Exodus 4:10-17
Mozes blijft nog onwillig voor het werk, dat God voor hem bestemd had, tot overtredens toe, want nu kunnen wij het niet meer toeschrijven aan zijn nederigheid of bescheidenheid, maar moeten erkennen dat er al te veel lafhartigheid, traagheid en ongeloof in was.
Merk op:
I. Hoe Mozes zich van dit werk zocht te verontschuldigen.
1. Hij voert aan dat hij geen goed spreker is, vers 10. "Och HEERE! ik ben geen man wel ter tale." Hij was een groot wijsgeer, staatsman en Godgeleerde, maar geen redenaar, een man met een helder hoofd, een groot en diep denker, en van een gezond oordeel, maar hij was niet welbespraakt, kon zich niet gemakkelijk uiten, en daarom achtte hij zich ongeschikt om tot voorname mannen over grote en belangrijke zaken te spreken, in gevaar om door de Egyptenaren tot zwijgen te worden gebracht. Laat ons hierbij opmerken, dat wij de mensen niet moeten beoordelen naar hun vaardigheid in het spreken, Mozes was machtig in woorden, Handelingen 7:22, en toch niet welbespraakt, wat hij zei was sterk en gespierd, en ter zake, en het vloeide als de dauw, Deuteronomium 32:2, hoewel hij in zijn voordracht die vaardigheid, en gemakkelijkheid, en sierlijkheid niet had van sommigen, die toch geen tiende deel hebben van zijn verstand. De rede-of spraak-van Paulus was verachtelijk, 2 Corinthiërs 10:10. Veel wijsheid en grote waarde kan verborgen liggen onder een langzame, aarzelende wijze van spreken.
b. Soms behaagt het God om diegenen als Zijn boodschappers te kiezen, die van nature het minst begaafd zijn, opdat Zijn genade zoveel helderder in hen zal uitblinken. Christus' discipelen waren geen redenaars, voordat de Geest hen tot redenaars had gemaakt.
2. Toen dit zijn bezwaar was teniet gedaan, en al zijn verontschuldigingen weerlegd waren, vroeg hij aan God om iemand anders te zenden om die boodschap te volbrengen en hem in Midian te laten om schapen te hoeden, vers 13. "Doch hij zeide: Och, HEERE! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden." Gij kunt voorzeker iemand vinden, die er veel meer geschikt voor is dan ik. Een onwillig hart zal de armzaligste verschoning aangrijpen, en zal een werk, waarin moeilijkheid en gevaar gelegen is, graag op iemand anders schuiven.
II. Hoe God zich verwaardigt om op al zijn verontschuldigingen te antwoorden, hoewel de toorn des HEEREN over hem was ontstoken, vers 14, bleef Hij toch met hem redeneren, totdat Hij hem had overwonnen. Zelfs het wantrouwen van onszelf zal, als het te ver gaat en ons of afhoudt van onze plicht, of ons belemmert in het doen van onze plicht, of ons de moed beneemt om afhankelijk te zijn van God, Hem zeer mishagen. Gods toorn wordt terecht ontstoken door onze onwilligheid om Hem te dienen, en Hij heeft alle reden om dit erg verkeerd aan te merken, want Hij is zo'n weldoener, dat Hij ons vooruit is, en zo'n beloner dat Hij nooit achterstallig bij ons is. God is terecht boos op hen, die Hij toch niet verwerpt, Hij verwaardigt zich om zelfs met zijn ondeugende kinderen de zaak te beredeneren en overwint hen, zoals Hij hier Mozes overwonnen heeft, met genade en goedheid.
A. Tegenover de zwakheid van Mozes herinnert Hij hem hier aan Zijn eigen macht vers 11. a. Zijn macht in wat Mozes als bezwaar aanvoert: "En de HEERE zeide tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?" Mozes wist dat God de mens gemaakt heeft, maar nu moet hij er aan herinnerd worden dat God de mens de mond gemaakt heeft. Als wij het oog hebben op God als Schepper, zal ons dit helpen over zeer veel van de moeilijkheden, die zich voordoen op de weg van onze plicht, Psalm 124:8. Als Schepper van de natuur heeft God ons het vermogen gegeven van de spraak, en van Hem, de fontein van alle gaven en genade, komt de bekwaamheid om goed te spreken, de mond en wijsheid, Lukas 21:15, de tong van de geleerden, Jesaja 50:4, Hij stort genade uit in de lippen, Psalm 45:3.
b. Zijn macht in het algemeen over de andere vermogens, wie anders dan God heeft de stomme of dove of ziende of blinde gemaakt?
Ten eerste. De volkomenheid van onze vermogens is Zijn werk, Hij maakt de ziende, Hij formeerde het oog, Psalm 94:9- "Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden." Lukas 24, 45.
Ten tweede. Ook de onvolkomenheid er van is van Hem, Hij maakt de stomme en dove en blinde. Is er enig kwaad van die aard en heeft de HEERE het niet gedaan? Ongetwijfeld heeft Hij het gedaan en steeds in wijsheid en rechtvaardigheid en tot Zijn verheerlijking Johannes 9:3. Farao en de Egyptenaren werden geestelijk doof en blind gemaakt, zoals Jesaja 6:9, 10. Maar God wist hoe met hen te handelen en eer door hen te verkrijgen.
B. Om hem te bemoedigen in zijn grote onderneming, herhaalt Hij de belofte van Zijn tegenwoordigheid, niet alleen in het algemeen: "Ik zal met u zijn", Exodus 3:12, maar in het bijzonder: "Ik zal met uw mond zijn, zodat de onvolkomenheid van uw spraak geen nadeel zal opleveren voor uw boodschap." Het blijkt niet dat God dit gebrek- waarin het ook moge bestaan hebben-onmiddellijk heeft weggenomen, maar Hij deed wat er mee gelijk stond: Hij leerde hem wat hij moest zeggen, en liet dan de zaak zichzelf aanbevelen, indien anderen met meer sierlijkheid hebben gesproken, heeft toch niemand met meer macht gesproken. Zij, die door God gebruikt worden om voor Hem te spreken, moeten tot Hem gaan om instructies, en het zal hun gegeven worden wat zij zullen spreken, Mattheus 10:19.
C. Hij voegt hem Aäron toe voor zijn opdracht. Hij belooft dat Aäron hem te van zijn tijd zal ontmoeten, en dat deze blij zal zijn hem te zien, daar zij waarschijnlijk elkaar in vele jaren niet gezien hadden, vers 14. Hij beveelt hem Aäron als zijn woordvoerder te gebruiken, vers 16. God zou Mozes wegens zijn onwilligheid om gebruikt te worden geheel opzij kunnen zetten, maar Hij heeft zijn zwakheid in aanmerking genomen, en geeft hem een helper.
Merk op:
a. Dat twee beter zijn dan één, Prediker 4:9. God zal Zijn twee getuigen hebben, Openbaring 13:3, opdat uit hun mond ieder woord bestaan zal.
b. Aäron was de broer van Mozes, de Goddelijke wijsheid beschikte het zo, dat hun natuurlijke genegenheid voor elkaar hun eenheid zou versterken bij de gezamenlijke uitvoering van hun opdracht. Christus heeft Zijn discipelen twee aan twee uitgezonden, en sommigen van die paren waren broeders. c. Aäron was de oudste broer, en toch was hij bereid en gewillig om onder Mozes gebruikt te worden in deze zaak omdat God het zo wilde. d Aäron kon goed spreken, en toch was hij de mindere van Mozes in wijsheid. God deelt Zijn gaven verschillend uit aan de kinderen van de mensen, opdat wij zien zullen hoe wij elkaar nodig hebben, en ieder iets zal kunnen bijdragen tot welzijn van het geheel, 1 Corinthiërs 12:21. De tong van Aäron met het hoofd en het hart van Mozes zou iemand volkomen geschikt maken voor dit gezantschap. God belooft: "Ik zal met uw mond en zijn mond zijn." Zelfs Aäron, die goed kon spreken, kon toch niet ter zake spreken, tenzij God met zijn mond was, zonder de voortdurende hulp van de Goddelijke genade zullen de beste gaven het doel nog missen.
D. Hij beveelt hem de staf in zijn hand mee te nemen, vers 17, om aan te duiden dat hij zijn onderneming eerder door doen dan door spreken ten uitvoer zal brengen. De tekenen, die hij met deze staf doen zal, zullen ruim opwegen tegen zijn gebrek aan welsprekendheid, een wonder zal hem meer dienst doen dan al de redekunde van de wereld. "Neem deze staf", de staf, die hij droeg als herder, opdat hij zich de geringe staat niet zou schamen, waaruit God hem riep. Deze herdersstaf moet zijn staf van gezag zijn, en moet hem beide tot zwaard en tot scepter dienen.