Jeremia 1:4-10
Hier is
I. De vroegtijdige roeping van Jeremia tot het werk en de bediening van een profeet, welke God hem aanduidt als een reden voor zijn vroegtijdige aanstelling daartoe (vers 4, 5). Het woord des Heeren kwam tot hem, met voldoende verzekerdheid voor hemzelf dat dit het woord des Heeren en geen zinsbedrog was, en God zei hem:
1. Dat Hij hem de volken tot een profeet gesteld had, of: tegen de volken, in de eerste plaats tegen het volk van de Joden, dat nu onder de volken gerekend werd, omdat zij de werken van de volken geleerd en zich met hun afgoderijen vermengd had, want anders zouden zij niet daarbij gerekend worden, (Numeri 23:9). Toch was hij tot profeet gesteld, niet voor de Joden alleen, maar ook voor de naburige volken, aan welke hij jukken moest zenden, Hoofdstuk 27:2, 3, en die hij moest laten drinken uit de beker van des Heeren toorn, Hoofdstuk 25:17. En nog is hij in zijn geschriften een profeet voor alle volken, ook voor ons volk, om hun te verkondigen welke nationale oordelen verwacht moeten worden voor nationale zonden. De volken zouden goed doen indien zij Jeremia als hun profeet beschouwden en acht sloegen op de waarschuwingen, die hij geeft.
2. Dat God hem, vóór zijn geboorte in Zijn eeuwig raadsbesluit tot profeet bestemd had. Hij moest weten dat de God die hem deze opdracht gaf dezelfde was die hem in het aanzijn geroepen had, dat Hij hem in de moederschoot geformeerd had, dat Hij dus Zijn rechtmatige eigenaar was en hem kon gebruiken zoals het Hem behaagde, en dat de zending, die hem nu opgedragen werd, de voortzetting was van het voornemen, dat God met betrekking tot hem in zichzelf voorgenomen had nog voor Zijn geboorte. Ik heb u gekend en Ik heb u geheiligd, dat is: Ik bepaalde dat gij een profeet zoudt zijn en zonderde u daartoe af. Zo zegt de apostel Paulus van zichzelf dat God "hem van van zijn moeders lijf aan afgezonderd heeft" om een Christen en een apostel te zijn, Galaten 1:15.
Merk op:
A. De grote Schepper weet waartoe Hij iedere mens gebruiken wil, alvorens Hij hem gemaakt heeft. Hij heeft alles om Zijns zelfs wil gemaakt en vormt uit dezelfde klomp leem "het ene vat ter ere en het andere ter onere," Romeinen 9:21.
B. Hetgeen waartoe God een mens bestemd heeft, daartoe zal Hij hem ook roepen, want Zijn voornemen kan niet verijdeld worden. God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend, en Zijn kennis is onfeilbaar, Zijn voornemen onveranderlijk.
C. Er is een buitengewoon voornemen en voorzienigheid Gods met betrekking tot Zijn profeten en dienaren, zij worden door afzonderlijk raadsbesluit tot hun werk aangewezen, en bekwaam gemaakt voor hetgeen waartoe zij aangewezen zijn. Ik heb u gekend en Ik heb u geheiligd. God bestemt hen voor een bepaald doel, en vormt hen er voor, want Hij formeert eerst de geest eens mans in hen. Rechtstreekse begiftiging, geen opvoeding maakt een profeet.
II. Zijn nederige afwijzing van de vererende roeping, vers 6. Ofschoon God hem er toe verkoren had, was het voor hem iets nieuws en een geweldige verrassing, te horen dat hij een profeet zou zijn voor alle volken. Wij weten niet wat God met ons voorheeft, maar Hij weet het. Men zou denken dat hij het zou aangrijpen als een teken van voorkeur, en dat was het, maar hij verzet er zich tegen als tegen een werk, waartoe hij onbekwaam was: "Ach Heere Heere, zie ik kan niet spreken! niet spreken tot grote mannen en menigten, zoals de profeten moeten doen, ik kan niet spreken in fijne stijl en vloeiend, ik kan niet de rechte woorden vinden waarin een boodschap van God moet worden meegedeeld. "Ik kan niet met gezag spreken en mag niet verwachten dat men naar mij luistert want ik ben jong en mijn jeugd zal veracht worden." Het betaamt ons wanneer wij enig werk voor God te verrichten hebben, bevreesd te zijn dat wij het niet goed zullen doen en dat het zal lijden onder onze zwakheid en onbekwaamheid, ook is het onze plicht lage gedachten van onszelf te hebben en niet overtuigd te zijn van onze geschiktheid. Die jong zijn moeten daaraan denken en, evenals Elihu, bevreesd zijn boven hun krachten te gaan.
III. De verzekering, welke God hem genadiglijk gaf, dat Hij hem bijstaan en in zijn werk ondersteunen zou.
1. Hij mag niet tegenwerpen dat hij nog jong is, want hij zal toch profeet zijn, vers 7. Zeg niet langer ik ben jong, want:
a. Gij hebt Gods bevel, en daarom mag uw jeugd u niet verhinderen daaraan te gehoorzamen. Overal waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Of schoon een gevoel van onze eigen zwakheid en onbekwaamheid ons nederig moet maken bij ons werk, mag het ons toch niet terughouden van hetgeen, waartoe God ons roept. God vertoornde zich tegen Mozes juist om zijn nederige verontschuldigingen, Exodus 4 14.
b. Gij hebt Gods nabijheid en daarom mag uw jong-zijn u niet ontmoedigen om daarop te steunen. Ofschoon gij nog jong zijt, zult gij in staat gesteld worden om overal te gaan, waar Ik u zenden zal, al zijn de anderen ook nog zo groot en machtig. En wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Gij zult daartoe oordeel, geheugen en woorden hebben om het te spreken zoals het gesproken moet worden. Samuël bracht aan Eli een boodschap van God over toen hij nog een kind was. God kan wanneer het Hem behaagt, kinderen tot profeten maken, en zich sterkte grondvesten uit de mond van kinderen en zuigelingen.
2. Hij mag niet tegenwerpen dat hij veel vijanden en veel tegenstand ontmoeten zal. God zal zijn beschermer zijn, vers 8. Vrees niet voor hun aangezicht, of schoon zij groot zijn en trachten zullen u te ontmoedigen en van uw stuk te brengen wees niet bevreesd om tot hen te spreken, zelfs niet om hun het onaangenaamste te zeggen. Gij spreekt in de naam van de Koning van de koningen en op Zijn machtiging en daarom zult ge hen tot zwijgen brengen. Ofschoon zij toornig worden, vrees niet voor hun ongenoegen en laat u niet verstoren door overweging van de mogelijke gevolgen. Zij, die een boodschap van God moeten overbrengen, mogen zich niet ontzetten voor de aangezichten van de mensen, Ezechiël 3:9. En gij hebt reden om stoutmoedig en rustig te zijn, want Ik ben met u, niet alleen om u bij te staan in uw werk, maar om u te verlossen uit de handen uwer vervolgers, en zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Indien God Zijn dienaren niet uit hun moeite redt, dan heeft het dezelfde uitwerking indien Hij hen in hun moeiten ondersteunt. Mr. Gataker merkt hier terecht op, Aardse vorsten zijn niet gewoon met hun gezanten mee te gaan, maar God gaat met hen, die Hij zendt, en is met Zijn machtige bescherming altijd en overal met hen, en hiermede mogen zij zich bemoedigen. Handelingen 18:10. 3. Hij mag niet tegenwerpen dat hij niet spreken kan zoals het betaamt, want God zal hem in staat stellen om te spreken.
A. Om verstandig te spreken en als een, die gemeenschap met God heeft, vers 9. Hij had nu een visioen van de goddelijke heerlijkheid. De Heere stak Zijn hand uit, en gaf door een voelbaar teken hem zoveel van de gave van de taal als voor hem nodig was. Hij roerde zijn mond aan, en opende daardoor zijn lippen, opdat zijn mond Gods lof zou verkondigen. En door die aanraking legde God vriendelijk Zijn woorden in Jeremia's mond, zodat hij voor alle gelegenheden gereed was, en hem nooit de woorden zouden ontbreken, nu hij zo bekwaam was door Hem, die de mens de mond gemaakt heeft. God legde niet alleen kennis in zijn hoofd, maar woorden in zijn mond, want het waren woorden, "die de Heilige Geest leert," 1 Corinthiers 2:13. Het betaamt dat Gods boodschap overgebracht wordt in Zijn eigen woorden, opdat ze nauwkeurig overgebracht worde, Ezechiël 3:4. Spreek met Mijn woorden. En zij, die dat doen, zullen nooit zonder het onderricht blijven dat elk bepaald geval vereist, "God zal hun in die ure mond en wijsheid geven", Mattheus 10:19.
B. Om krachtig te spreken als iemand die daartoe door God gemachtigd was, vers 10. Het was een vreemde opdracht, die hem hier gegeven werd: Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken. Dit klinkt zeer groot, en toch was en bleef Jeremia een arme verachte priester, hij is niet over de koninkrijken gesteld als een vorst om met het zwaard te regeren, maar als een profeet door de macht van Gods Woord. Zij, die hieruit bewijzen willen dat de paus hoger dan de koningen staat en door zijn gezag hen naar zijn welgevallen kan aanstellen of afzetten, moeten eerst bewijzen dat bij dezelfde buitengewone gave van profetie als Jeremia heeft, want hoe zou hij de macht hebben die Jeremia had, anders dan door dezelfde geest? En toch zou de macht, die Jeremia bezat, deze trotse mannen niet voldoen, want ondanks zijn macht leefde Jeremia in lage stand, in verachting en onder veel verdrukking. Jeremia was gesteld over de volken, en over het Joodse volk in de eerste plaats, en daaronder zeer grote natiën, tegen welke hij profeteerde. Hij was over hen gesteld, niet om van hen schatting te vorderen of zich met hun buit te verrijken, maar om uit te rukken en af te breken, en te verderven en te verstoren, en evenzeer om te bouwen en te planten.
a. Hij moest pogen de volken te hervormen, door uit te rukken, af te breken en te verstoren hun afgoderij en andere ondeugden, deze boze gewoonten en manieren uit te roeien, die daar zo lang wortel geschoten hadden, neer te werpen het koninkrijk van de zonde, opdat godsdienst en deugd onder hen konden geplant en gebouwd worden. En ten einde die ingang te doen vinden, is het nodig dat eerst het verkeerde weggedaan worde.
b. Hij moest hun mededelen dat het hun goed of kwalijk gaan zou overeenkomstig hetgeen zij waren, al of niet hervormd. Hij moest hun voorhouden leven en dood, goed en kwaad, overeenkomstig Gods mededeling hoe Hij met koninkrijken en volken handelt, Hoofdstuk 18:7 -10. Hij moest hun, die in hun goddeloosheid volhardden, verzekeren dat zij ontworteld en verwoest zouden worden, en hun die berouw toonden, dat zij zouden worden gebouwd en geplant. Hij werd gemachtigd om het vonnis over de volken uit te spreken, en God zou het waarmerken en voltrekken, Jesaja 44:26. God zou doen overeenkomstig Zijn woord en daarom wordt het gezegd te geschieden door Zijn woord. Het wordt zo genoemd eensdeels om aan te tonen hoe zeker het profetisch woord is, -het zal zo zeker geschieden alsof het reeds vervuld was, en ten andere om eer te leggen op de profetische bediening en haar groot aanzien te geven, opdat anderen de profeten niet verachten zullen en zij zichzelf niet onderschatten. En nog eervoller doet zich de Evangelische bediening, voor, in de uitdrukkelijke macht, welke Christus Zijn apostelen gaf om de "zonden te houden of te vergeven," Johannes 20:23, "en om te binden en te ontbinden." Mattheus 18:18.