onzen Schrijver bestraft wordt. Bij hem is nergens sprake van een kostbaren pyramidaalvormigen onderbouw en luisterrijken tempel, maar zij geschiedt, zo als dit duidelijk wordt aangetoond in Jesaja 57:5-7, bij terpentijnbomen, onder alle groene bomen, zo als dit ook door Jesaja zelf van zijn leeftijd verklaard wordt in Jesaja 1:29; en ook in Hosea 4:13, enz. en verder aan de beken bij de kloven der steenrotsen, op hoge en verheven bergen. Bedenkt men nu, dat er in Babylonië gene terpentijnbomen, gene beken, gene steenrotsen, gene hoge bergen waren, en dat dit alles alleen in Kanaän gevonden wordt en in Jesaja's tijd voor den afgodendienst gebruikt werd tot aan de regering van Josia, den kleinzoon van Hizkia, dan ziet men, dat de Schrijver niet de Joodse afgodendienaars te Babel bestraft en niet de afgoderij van Babel bestrijdt, maar die van Judea. Men moet den Schrijver voor krankzinnig houden, als hij de Joden te Babel van afgoderij beschuldigde, uitgeoefend op plaatsen, die niet eens in het land bestonden. Men heeft daartoe geen recht. Die bomen en de beken, steenrotsen en de bergen verklaren met luider stem, dat de Schrijver de Joden in Judea bestraft, dat hij niet te Babel maar in zijn vaderland leefde en schreef. In het voorbijgaan lette men nog op het slachten van kinderen ter ere der afgoden. Dat behoort ook tot de afgoderij der Joden in hun eigen land, waar dit zelfs en in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem, in het dal Hinnoms geschiedde. Het was ene overoude Fenicische of Kanaänietische afgoderij, die te Babel niet bestond. Aan Bel, Nebo enz. werden wel zooglammeren geofferd, maar gene kinderen. Die onmenselijke eredienst, die door de profeten terecht als de grootste gruwel bestraft werd, was tot Babel niet doorgedrongen; ook hieraan heeft Josia in Judea kort na Jesaja's tijd een einde gemaakt.
Ten tweede vergelijke men de kostbare massief gouden beelden en tempelgereedschappen en ornamenten bij die der afgoden, zoals onze Schrijver die aftekent. Hij beschrijft ze als tweeërlei soort. In Hoofdstuk 40:19 is het een gegoten beeld van onedel metaal, dat met goud slechts overtrokken wordt en geplaatst is in een houten tabernakel. In Hoofdstuk 44:13. wordt de andere soort genoemd, door een timmerman eenvoudig uit hout vervaardigd. Kan men zich in ernst verbeelden, dat de Schrijver dit in Babel schreef? Moest niet elk, die dit daar zo hoorde voorstellen, zijne onkunde en dwaasheid bespotten? Viel niet ene scherpe en onvergelijkelijk krachtige ironie op hem zelven terug? Gewis had elk te Babel het recht om de bespotting dier armelijke beelden te beantwoorden met de juiste opmerking: spreek dit tot hen, die aan zulke beelden eer bewijzen! wij vereren geheel anderen. Ga naar den tempel van Bel, en zie met eigen ogen den luister en de schitterende pracht van onzen eredienst!
Ook wij kunnen niet anders oordelen.
Het eenvoudige en betrekkelijk povere van de hier beschrevene beelden maakt, dat wij den Schrijver plaatsen moeten, niet bij Babels prachtige tempels en beelden, maar in Judea, waar zijne beschrijving geheel past.
Eindelijk hebben wij nog onze aandacht te vestigen op de afgoden, die door den Schrijver in onze 27 hoofdstukken genoemd worden. Het zijn niet meer dan twee, en wel de allerbekendste, Bel en Nebo, Hoofdstuk 47:1. Dit zijn juist de twee godennamen, die op de belangrijkste inscriptie van den koning Sargon, Jesaja's tijdgenoot, voorkomen. Door kooplieden, door het Assyrische leger, door het gezantschap aan Hizkia door Merodach Baladan toegezonden, door reizigers enz. konden deze in Midden-Azië vereerde afgoden licht in Judea bekend zijn.
De Schrijver schijnt ook geen andere dan zeer oppervlakkige kennis daarvan te hebben. Over geen van beiden heeft hij iets karakteristieks, iets bepaalde gezegd; in het geheel niets dat van eigene, zij het ook maar oppervlakkige, aanschouwing van hunnen eredienst getuigt. Of die dienst samenhangt met de verering van natuurkrachten, van stervelingen, van vergode mensen, of uit angst of andere opgewekte hartstochten is voortgevloeid, kan men uit hem niet vernemen. Iemand te Babel wonende moest er meer van weten. Maar buitendien zou hij dan nog wel andere goden genoemd hebben.
Jeremia noemt ook nog Hoofdstuk 51, Merodach. Dezen althans had onze Schrijver niet mogen of kunnen verzwijgen, als hij in den tijd, dien men aangeeft, te Babel gewoond had. Immers nevens Bel werd Merodach aldaar op het luisterrijkst vereerd en gediend, vooral sedert Nebukadnezar, wiens beschermgod hij was. Tot ons is gekomen ene allerbelangrijkste inscriptie van Nebukadnezar zelven, die te Londen bewaard wordt. Hij vermeldt daarin de grote en kostbare werken, die door hem verricht zijn.
Hij noemt daar die goden, wier tempels te Babel of in andere steden van Babylonië, door hem gebouwd of versierd of met rijke geschenken begiftigd waren. Wat hierin te dezer plaatse van belang schijnt te zijn, is de hoge rang, die onder deze goden aan Merodach wordt toegekend door Nebukadnezar zelven. Hij noemt Merodach boven alle anderen met nadruk zijn Heer, den groten Opperheer, den eersten der goden, den steun zijner heerschappij, den koning des hemels en der aarde. Nebukadnezar (even als na hem Neriglissar) deed al wat in zijn vermogen was, om de eer van dezen zijnen beschermgod te verhogen en den luister van zijnen dienst te vermeerderen. Hij had den tempel van Bel aan Merodach's dienst toegewijd.
Is het den niet vreemd, dat onze Schrijver, die in Babel onder Nebukadnezar's regering zou zijn opgegroeid en kort na hem zou geschreven hebben, daarvan geen kennis schijnt te dragen, dat hij, die zo vaak den afgodendienst bestrijdt en bestraft, van Bel en Nebo slechts de namen, en van de anderen afgoden, in `t bijzonder van den hoogvereerden Merodach, die tijdens de Babylonische ballingschap Babels hoogste godheid was, niet eens den naam vermeldt? Mij schijnt ook dit ene aanwijzing te zijn, dat wij hem niet te Babel moeten zoeken? waar ieder kind er meer van wist dan deze auteur bericht.
Als wij nagaan wat uit het tweede deel van Jesaja blijkt van kennis, die de Schrijver dezer 27 Hoofdstukken draagt van de voorgangers in den Babylonischen eredienst, van de plaatsen, die aan den dienst der goden waren gewijd en van de goden zelf, den blijkt het zeer onwaarschijnlijk te zijn, dat de auteur in het laatste gedeelte der ballingschap te Babel geleefd zou hebben.
Te Babel zou hij geleefd hebben!
Indien er ene stad in de oudheid was, wier gehele enige grootheid en wonderen op ieder den diepsten indruk moesten maken, het was Babel. Midden door de stad liep de brede en snelstromende Eufraat, die, waar hij door de stad henenstroomde, door Nabopolassar met een aarden dijk was ingesloten, opdat de stad zelf voor overstroming zou beveiligd zijn. In de straks genoemde inscriptie geeft Nebukadnezar als een zijner belangrijkste werken op, dat hij aan weerskanten van de rivier ene kade van gebakken steen langs de oevers had gemetseld en op enigen afstand van het water aan beide zijden van die kade een sterken en zwaren muur had laten bouwen, tot insluiting van de rivier en tot bevestiging van de stad tegen vijanden, die misschien te eniger tijd met schepen en vlotten over den Eufraat mochten willen binnendringen. Van dien trotsen Eufraat en de werken daaraan gebouwd komt in Jesaja's tweede deel niets voor; evenmin als van zijne woelige drukte en veelvuldige scheepvaart, op ene wijze uitgeoefend, die nergens elders op den aardbodem bestond, en die boven alle andere zeldzaamheden van Babel Herodotus verbazing opwekte.
Onder de zeven wonderen der wereld, hebben de ouden met reden gerangschikt den voorbeeldeloos langen, hogen en dikken muur van Babel.
Van dit verwonderlijk grote welk, dat door Nebukadnezar was uitgevoerd zeer kort vóór den tijd, waarin de Schrijver gezegd wordt geschreven te hebben, en dat in de gehele wereld zijns gelijken niet had, wordt geen woord gerept.
Onder de hoogstverwonderlijke gebouwen te Babel moest ieders aandacht getrokken worden, behalve door den tempel van Bel, vooral ook door het grote paleis van Nebukadnezar. Binnen de stad een weinig ten zuiden van den tempel van Bel had hij een kanaal doen graven, dat water bracht in een groot reservoir of waterbekken midden in Babel uitgegraven, en van daar weer afvoerde naar den Eufraat. Hier was alzo een groot eiland binnen onze stad, aan de ene zijde begrensd door de grote rivier, aan de andere zijde door het kanaal met den groten vijver. Nebukadnezar zelf noemt dit op onder zijne belangrijkste en grote werken. Op dit aldus gevormde eiland lag onder anderen het grote paleis van den koning. Het was met drie muren van gebakken steen omgeven en de buitenste dezer drie muren had ene lengte van uren gaans. Al wat Oosterse pracht en weelde had kunnen uitvinden was hier verenigd. De koninklijke grootheid en de versiering der zalen was in overeenstemming met de kostbare gehouwen stenen, waaruit het paleis gebouwd was en met zijne hoogte en daar aan geëvenredigde breedte, als ook met de torens, die het versierden. Nebukadnezar zelf verheft zich op den bouw en het voorkomen van dit trotse gebouw.
Daaraan grensden de hangende tuinen, die alle verbazing in de hoogste mate opwekten. Nergens elders heeft ooit iets zo buitengewoon bestaan. Onderscheidene reien van stevige pilaren droegen een gewelf van gehouwen steen, dat terrasgewijze al hoger en hoger opging en met vruchtbare aarde bedekt was, waarin niet alleen bloemen en heesters, maar zelfs opgaande bomen welig groeiden. Het water tot besproeiing van dezen kunsthof werd met vernuftig uitgevondene werktuigen tot de hoogte van meer dan 80 voet opgevoerd.
Met de grootste zorg was het gehele gebouw behandeld. Opdat het water tot de onderliggende gehouwen stenen niet mocht doordringen, was deze bodem eerst met riet en aardpek bedekt, hierover was een dubbele laag van baksteen en gips gemetseld en daarover heen ene bedekking van loden platen gelegd. Deze hoge tuin was even verrukkelijk door den sierlijken aanleg, de aangename rustplaatsen en tuinhuizen, het vergezicht over de stad, de rivier in den omtrek en de keur van bloemen, planten en bomen, als verbazend door de grootsheid der uitvinding, de juistheid der uitvoering en de samenstelling van schoonheid met kolossalen bouw. De Grieken hebben ook deze hangende tuinen onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt.
Ik zwijg nu van het andere koningspaleis, van het paleis van Neriglissar, van den burcht, en van zo vele prachtige tempels en paleizen, als Babel binnen zijne muren bezat, maar zulke geheel enige werken, als daar waren, konden voorzeker de aandacht van de inwoners niet ontgaan. En toch, ook waar Babels val en verwoesting opzettelijk en in het brede wordt aangekondigd (Hoofdstuk 46, 47), is het de weelderige en aanzienlijke handelsstad, zo als die bestond, vóór dat Nabopolasser en vooral Nebukadnezar daarin die wonderbare werken hadden gesticht; maar van dien muur zonder wedergade, van den tempel van Bel, van het grote paleis, van de hangende tuinen heeft onze Schrijver niets, in het geheel niets vermeld.
Wel spreekt hij hier en daar of zinspeelt op Jeruzalems poorten en muren, op gewone huizen, met hun deuren, posten, slaapsteden enz. op tenten met hare gordijnen, koorden en pinnen, b. v. Hoofdstuk 44:13; 49:16; 57:2, 7; 58:7; 54:2; 60:10; 62:6; maar van de onvergelijkelijk grote en prachtige en schone gebouwen van Babel heeft hij niets.
Kan men het den waarschijnlijk achten, dat de Schrijver aldaar gewoond heeft zonder die te zien, dat de opmerkzame schrijver, die aan allerlei zaken uit de natuur en kunst zijne beelden ontleent, hierdoor niet is getroffen geworden, en dat hij die met onverschilligheid is voorbijgegaan, dat de Schrijver zijne beelden en voorstellingen niet ontleend zou hebben aan de plaats, waar hij woonde en aan de verbazende voorwerpen, die hem omringden?
Als wij al wat op de schrijfwijze betrekking heeft overzien: de hoofdverdeling, de onderverdeling, de rangschikking der onderwerpen, de zuivere, nauwkeurige, levendige en eigenaardige taal, de geheel bijzondere, en in die volkomenheid aan Jesaja alleen eigene uitdrukking, dan worden wij hierdoor op de krachtigste wijze gedrongen om het tweede gedeelte van dit Boek aan Jesaja toe te kennen, wiens stempel daarop gedrukt staat. Bij middelmatige schrijvers moge dit argument soms twijfelachtig kunnen zijn, maar niet bij den uitstekendsten stilist.
Het is ondenkbaar, dat een onbekend man te Babel bij het verval der Hebreeuwse taal, tegen het einde der Babylonische ballingschap levende, den eersten meester in het schrijven zou hebben geëvenaard, en dat hij den stempel van Jesaja's volkomenheid op zijn bedrieglijk samenstel kon hebben weten te drukken. De taal wijst meer op den leeftijd des Schrijvers, de stijl op zijne ontwikkeling.
Mij is geen Israëliet van den ouden tijd bekend, die dit dubbele bedrog zou hebben kunnen volbrengen. Indien nu ook iemand edel genoeg ware, om als Jesaja te kunnen schrijven, hij zou niet tevens snood genoeg zijn om het te willen doen. Het bestaan van zodanige man zou een zielkundig raadsel zijn en een onbegrijpelijk wonderbaar verschijnsel, indien het gene loutere verdichting was, om dogmatische redenen uitgedacht.
Het gedeelte van Jesaja, welks echtheid werd aangetoond, is gelijk andere als onecht verworpene boeken des O. T. niet een bloot letterkundig voortbrengsel, maar het is ook een gedeelte des Bijbels, der Heilige Schrift. Uit dat oogpunt verdedig ik het Boek niet, even min als ik andere boeken der Heilige Schrift doen zou. Ik steun daarop. Zij zijn mij dierbaar als een uitnemend Gods-geschenk. Zij zijn mij ontelbare malen tot opwekking en vertroosting, tot verlichting en versterking geweest. Waar het oog en het hart geopend is, daar is de goddelijkheid van Gods Woord even duidelijk, als voor een helderziende het licht der zon, die aan den hemel staat.
Als Gods Woord door ons verstaan en gevoeld wordt, dan is de verdediging daarvan voor ons onnodig. De Heilige Schrift spreekt voor zich zelf en zal in ere en tot zegen zijn, als de tegenwoordige bestrijders met hun geschriften zullen zijn vergeten. "Het woord van onzen God blijft in eeuwigheid. " Het is mij nu toch nog een dure plicht, om ongeoefenden en ongeleerden op één punt opmerkzaam te maken.
Het is in het algemeen ene prijzenswaardige eigenschap van allen, die niet door eigenwaan verblind zijn, dat men waarde hecht aan het gevoelen van hen, die de wetenschap beoefenen, en een billijk verworven roem van kunde en geleerdheid verkregen hebben. Ook deze deugd van volgzaamheid en leerzaamheid mag intussen niet overdreven worden. Elke deugd, die overdreven wordt, verandert juist daardoor in ondeugd. En daar nu onderwerpen als het thans besprokene, ook behandeld worden bij en voor hen, die de bezwaren, tegen de Heilige Schrift ingebracht, niet kunnen beoordelen; zal het niet ongepast kunnen geacht worden, als ik de grenzen aanwijs, binnen welke de volgzaamheid aan geleerden te betonen, begrepen moet blijven. Met het oog dan ook op het nu behandelde Boek, wijs ik op het getuigenis van onzen Heere Jezus Christus.
Hecht men waarde aan de uitspraak van geleerden en volgt men hun gezag, dit behoort te eindigen, waar Hij gesproken heeft. Hij is toch de Zoon van God; door Zijnen Geest hebben de Profeten gesproken; Hij is onze Zon, het Licht der wereld; "Hij is alleen de Meester; Hij is de waarheid; Hem heeft de Vader getuigenis gegeven, toen van den Hemel de stem gehoord werd: hoort Hem!
Weg dan met een beroep op het gezag van geleerden, welken naam zij ook dragen, als zij van Hem verschillen. Wat met het getuigenis des Heren strijdt is onwaar.
Dat dan wij, die in den naam van Christus zijn gedoopt, die beleden hebben in Zijnen naam te geloven, die naar Hem Christenen worden genoemd, en die door Hem eens zullen geoordeeld worden-dat wij nimmermeer het getuigenis des Heren smadelijk verwerpen. De wetenschap heeft grote waarde, maar eens zal het blijken, dat hij alleen wijs is geweest, die bij alle verkregene wetenschap in een eenvoudig kinderlijk gemoed het geloof in den Heere heeft behouden, en met een dankbaar hart heeft gewaardeerd en gebruikt, wat Gods oneindige liefde ons schonk.
Bij hetgeen we van wijlen Prof. Dr. A. Rutgers hierboven overnamen, hebben we weinig te voegen.
Het komt ook ons onverklaarbaar voor, hoe nog in ernst de leeftijd van den Schrijver tijdens de ballingschap kan geplaatst worden.
Onderscheidene plaatsen toch wijzen er op, dat hij moet geleefd hebben vóór de verwoesting van Jeruzalem en vóór de ballingschap.
Wij wijzen slechts op voorspellingen als voorkomen in Hoofdstuk 40:2, 9 in verband met Hoofdstuk 41:27, 51:17.
Wij wijzen op het zoeken van de gunst van vreemde heersers en de veroordeling daarvan (Hoofdstuk 57:9 en vlg.).
In Hoofdstuk 52:4 wordt de verdrukking door de ASSYRIËRS, als de laatste, waarvan de Profeet weet, genoemd, en die gesteld tegenover die van Egypte. Hoe, vragen we, is dit mogelijk, indien de verwoesting van Jeruzalem al een lang bedongen feit was en Israël zuchtte onder den ijzeren scepter der Babylonische heersers?
Dit wijst juist op den tijd van Jesaja, en kan alleen verklaard worden, indien niet een ander, maar de Schrijver van de eerste 39 hoofdstukken ook de Schrijver van de laatste 27 is. Het tweede gedeelte is de ontplooiing en de ontwikkeling van hetgeen in het eerste gedeelte reeds als in den knop aanwezig was.
De Profeet weet door Goddelijke openbaring wat Israël wacht.
En nu tot troost en bemoediging van het ware Israël, maar ook tot. vermaning en waarschuwing voor wat Israël wilde zijn en niet-Israël was, geeft de H. Geest hem te spreken, opdat daardoor bovenal de ere en de hoogheid Gods zou schitteren tegenover de nietigheid en het ijdele der afgoden;
Opdat straks het volk Gods, het overblijfsel naar de verkiezing der genade, het zou weten, dat die God, die hen in de ellende der ballingschap had geleid, hen ook weer door Zijn machtigen arm had verlost;
Opdat straks ook de Heidenen zouden weten, dat er maar één God is, de HEERE der heirscharen;
Opdat tot aan de voleindiging der eeuwen alle Gods ingeleide kinderen uit dit heerlijk Boek troost en bemoediging zouden scheppen, ook te midden van de meest duistere lotsbedelingen, wetende, dat de God des Verbonds Zijn erfdeel nooit verlaat, de Onveranderlijke en Getrouwe is, die van geen wankelen weet of van bezwijken.
Ook van dit gehele Boek, gelijk van al de Profetieën, geldt de vermaning des Apostels: En wij hebben het Profetische woord, dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in ene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten (2 Petrus 2:19).