Exodus 3:11-15
God, tot Mozes gesproken hebbende, geeft ook hem vrijheid tot spreken, waarvan hij hier gebruik maakt, en
I. Hij wijst op zijn onbekwaamheid voor de dienst waartoe hij wordt geroepen, vers 11. "Wie ben ik"? Hij acht zich die eer onwaardig, en niet par negotio-er niet tegen opgewassen. Hij denkt dat hij er geen moed voor heeft, en dus niet tot Farao kon gaan met een eis, die hem het hoofd zou kunnen kosten. Hij denkt dat hem verstand en beleid ontbreken, en dat hij de kinderen Israëls dus niet uit Egypte kon voeren. Zij zijn ongewapend, aan geen tucht gewend, helemaal ontmoedigd, ten enenmale onbekwaam om zichzelf te helpen, het is gewoon onmogelijk hen uit te leiden.
1. Mozes was, onder allen die toen leefden zonder enige vergelijking, het geschiktst voor dit werk, uitmuntend in geleerdheid, wijsheid, ervaring, kloekmoedigheid, geloof en heiligheid, en toch zegt hij: "Wie ben ik?" Hoe geschikter iemand is voor de dienst, hoe lager dunk hij gewoonlijk van zichzelf heeft, zie Richteren 9:8 en verv.
2. De moeilijkheden, aan dit werk verbonden, waren inderdaad erg groot, groot genoeg om zelfs de moed en het geloof van een Mozes te verschrikken. Zelfs zij, die als verstandige en gelovige werktuigen tot heil van de kerk gebruikt worden, kunnen wel in het eerst ontmoedigd zijn door de moeilijkheden, die zich voordoen.
3. Mozes was vol van moed toen hij de Egyptenaar versloeg, maar nu ontzonk hem de moed, want Godvruchtige mensen zijn niet altijd even ijverig en stoutmoedig.
4. Toch is Mozes de man, die het eindelijk doet, want God geeft de nederige genade. Een bescheiden begin is een zeer goed voorteken.
II. God beantwoordt zijn tegenwerping, vers 12.
1. Hij belooft hem Zijn tegenwoordigheid, "Ik zal voorzeker met u zijn," en dat is genoeg. Zij, die zwak zijn in zichzelf, kunnen nog wonderen doen als zij krachtig zijn in de HEERE en in de sterkte van Zijn macht, en zij, die het minste vertrouwen hebben in zichzelf kunnen het meeste vertrouwen hebben in God. Gods tegenwoordigheid geeft eer aan de onwaardigen, wijsheid en kracht aan de zwakken en dwazen, maakt dat de grootste moeilijkheden tot niet worden, en is genoeg om alle tegenwerpingen tot zwijgen te brengen.
2. Hij verzekert hem welslagen, en speciaal dat zij op deze berg God zullen aanbidden. Die verlossingen zijn het kostelijks die ons een deur openen van vrijheid om God te aanbidden. Als God ons gelegenheid en een hart geeft om Hem te dienen, dan is dit een gelukkige, bemoedigende voorproef van nog verdere voor ons bestemde zegeningen.
III. Hij verzoekt om instructies voor de uitvoering van zijn opdracht, en ontvangt ze. Hij verlangt te weten bij welke Naam God zich nu bekend wil maken, vers 13.
1. Hij veronderstelt dat de kinderen Israëls hem zullen vragen: "Hoe Zijn naam?" Die vraag zullen zij doen, hetzij: a. Om Mozes in verlegenheid te brengen, want hij voorzag moeilijkheden, niet alleen in zijn handelen met Farao, om van hem toestemming te verkrijgen voor hun vertrek, maar ook in het handelen met hen om hen gewillig te maken om te vertrekken. Zij zullen bezwaar maken en geneigd zijn tot vitten en bedillen, zij zullen hem vragen zijn geloofsbrieven over te leggen, en waarschijnlijk zal dit de op-de-proefstelling zien: "Kent hij de Naam van God? Heeft hij het wachtwoord?" Eens werd hem gevraagd: Wie heeft u tot een overste of rechter over ons gezet? Toen had hij geen antwoord gereed, en hij wilde niet weer aldus in verlegenheid worden gebracht, maar kunnen zeggen in wiens naam hij kwam.
b. Zij zullen hem die vraag doen voor hun eigen inlichting. Het is te vrezen dat zij in Egypte zeer onwetend waren geworden, waartoe heeft medegewerkt hun harde arbeid, hun gebrek aan leraren en hun verlies van de Sabbat zodat hun nog de eerste beginselen van de orakelen Gods geleerd moesten worden. Of wel: de vraag: "Wat is Zijn naam?" was zoveel als een vragen naar de aard van de bedeling, die zij nu hadden te wachten: "Hoe zal God er ons in bekend worden, en waarop kunnen wij van Hem staatmaken?"
2. Hij verlangt instructies voor het antwoord dat hij hun zal geven. "wat zal ik tot hen zeggen?", op welke naam zal ik mij beroepen tot een bewijs van mijn gezag? Ik moet iets groots, iets buitengewoons tot hen zeggen, wat zal dit wezen? Indien ik gaan moet, zo laat mij volledige instructies hebben, opdat ik niet tevergeefs loop. Het is van het grootste belang voor ons om in de Naam van God tot de mensen te spreken, en er goed op voorbereid te zijn. Zij, die willen weten wat zij moeten zeggen, moeten tot God gaan, tot het Woord van Zijn genade en tot de troon van de genade om instructies te verkrijgen, Ezechiël 2:7, 3:4, 10:17. Wanneer wij ook iets te doen hebben met God, altijd is het wenselijk om te weten en onze plicht om te bedenken wat Zijn Naam is.
IV. God geeft hem direct volledige instructies omtrent deze zaak: bij twee Namen wil God bekend zijn.
1. Bij een NAAM, die aanduidt wat Hij is in zichzelf, vers 14. "IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL!" Dit verklaart Zijn NAAM Jehova, en betekent:
a. Dat Hij uit zichzelf bestaat, van niemand afhankelijk is. De grootste en beste mens ter wereld moet zeggen: Door de genade Gods ben ik wat ik ben, maar onze God zegt het volstrekt en onbepaald. En het is meer dan enig schepsel, mens of engel zeggen kan: "Ik ben wat Ik ben", uit zichzelf bestaande kan het niet anders of Hij moet ook in zichzelf genoegzaam zijn, en de onuitputtelijke fontein van leven en zaligheid wezen.
b. Dat Hij eeuwig is en onveranderlijk, en altijd dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid zal Hij zijn wat Hij zijn zal en wat Hij is, zie Openbaring 1:8.
c. Dat wij hem door geen vragen of zoeken kunnen ontdekken, het is een NAAM, die alle vrijpostig of nieuwsgierig vragen naar God in bedwang houdt, en inderdaad zegt: Waarom vraagt gij dus naar Mijn NAAM, daar die toch een geheim is, Richteren 13:18. Spreuken 30:4. Vragen wij: Wat is God? Het zij ons genoeg te weten dat Hij is wat Hij is, wat Hij altijd was, en altijd zijn zal. "Wat een klein stukje van de zaak hebben wij van Hem gehoord?" Job 26:14. d. Dat Hij waar is en getrouw aan al Zijn beloften, onveranderlijk in Zijn woord zowel als in Zijn wezen, en geen man, dat Hij zou liegen. Laat Israël dit weten: "IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!"
2. Een NAAM, die te kennen geeft wat Hij is voor Zijn volk. Opdat die NAAM, IK BEN hen niet in spanning of onzekerheid zou houden wordt hem verder gezegd om ook gebruik te maken van een andere Naam van God, die hun meer gemeenzaam bekend en ook begrijpelijker voor hen is, vers 15. De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob heeft mij tot ulieden gezonden, dat is mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht." Aldus heeft God zich aan hem bekend gemaakt, vers 6, en aldus moet hij Hem aan hen bekend maken:
a. Ten einde de Godsdienst van hun vaderen onder hen te doen herleven, want het is te vrezen dat die zeer in verval onder hen was geraakt, ja bijna verloren was. Dat was nodig om hen toe te bereiden voor hun verlossing Psalm 80:20.
b. Ten einde hun verwachting op te wekken van de spoedige vervulling van de beloften, gedaan aan hun vaderen. Abraham, Izaak en Jakob worden speciaal genoemd omdat met Abraham het verbond het eerst werd opgericht, dat met Izaak en Jakob dikwijls en nadrukkelijk werd vernieuwd, en deze drie werden onderscheiden van hun broeders en verkoren om de bewaarders te zijn van het verbond, toen hun broeders verworpen werden. God wil dit tot Zijn Naam hebben in eeuwigheid en het was en is en zal zijn de Naam, bij welke de aanbidders Hem kennen en onderscheiden van alle valse goden, zie 1 Koningen 18:36. Gods verbondsbetrekking tot Zijn volk is wat Hij steeds indachtig zal zijn, waarin Hij roemt, en dat Hij wil dat wij nooit zullen vergeten, maar er Hem de eer van zullen toebrengen. Indien Hij wil dat dit van geslacht tot geslacht Zijn gedachtenis is, dan is er alle reden voor ons om het ook tot onze gedachtenis te maken, wat zij is heerlijk en kostelijk.