Psalm 74:12-17
De treurende, klagende kerk grijpt hier iets aan, dat zij zich te binnen brengt en daarom heeft zij hoop, zoals Klaagliederen 3:21,. waarmee zij zich bemoedigt en haar klachten tot zwijgen brengt.
Twee dingen brengen hier het hart tot kalmte van hen, die treuren om de plechtige vergadering.
I. Dat God de God is van Israël, een God in verbond met Zijn volk, vers 12. Evenwel is God mijn Koning van ouds af. Dit wordt hier te pas gebracht als een pleitgrond in het gebed tot God, Psalm 44:5 :Gij zijt mijn Koning, o God, en als een steun voor hun geloof en hun hoop een aanmoediging om verlossing te verwachten, bij de gedachte aan de dagen van ouds, Psalm 77:6. De kerk spreekt als een samengesteld lichaam, in iedere eeuw dezelfde en daarom noemt zij God "Mijn Koning, mijn Koning van ouds af," of "Van de oudheid af" Hij heeft zich van oudsher in die betrekking tot hen gesteld, is in die betrekking voor hen opgetreden, heeft in die betrekking voor hen gehandeld. Als Israëls Koning heeft Hij verlossingen gewerkt in het midden van de volken van de aarde, want hetgeen Hij deed in het bestuur en de regering van de wereld strekte tot heil en verlossing van Zijn kerk.
Er worden hier verscheidene dingen genoemd, die God gedaan heeft voor Zijn volk als hun Koning van ouds af, die hen aanmoedigden om zich op Hem te verlaten, zich aan Hem toe te vertrouwen.
1. Hij had de zee voor hen gekliefd, toen ze uit Egypte kwamen, niet door de kracht van Mozes of van zijn staf, maar door Zijn eigen sterkte, en Hij die dat kan doen, kon alles doen.
2. Hij had Farao en de Egyptenaren verdelgd, Farao was de leviathan, de Egyptenaren waren de draken, woest en wreed.
Merk op,
A. De overwinning, die over deze vijanden behaald werd, God verpletterde hun hoofd verijdelde hun staatkunde, hun beleid, zoals toen de Israëlieten, hoe meer zij verdrukt werden, hoe meer zij vermenigvuldigden. God vernietigde hun macht, verdierf hun land door tien plagen, en ten laatste heeft Hij hen doen verdrinken in de Rode Zee. "Dat is Farao en zijn gehele menigte," Ezechiël 31:18. Het was van de Heere geschied, niemand buiten Hem kon het doen en Hij heeft het gedaan met een sterke hand en een uitgestrekte arm. Dit was een type van Christus' overwinning over Satan en zijn rijk ingevolge de eerste belofte, dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen.
B. Het gebruik van deze overwinning gemaakt ter bemoediging van de kerk: Gij hebt hem den volke van Israël tot spijs gegeven, nu zij dorre plaatsen gingen bewonen. De roof van de Egyptenaren heeft hen verrijkt, zij beroofden hun verslagenen, en aldus verkregen zij de wapenen van de Egyptenaren, zoals zij tevoren hun gouden en zilveren vaten hadden verkregen. Of liever: deze beschikking van Gods voorzienigheid was spijs voor hun geloof en hun hoop, om hen te steunen en te bemoedigen met betrekking tot de andere moeilijkheden, die zij waarschijnlijk op hun weg door de woestijn zouden ontmoeten. Het was een deel van de geestelijke spijs, die hun allen te eten werd gegeven. Het verpletteren van de koppen van de vijanden van de kerk is de blijdschap en de kracht des harten van de vrienden van de kerk. Zo zullen de metgezellen zelfs van de leviathan een maaltijd bereiden, Job 40:15.
C. God had op beiderlei wijze de loop van de natuur veranderd, namelijk door stromen waters te doen voortkomen uit de rots, en door de stromen in een rots te verkeren, vers 15..
a. Hij had de rots opgelost tot wateren. Gij hebt de fontein en de vloed doen uitkomen, zo lezen het sommigen, en iedereen weet waar zij uit tevoorschijn gebracht werden, namelijk uit de rots, uit de kei van de rots. Laat dit nooit worden vergeten, maar laat het zeer bijzonder in de herinnering worden gehouden, dat de rots was Christus, en dat de wateren, die er uit voortkwamen, geestelijke drank waren.
b. Hij had de wateren doen stollen tot een rots. Gij hebt sterke rivieren, snelvlietende rivieren, inzonderheid de Jordaan, uitgedroogd, op een tijd van het jaar wanneer zij vol was aan al haar oevers. Hij, die deze dingen gedaan heeft, kan thans Zijn verdrukt volk verlossen en het juk hunner verdrukkers verbreken, zoals Hij tevoren gedaan heeft, ja Hij zal het doen, want zijn gerechtigheid en waarheid, Zijn goedheid en wijsheid zijn nog dezelfde, zowel als Zijn macht.
II. Dat de God Israëls de God is van de natuur vers 16, 17. Hij is het, die de regelmatige opvolgingen en omwentelingen regelt:
1. Van dag en nacht, Hij is de Heere van al de tijd, de avond en de morgen zijn door Hem verordineerd, Hij is het, die de oogleden van het morgenlicht opent en de gordijnen van de avondschaduw toetrekt. Hij heeft de maan en de zon bereid, zo lezen het sommigen, de twee grote lichten, om beurtelings heerschappij te voeren over de dag en de nacht. Het bereiden van deze duidt haar voortdurend gereed zijn aan, en haar nauwkeurig waarnemen van de tijd, waarvan zij nooit een ogenblik afwijken.
2. Van zomer en winter. Gij hebt al de palen van de aarde gesteld, en het onderscheidene klimaat van haar onderscheidene luchtstreken, want Gij hebt de zomer en de winter gemaakt, de bevroren en de verzengde luchtstreek, of liever, de gestadige omwentelingen van het jaar en zijn onderscheidene seizoenen. Hierin moeten wij God erkennen, van wie al de wetten en krachten van de natuur komen. Maar hoe wordt dit nu hier te pas gebracht?
a. Hij die in den beginne de macht had om die loop van de natuur vast te stellen, en nog heeft om hem in stand te houden, door de dagelijkse en jaarlijkse bewegingen van de hemellichamen, heeft gewis alle macht om te behouden en te verderven, en voor Hem is niets onmogelijk, geen moeilijkheden en geen tegenstand zijn voor Hem onoverkomelijk.
b. Hij, die getrouw is aan Zijn verbond van de dag en de nacht, en de ordeningen des hemels in stand houdt zal gewis Zijn belofte aan Zijn volk vervullen, en degenen, die Hij verkoren heeft, nooit verlaten of verstoten, Jeremia 31:35, 36, 33:20-21. Zijn verbond met Abraham en zijn zaad is even vast als dat met Noach en zijn zonen, Genesis 8:21.
c. Dag en nacht, zomer en winter in de loop van de natuur omgewisseld wordende in al de landpalen van de aarde, kunnen wij niet anders verwachten dan dat beroering en vrede, voorspoed en tegenspoed op dezelfde wijze omgewisseld zullen worden in al de landpalen van de kerk. Wij hebben evenveel reden om beproeving te verwachten als om nacht en winter te verwachten. Maar dan hebben wij ook niet meer reden om te wanhopen aan het wederkeren van vertroosting en blijdschap, dan om aan het wederkeren van de dag en de zomer te wanhopen.