Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 39
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
VOORTS, gij mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik
1
wil
aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal.
2
En Ik zal u
2
omwenden, en een
3
a
zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israëls.
3
Maar Ik zal uw
4
boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.
4
Op de bergen Israëls zult gij
5
vallen, gij en al uw benden en de volken die met u zijn; Ik heb u aan de
6
roofvogels, aan het gevogelte van
7
allen vleugel en aan het gedierte des velds
b
ter spijze gegeven.
5
Op het
8
open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
6
En Ik zal een
9
vuur zenden in Magog en onder degenen die in de
10
eilanden zeker wonen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
7
En Ik zal Mijn
11
heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israël bekendmaken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten
12
ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.
8
Zie,
13
het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag
van
welken Ik gesproken heb.
9
En de inwoners der steden Israëls zullen
14
uitgaan, en
15
vuur
stoken en branden van de wapenen, zo
van
16
schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van
17
handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;
10
Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen die hen beroofd hadden, en plunderen die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.
11
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israël zal geven, het
18
dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers
den
19
neus
stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen:
20
Het dal van Gogs menigte.
12
Het huis Israëls nu
21
zal hen begraven om het land te
22
reinigen, zeven maanden
lang
.
13
Ja, al het volk des lands
23
zal begraven, en het zal hun tot een
24
naam zijn, ten dage als Ik zal
25
verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.
14
Ook zullen zij
26
mannen
27
uitscheiden die gestadig door het land doorgaan,
en
doodgravers met de doorgangers,
om
te begraven
degenen die op den
28
aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.
15
En deze doorgangers zullen door het land doorgaan; en
als
29
iemand
een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij
30
oprichten, totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.
16
Ook zo zal de naam der
31
stad
32
Hamóna zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.
17
Gij dan, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van
33
allen vleugel en tot al het gedierte des velds: Vergadert u en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn
34
slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees en drinkt bloed.
18
Het vlees der helden zult gij eten en het bloed van de vorsten der aarde drinken;
35
der rammen, der lammeren en bokken
en
varren, die altemaal
36
gemesten van Basan zijn.
19
En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe, van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.
20
En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van
rij
paarden en
37
wagen
paarden
, van helden en
38
alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.
21
En Ik zal Mijn eer
39
zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik
40
aan hen gelegd heb.
22
En
41
die van het huis Israëls zullen weten dat Ik de HEERE hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.
23
En de heidenen zullen weten dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd
42
om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen
43
verborgen heb, en heb hen overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij
44
altemaal door het zwaard gevallen zijn;
24
Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.
25
Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
45
Nu zal Ik Jakobs
46
gevangenen wederbrengen en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israëls, en Ik zal ijveren over Mijn
47
heiligen Naam;
26
Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun
48
overtreding
met
dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land
49
zeker woonden en er niemand was die hen verschrikte.
27
Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen
50
geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen:
28
Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik hen gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb hen
weder
verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer
51
overgelaten.
29
En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen,
52
wanneer Ik Mijn
c
53
Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.