Ezechiël 39:8-22
Hoezeer deze profetie haar vervulling eerst in de laatste dagen zal bereiken, wordt ze hier besproken als ware ze reeds vervuld, omdat ze zeker is, vers 8. Zie, het komt en zal geschieden, het zal zo zeker gedaan worden, als de tijd zal komen als ware het reeds gedaan, `dit is de dag, van welke Ik lang en dikwijls gesproken heb. Zo werd het Johannes meegedeeld, Openbaring 21:6 :"Het is geschied. Om voor te stellen, hoe groot de vlucht van het leger van Gog zijn zal, worden hier drie dingen afzonderlijk als de gevolgen ervan genoemd. Het was God zelf, die de nederlaag bewerkte, wij vinden niet, dat het volk Israëls een zwaard trok of een slag sloeg, maar:
I. Zij zullen hun wapens verbranden, vers 9 hun schilden en rondassen, hun bogen en pijlen hun handstokken en spiesen, alles wat maar brandbaar is. Zij zullen ze niet samenbrengen in hun tuighuizen, noch voor eigen gebruik bewaren, opdat zij niet verzocht worden er op te gaan steunen, maar ze verbranden, niet alles ineens, als een vreugdevuurtje (waartoe zou dat verspillen dienen?) maar als er aanleiding toe is als brandstof in hun huizen, inplaats van ander brandhout, zodat zij niet naar het woud behoeven te gaan, geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden hakken, en dat zeven jaar lang, vers 10. Zulke aanzienlijke hoeveelheden wapentuig zullen daar blijven liggen op de velden, waar de vijanden gevallen, en langs de wegen, waardoor zij gevlucht zijn. De wapenen waren droog en beter voor het vuur dan groen hout, en door het hout in hun wouden en kreupelbosjes te sparen, gaven zij het tijd, hoger op te schieten. Ofschoon de bergen Israëls overvloed van allerlei goede dingen voortbrengen, toch past het `t volk Israël, goede rentmeesters voor die overvloed te zijn en te sparen ten bate van die na hen komen zullen, naar de Voorzienigheid hun daartoe gelegenheid geeft. Wij kunnen veronderstellen, dat degenen, die in de steden van Israël woonden, te voorschijn kwamen om te beroven die hen beroofd hadden en verhaal op hen te halen. Zij vonden goud, zilver en ornamenten, toch wordt niets bijzonder vermeld, dat zij voor eigen gebruik namen, behalve het hout van de wapenen voor brandstof, wat bepaald noodzakelijk is voor `s mensen leven, om ons te leren, dat het genoeg is de benodigdheden des levens te hebben, al bezitten wij weinig van zijn genot en weelde, die wij ook missen kunnen. En telkens, als zij brandstof op het vuur wierpen en zich daarbij warmden, werd hun herinnerd, hoe talrijk en sterk hun vijanden waren en welk gevaar zij altijd liepen, in hun handen te vallen, opdat hun hart met dankbaarheid zou vervuld worden jegens God, die hen zo wonderlijk, zo ter rechter tijd had verlost. Wanneer zij om het vuur zaten met hun kinderen bij hen (hun hoekje van de haard), dan kon dit hun aanleiding geven, hun kinderen te vertellen, welke grote dingen God voor hen had gedaan.
II. Zij zullen hun doden begraven. Gewoon vraagt de vijand na de slag, wanneer velen gedood zijn, tijd om zijn eigen doden te begraven. Maar hier zal de slachting zo algemeen zijn, dat er niet genoeg vijanden overblijven om dat te doen. En bovendien, de lijken liggen zo verspreid op de bergen Israëls, dat het heel wat tijd zou vereisen, ze bijeen te zoeken. Daarom wordt het huis Israëls opgedragen, ze te begraven als een zekere triomf voor hun nederlaag.
1. Een plaats zal voor de begrafenis aangewezen worden, "het dal van de doorgangers naar het oosten van de zee," hetzij de Dode Zee, hetzij die van Tiberias, een dal, dat ruimte genoeg bood om reizigers van Egypte en Chaldea heen en weer door te laten. Er zal zo'n menigte dode lichamen zijn, boven de grond ontbindende, zo'n vreselijke stank, dat de reizigers, die die weg gaan, de neus zullen verstoppen Zie, waaraan ons lichaam eens blootstaat, wanneer de ziel het nog maar even verlaten heeft, wordt de reuk ondraaglijk, en geen reuk is hinderlijker of walgelijker. Derhalve daar, waar de meeste verslagenen liggen, zal de begraafplaats zijn. In de plaats, waar de boom valt, daar zal hij liggen. En het zal genoemd worden het dal van Gogs menigte, want dat vooral moest niet vergeten worden. Hoe talrijk is de vijandelijke macht, die God had verslagen en verdaan ter bescherming van Zijn volk Israël!
2. Een belangrijke tijd zal besteed worden aan die begrafenis, niet minder dan zeven maanden, vers 12, waarin een nieuwe aanwijzing ligt van het grote aantal van de verslagenen des Heren in deze strijd, en van de grote zorg van de zijde van het huis Israëls om niemand onbegraven te laten, opdat zo het land zou gereinigd worden van de ontwijding, veroorzaakt door zo'n grote menigte onbegraven lijken. Om dat te voorkomen, was bepaald, Deuteronomium 21:23, "dat het dode lichaam eens gehangen aan het hout niet zou overnachten, maar er op dezelfde dag afgenomen en begraven worden". Dat betekent, dat tijden van buitengewone verlossing ook tijden van reformatie zouden zijn. Hoe meer God heeft gedaan om een land van verwoesting te verlossen, des te meer behoren ook zijn bewoners te doen om het van alle zonde te reinigen.
3. In grote getale zal men aan dit werk deelnemen, al het volk des lands zal begraven, zal de behulpzame hand bieden, vers 13. Zie iedereen moet zoveel mogelijk bijdragen tot zuivering van het land van alles wat ergernis verwekt. De zonde is de algemene vijand, tegen wie iedereen de wapenen moet opnemen. (In publico discrimine unusquisque homo miles est, in tijden van algemeen gevaar is ieder man soldaat.) En wie ook in dit werk mededoet, het zal hun tot een naam wezen, al schijnt het ambacht van doodgraver of straatveger een min handwerk te zijn, het helpt mee om het land rein te houden en is hun een ere. Zie, daden van menselijkheid rekenen mee om Gods Israël een naam te maken, het verheft de godsdienst, wanneer zijn belijders tot ieder goed werk bereid zijn, en een goed werk is: de doden te begraven, ja al waren het vreemdelingen en vijanden van het rijk Israëls want zelfs zij zullen weer opstaan. "Het zal hun een naam zijn ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn." Zie het verheerlijkt God, wanneer Zijn Israël doet wat zijn belijdenis versiert, "anderen zullen Zijn goede werken zien en Zijn Vader, die in de hemelen is, verheerlijken," Mattheus 5:15. En wanneer God wordt verheerlijkt, straalt die heerlijkheid ook op Zijn volk af. Zijn heerlijkheid is hun een naam.
4. Sommige bijzondere personen maken er hun werk van, dode lichamen op te zoeken of ook iets anders, dat onbegraven blijft. Het volk des lands zal spoedig moe worden, de onreinigheid van de velden en bergen te begraven, en daarom zullen mannen aangesteld worden, wier doorgaande bezigheid dat zal zijn, die dus niets anders doen dan het land door en door reinigen, want anders, wat ieders werk is wordt licht niemands werk. Zie, degenen, die een openbaar werk hebben, vooral in de reinigingsdienst, moeten mannen zijn, die er hun hele tijd aan wijden, die zich er geheel aan geven en er zich op gaan verstaan, en degenen, die goed willen doen wanneer en waar zij maar gelegenheid vinden voortdurend bezig zijn.
5. Zelfs de doorgangers zullen gaarne informatie geven aan hen, die het land reinigen, aangaande de openbare onreinheden, die zij op hun weg ontmoeten, en hun bijstand inroepen. Zij, die het land doortrekken, hoewel zij zelf de doden niet begraven, om niet zichzelf te verontreinigen, zullen aanbrengen wat zij onbegraven hebben gevonden. Al bemerken zij maar een been, zo zullen zij een merkteken daarbij oprichten, totdat de doodgravers het zullen hebben begraven, opdat anderen zich in acht nemen totdat het is begraven, waarom de graven onder de Joden gepleisterd werden om de lieden op een afstand te houden. Zie, als iets goeds moet gedaan worden, behoort ieder daaraan mee te helpen, zelfs de doorgangers, die niet moeten denken, dat de algemene ellende of een algemene ongerechtigheid hen niet aangaat, en dat zij niet mogen helpen er een eind aan te maken. Zij, die het land hebben te reinigen moeten niets onreins laten liggen, al ware het geen geheel lichaam, maar slechts een mensenbeen dat onbegraven gevonden werd, dan moeten zij het wegnemen en opruimen. Ja, zelfs aan het einde van de zeven weken, die voor de arbeid bestemd waren, zullen zij nog onderzoek doen, na nauwkeurig hun werk gedaan te hebben, kan er wel nog iets onopgemerkt gebleven zijn of later voor de dag gekomen. Er mag volstrekt niets onreins overblijven, wat verborgen is moet aan het licht gebracht worden, zij moeten alle ongerechtigheid naspeuren, totdat zij niets meer kunnen vinden. Ter gedachtenis moeten zij hun stad een nieuwen naam geven, en wel "Hamma", (de menigte.) O welk een menigte dode lichamen hebben zij hier begraven! Alzo zullen zij het land reinigen, met alle mogelijke zorg en moeite, vers 16. Zie, na de overwinning moet de reiniging komen. Mozes beval die Israëlieten, die in de strijd tegen de Midianieten gediend hadden, zich te reinigen, Numeri 31:24. Bijzondere gunst van God ontvangen hebbende, laat ons onszelf reinigen van alle onreinheid.
III. Roofvogels en roofdieren zullen op de lijken van de verslagenen neerstrijken, terwijl zij nog niet begraven zijn, en het zal niet mogelijk zijn, ze te verjagen, vers 17 enz. Onder dit beeld vinden we een grote slachting voorgesteld, Openbaring 19:17 enz., wellicht ontleend aan dit hoofdstuk.
1. Een algemene oproep wordt vernomen vers 17, gericht tot het gevogelte van allen vleugel en tot al het gedierte des velds, van de grootste tot de kleinste, van de arend tot de raaf, van de leeuw tot de hond, om van alle zijden neer te komen op dit overvloedige aas, er is genoeg voor een menigte, en alle zijn welkom. Laat ze komen tot Gods slachtoffer, tot Zijn feestmaal, gelijk de Engelse kanttekening zegt. Zie, de oordelen Gods, die over de zonde en de zondaars gebracht worden, zijn zowel een slachtoffer als een feest, een slachtoffer aan Gods gerechtigheid, en een feest van geloof en hoop voor Gods volk. "Toen God de koppen van de Leviathans had verpletterd, heeft Hij hem tot spijze gegeven aan het volk in dorre plaatsen, aan Zijn Israël", Psalm 74:14. "De rechtvaardige zal zich verheugen als op een feest, wanneer hij de wraak ziet en zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddelozen." Dit slachtoffer wordt gebracht op de bergen Israëls, de hoge plaatsen, waar altaren waren gebouwd en het volk God onteerd had door zijn afgoderijen, waar Hij Zich nu zal verheerlijken door de verwoesting van Zijn vijanden.
2. Grote toebereidselen worden gemaakt. Zij zullen eten het vlees van de helden en drinken het bloed van de vorsten van de aarde, vers 18, 19.
a. Het is vlees en bloed van mensen, waarop zij onthaald zullen worden. Dit is soms een voorbeeld van opstand van de lagere schepselen tegen de mens, hun heer en meester, een gevolg van diens opstand tegen zijn God en Maker.
b. Het is het vlees en bloed van de groten der aarde, hier "rammen en lammeren en bokken en varren, allemaal gemesten van Basan genoemd". Op het bloed van de vorsten van de aarde" onthalen zij zich. Welk een diepe vernedering voor de prinsen van de bloede, gelijk zij zich heten, als God dat bloed dat vorstelijke bloed, dat door hun aderen vloeit, tot spijs van vogels en dieren des velds stelt!
c. Het is het vlees en bloed van goddelozen, vijanden van God en Zijn volk, waartoe dat gedierte wordt genodigd. Zij hadden Israël als slachtschapen geacht, en nu worden ze dat zelf, "zij hadden de dode lichamen van Gods knechten aan het gevogelte des hemels tot spijze gegeven, het vlees van Zijn gunstgenoten aan het gedierte des lands," Psalm 78:2, en nu treft hen gelijk lot.
3. Zij zullen allen gevoed en verzadigd worden, vers 19, 20:Gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe. Het slachtoffer is groot en het offerfeest insgelijks: gij zult aan Mijn dis vervuld worden. Zie, God bereidt de tafel voor Zijn lagere schepselen, Hij verschaft voedsel voor alle vlees. Aller ogen wachten op Hem, en Hij vervult hun begeerten, Hij houdt een rijke tafel. En als de vogels en beesten aan Zijn tafel worden gevoed, aan de tafel, die Hij bereid heeft, hoeveel te meer worden Zijn kinderen overvloedig verzadigd van de goedheid Zijns huizes, van Zijn heiligen tempel. Zij worden verzadigd van rijpaarden en wagenpaarden, dat is: degenen, die op wagens reden, mannen van geweld, krijgslieden, die over andere volken getriomfeerd hebben, en over wie zich nu de raven van de beek en de jongen van de arend blij maken, Spreuk. 30:17. Zij meenden, in het Israël Gods een gemakkelijke prooi te vinden, en worden nu zelf een gemakkelijke prooi van vogelen en beesten. Zie, hoe het kwaad de zondaars vervolgt, zelfs na hun dood. Dat hun dode lichamen als een prooi blijven liggen, is een type en teken van die verschrikkingen, die na hun dood hun consciëntie zullen pijnigen (de poëzie vergelijkt het met een gier, die voortdurend aan het hert pikt), en deze schande is slechts een beeld van en waarschuwing voor de eeuwige schande, waartoe zij eenmaal zullen ontwaken, Daniël 12:2.
IV. Het zal strekken tot meerdere eer van God en tot troost en voldoening van Zijn volk.
1. Het zal Gods eer bevestigen, want de heidenen zullen hierdoor leren verstaan, dat Hij de Here is, vers 21 :Alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb en daardoor zal Mijn eer onder hen gesteld worden. Meer dan ooit zal onder hen erkend en bevestigd worden, dat de God Israëls een groot en heerlijk God is. Hij is als zodanig bekend onder de heidenen, die Zijn geschreven Woord niet hebben of niet lezen, door de oordelen, die Hij doet.
2. Het zal Zijn volk tot troost en voldoening strekken, want hierdoor zullen zij beter leren verstaan, dat Hij hun God is, vers 22. Die van het huis Israëls zullen weten en tot hun troost al helderder inzien, dat Ik de Here, hunlieder God ben, van die dag en voortaan.
a. Hij zal dat zijn van die dag en voortaan. Gods tegenwoordige barmhartigheden zijn waarborgen en verzekeringen van meerdere genade. Als God ons duidelijk laat zien, dat Hij onze God is, dan verzekert Hij ons, dat Hij ons nimmer verlaten zal. Deze God is onze God, eeuwiglijk en altoos.
b. Zij zullen het van die dag en voortaan met meer voldoening weten. Zij hebben wel eens de vraag op de lippen gehad, of de Here met hen was of niet, maar de gebeurtenissen van die dag zullen al die twijfel tot stilzwijgen brengen, de zaak wordt nu duidelijk en helder gemaakt, en er is voor het vervolg geen twijfel meer mogelijk. Alle eigen roem is voor immer buitengesloten, en de roem in God voor altijd verzekerd.