45. En hij zal de tenten van zijn paleis, van zijn veldheerstentplanten tussen de zeeën, de Middellandse zee in het Westen en de Dode zee in het Oosten (
Zacharia 14:8) aan den berg des heiligen sieraads, waarop Jeruzalem met Davids koninklijken zetel en de tempel ligt, dus juist die, waar eens Sanherib zijn leger plaatste, niet denkende, dat hij hier zijnen ondergang zou vinden (
2 Koningen 18:13-
19 :
37); en hij zal tot zijn einde komen, en zal genen helper hebben 1); zijne macht is voor altijd te niet (of: daar, omdat hij de tenten van zijn paleis heeft opgeslagen enz. zal hij enz.).
1) Daniël profeteert hier ongetwijfeld van de eindelijke overwinning van den Christus Gods over den Antichrist. De Antichrist zal geen helper hebben. Wanneer hij meent op het hoogste toppunt van zijn macht te staan zal hij volkomen overwonnen en zijn heirlegers vernietigd worden. Dächsel zegt bij het laatste gedeelte van Daniël weinig meer, dan dat het niet van Antiochus te verklaren is. en zij, die dit willen doen, bij de bekende veldtochten van Antiochus (vers 22-39) nog enen laatsten moeten verdichten, waarbij zij zich op de getuigenis van Porphyrius, enen bekenden tegenstander van het Christendom (233-304 na C.) moeten beroepen, die van zijne 15 boeken een geheel boekdeel heeft gevuld met de bestrijding van Daniël, om te bewijzen, dat zij door een Jood ten tijde van Antiochus als ene profetie zijn geschreven. Werkelijk weten dan ook de oude geschiedschrijvers Livius, Polybius en Appianus, niets van een vierden veldtocht van Epifanes tegen Egypte. Wij geloven daarom even als Zöckler met Dereser, v. Lengerke, Maurer, Hitzig, Ewald en Kamphausen, dat in Vers 40-45 ene verkorte mededeling vervat is van hetgeen reeds in Vers 22-39 was gemeld; in deze worden niet meer de veldtochten onderscheiden, maar slechts in het algemeen het karakter der aantallen op dat land en de nadelige werking op Palestina voorgesteld. Dat geen 4de krijg kan bedoeld zijn, blijkt duidelijk uit Vers 40, waar de Egyptische koning voor den koning van het Noorden wordt genoemd, Men zou dan moeten aannemen, dat Ptolemeus Fyskon en Filometor, steunende op hun bondgenootschap met de Romeinen, den oorlog tegen de Romeinen zouden hebben ondernomen, en dat de Romeinse geschiedschrijvers in `t bijzonder Livius daarvan niets zouden geweten hebben is niet te geloven.
Even als Moab en Ammon zo betoonden zich onder de naburige verwanten van Israël, vooral de Edomieten voortdurend en in `t bijzonder ook bij het begin der Chaldeeuwse katastrophe over Juda, de hatelijkste bondgenoten van Israëls verdrukkers, en sedert dien tijd wordt nog heviger dan tegen Babel zelf de klacht en de wens naar wraak over dit trouweloze broedervolk uitgestort (vergl. Obadja. Jesaja 49:7-22. Klaagliederen 4:21, 22. Ezechiel 25:12-14. Ezechiel 35; 36:5. Psalm 137:7 v. Maleachi 1:1-3). In zoverre nu juist Edom, Moab en Ammon door banden van verwantschap met Israël verbonden waren, en men ene vriendschappelijke betrekking mocht verwachten, zo staan ook juist zij, deze onnatuurlijke verdrukkers van Israël in de voorstelling van elken Theokraat, en in `t bijzonder van de profeten, als de geschiedkundige vertegenwoordigers van alle vijandschap tegen de Theokratie in `t algemeen, en gelijk hun overweldiging de Messiaansen, verwachtingen opwekt (Psalm 60:10 Jesaja 11:14; 25:10), zo wordt ook de Messiaanse zegetocht onder het beeld van de bloedige vernedering van Edom voorgesteld in Jesaja 63:1-6.
Nu is dit de aard der profetie, gelijk wij reeds in de Psalmen herhaaldelijk aanwezen, dat de ogen van den Ziener onder zijn voorzeggen hoe langer hoe helderder worden, gelijk de Geest Gods bijv. in de gebeden ons hoe langer hoe sterker kan beginnen te dringen tot smekingen. Heeft Daniël dan nog het oog op Antiochus, het voorbeeld van den Antichrist, langzamerhand begint hij dezen uit het oog te verliezen, omdat hij zijn tegenbeeld ziet. Van hetgeen nog voor ons in de toekomst ligt is natuurlijk niet met juistheid aan te wijzen hoedanig de vervulling zal zijn, toch zal de Openbaring an Johannes nog veel duidelijker maken. Dächsel zegt alleen dit: "voor het tegenwoordige merken wij slechts op, dat Edom, Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons (Vers 41) natuurlijk niet in ethnographischen maar in symbolischen zin moet verstaan worden van de erf- en aartsvijanden van Gods volk. Wat het heilige land betreft, zo verklaart ook de overige Bijbelse voorspelling, dat tegen het einde het Israël naar het vlees zich tot Christus zal bekeren, naar zijn land Kanaän zal teruggaan, en daar als een Christenvolk zal leven; daarom zal het zonder twijfel door de macht van den Antichrist nog op bijzondere wijs bedreigd worden, maar ook door onmiddellijk ingrijpen des Heeren van zijne hand worden gered. Uit de zeer uitvoerige verklaringen van Gärtner geven wij het volgende uittreksel: "De hoofdzetel der volksheerschappij of van het beest uit den afgrond, bij zijne eerste verschijning zal Europa zijn en voornamelijk de zuidelijke landen van dat werelddeel; de volken van het Noord-Oostelijk Europa blijven onder een machtigen vorst voortbestaan. Wanneer de volksheerschappij in het Westen haren veldheer uitzendt, om het Oosterse vraagstuk op te lossen, zullen de koning van Noord-Oostelijk Europa en Azië en de koning van het Zuiden en Voor-Azië, de zieke man, zich net elkaar vinden; de koning van het Noorden voert krijg met wagenen en ruiters, en ene talrijke vloot in de wateren van Voor-Azië, de Mohammedaanse wereld brengt alleen landmacht op de been. De volksheerschappij overwint en trekt door. Op dien tocht komt hij in het heilige land (Vers 41) Edom, Moab en Ammon zijn een type der Vóór-Aziatische volken, in het bijzonder der Mohammedanen, en hun bewaring duidt aan, dat God ook nog een overblijfsel der Moslim-wereld zal behouden, hetwelk niet met den Antichrist zal heulen, maar zich tot Hem zal bekeren. Door dezen eersten tocht van den Antichrist in het Morgenland worden Palestina en Jeruzalem van de Mohammedanen bevrijd, zodat de Joden, nadat de Antichrist naar Europa is teruggekeerd, daar, gelijk Zacharia zegt, rouwklagend aankomen. Na die overwinningen heeft de Antichrist zulk ene macht, dat hij (Vers 42) zijne hand over de landen kan uitstrekken om ze te overheersen en te plunderen. Onder deze landen zijn de Aziatische, en wel de meest bij ons bekende te verstaan. Ook Egypte en Noordelijk Afrika zal hij zijne heerschappij laten gevoelen. Hij maakt zich meester van alle schatten van Egypte (43), namelijk van Europa de grote stad, welke geestelijker wijze Egypte heet (Openbaring 1:8 #Re). Zodra hij naar Europa is teruggekeerd heeft de staatsgreep plaats: Openbaring 7:12, 13. Daarop volgt de vervulling van Openb 17:16-18 en Openbaring 8. Met al die kostbaarheden zal hij enen god vereren, dien zijne vaderen niet kenden, namelijk hij zal zich zelven aanbidden. "Libiërs en Cuschieten zullen zijne voetstappen volgen. Deze voorspelling is voor Europa van vreeslijken inhoud (vgl Ezechiel 38:5 Openbaring 6:12) Cusch betekent eenvoudig de Aziatische volken (Genesis 10:7), de koningen van den opgang der zon bij Johannes en de Libiërs de volken van het Noordelijk Afrika. Deze koningen van den opgang der zon met hun horden van barbaren en de tien, die hem hun macht geven en op ééne ure als koningen met hem macht ontvangen, zullen onder Apollyon en Abaddon (Openbaring :11), gelijk Attila de Nieuw-Testamentische voorloper van den Antichrist met zijne Hunnen, in het beschaafde Europa huishouden, en daar alzo te werk gaan, dat de drie klassen van weeklagers optreden om zijne verwoesting te bejammeren (Openbaring 8) Wanneer hij nu alzo in den tempel Gods zit en zijne wereldheerschappij opgericht, de laatste sporen van het Christendom uitgewist, de Christen en gedood, uitgehongerd en uitgevoerd heeft, dan wordt hij door geruchten uit het Noorden en Oosten verschrikt (Vers 44). Deze geruchten komen van God (Ezechiël 38, 39) het gerucht uit het Oosten is, dat in Jeruzalem ene Joodse tot Christus bekeerde gemeente verzameld is; het gerucht uit het Noorden, dat een deel der gelovigen uit Europa door de vlucht naar het Noordelijk Europa aan zijn moordend staal is ontkomen, en de vrouw (Openbaringen 12) nog in leven is. Deze mare zal als een vuurverspreidende bliksemstraal en als een wereldberoerende donderslag zijne ziel treffen, zodat hij, vol woede, omdat er nog een Christen in leven is, en er nog lieden zijn, die den leugengodsdienst niet willen erkennen, gezwind oprukt, om hen in Jeruzalem, hetwelk hij op zijne schepen spoedig bereikt, te vernietigen. Zo verzamelt onder Gods leiding zijn leger te Armageddon, zonder te weten welk lot op hem wacht en door welke vreeslijke nederlaag hij met zijne scharen den roofvogelen zal worden prijs gegeven (Openbaring 9:17, 18. Ezechiel 38:18-23. 39 Des duivels oproeping aan de heidenen en het bericht aan den Antichrist schildert Joël 3:14-16. Zo trekt hij vol grimmigheid naar Palestina (Vers 45) om de gemeente van Joden-Christenen te vernietigen. De heilige berg is zoveel als Armageddon, hetwelk "berg der zaamvergadering" betekent, waar de Antichrist alle volken zal bijeenvergaderen, om met Christus te strijden (Openbaring 6:16). In het dal van Josafat komt hij met zijne scharen door de hand der Engelen om, die hem, op bevel van den op den Olijfberg wederkomenden Christus doden; uit de hand des hemelsen Konings redt hem niemand. "En het zal geschieden, dat allen, die den naam des Heeren aanroepen, zalig zullen worden, want op den berg Zion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk de Heere gezegd heeft, en bij de ontkoming, welke de Heere roepen zal.