2 Thessalonicenzen 2:4-12
Hier weerlegt Paulus de dwaling, waartegen hij gewaarschuwd heeft, en geeft de redenen op waarom zij de wederkomst van Christus niet als aanstaande moeten verwachten. Daar moesten verscheidene grote gebeurtenissen aan die wederkomst voorafgaan, en bijzonder die, welke hij nu gaat opnoemen.
I. Een algemene afval. Eerst zal de afval komen, vers 3. Door dezen afval hebben wij niet te verstaan een ontwrichting van den staat of van de staatkundige regeringen, maar een afval in geestelijk en godsdienstig opzicht, van gezonde leer, ingestelde godsverering en kerkelijke regering, en een heilig leven. De apostel spreekt van een bepaalden zeer groten afval, niet slechts van sommige bekeerde Joden en heidenen, maar een die zeer algemeen zal zijn, ofschoon bij trappen toenemend, en die gelegenheid zal geven voor de openbaring van den antichrist, of den mens der zonde. Dit, zegt de apostel, vers 5, had hij hun meegedeeld toen hij met hen was, met de bedoeling natuurlijk dat zij op hun hoede zouden zijn tegen en niet meegesleept worden door den afval. En laat ons nu opmerken, dat zodra het Christendom in de wereld geplant was er ook bederf in de gemeente begon. Dat was zo in de Oud-Testamentische kerk, en nu, nadat enige merkbare voortgang gemaakt was, volgde weer bederf. Spoedig na de belofte was er opstand. Bijvoorbeeld: spoedig nadat men den naam des Heeren begon aan te roepen, verdierf alle vlees zijn weg, spoedig na het verbond met Noach vertoornden de Babelbouwers den Heere, spoedig na het verbond met Abraham ontaardde zijn zaad in Egypte, spoedig nadat Israël Kanaän had in bezit genomen, reeds het volgende geslacht, verliet God om de Baäls te dienen, spoedig na Gods verbond met David verkoos zijn geslacht zich andere goden, spoedig na den terugkeer uit de Babylonische gevangenschap was er een algemeen verval van godsdienst, zoals blijkt uit de geschiedenis van Ezra en Nehemia, en daarom was het niets vreemds dat spoedig na de vestiging van het Christendom een grote afval zou volgen.
II. Een openbaring van den mens der zonde, dat is, vers 3, de antichrist zal uit dezen algemenen afval naar voren treden. De apostel spreekt later van de openbaring van "den ongerechtige", vers 8, waar hij handelt over het ontplooien van zijn godloosheid, in verband met zijn verwoesting. Hier spreekt hij van zijne opkomst, welke mogelijk gemaakt zal worden door den algemenen afval, waarvan hij melding gemaakt heeft, en om aan te duiden dat alle soorten van valse leringen en ketterijen in hem verenigd zullen zijn. Groot verschil van gevoelen bestaat er en heeft er steeds bestaan over de vraag, wie of wat bedoeld wordt met dezen mens der zonde, dezen zoon des verderfs, en ofschoon het niet zeker is dat de paapse macht en dwingelandij hier voornamelijk of alleen beschreven worden, toch is het duidelijk, dat wat hier gezegd wordt zeer toepasselijk op haar is. Merk op:
1. De namen van den persoon, of liever van den toestand en de macht, waarover hier gesproken wordt. Hij wordt genoemd den mens der zonde, om zijn buitengewone boosheid aan te duiden, niet alleen is hij bestemd om boosheid te bedenken en uit te voeren, maar evenzo bevordert, vuurt hij aan en beveelt zonden in anderen. En hij is de zoon des verderfs, omdat hijzelf in zekere verwoesting zal ondergaan, en het werktuig is om vele anderen beiden naar ziel en lichaam te verderven. Deze namen kunnen zeer goed toegepast worden, en om die redenen, op het pausdom, en daartoe behoren ook: 2. De kentekenen, die hier gegeven worden, vers 4.
A. Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt. Op die wijze hebben de bisschoppen van Rome zich niet alleen verzet tegen Gods gezag en dat van de burgerlijke overheid, die goden genoemd wordt, maar zij hebben zich boven God en de wereldlijke regeringen verheven, door groter eerbied te eisen voor hun geboden dan voor die van God en de overheid.
B. Hij zal in den tempel Gods als een god zitten, zich zelven vertonende dat hij god is. Gelijk God in den Joodsen tempel woonde en daar vereerd werd, en gelijk Hij nu in Zijne gemeente woont, zo wordt de antichrist hier genoemd als de overweldiger van Gods gezag in de Christelijke kerk, die voor zich goddelijke verering eist. En op wie kan dit beter toegepast worden dan op de bisschoppen van Rome, aan wie de godslasterlijkste titels zijn gegeven, bijvoorbeeld: Dominus Deus noster papa (Onze Heere God de paus), Deus alter in terra (Een andere God op aarde), Idem est dominum Dei et papae (De heerschappij van God en den paus zijn een).
3. Zijn opkomst wordt vermeld in verzen 6 en 7.. Hieromtrent vallen twee dingen op te merken.
A. Er was iets, dat hem verhinderde of weerhield, totdat het uit het midden weggedaan zou worden. Men onderstelt dat hiermede de macht van het Romeinse keizerrijk bedoeld wordt en dat de apostel het niet verstandig oordeelde om die toen duidelijker aan te tonen. Het is duidelijk dat, zolang die bestond, zij de bisschoppen van Rome verhinderde tot die hoogte van dwingelandij te stijgen, die zij later bereikten.
B. De verborgenheid der ongerechtigheid moest trapsgewijze haar toppunt bereiken, en het is waar dat het algemene bederf van leer en Godsverering in de Roomse kerk trapsgewijze kwam, en de aanmatiging van de bisschoppen van Rome niet ineens optrad maar gestadig veld won, en dus de verborgenheid der ongerechtigheid des te gemakkelijker, en bijna ongevoelig, de overhand kreeg. De apostel noemt dat zeer juist de verborgenheid der ongerechtigheid, omdat boze bedoelingen en handelingen werden verborgen achter valse vertoning en voorwendsels, in elk geval werden ze verborgen voor het gezicht en de waarneming van het algemeen. Door voorgewende godsvrucht werden bijgeloof en afgoderij ingevoerd, en door voorgewenden ijver voor Gods eer, dweepzucht en vervolging. En hij zegt ons dat deze verborgenheid der ongerechtigheid toen reeds begon, alrede gewrocht werd. Nog terwijl de apostelen leefden, kwam de vijand en zaaide onkruid. Er waren er, die de werken der Nicolaieten deden, mensen, die ijver voor de zaak van Christus voorgaven, maar Hem in werkelijkheid tegenstonden. Hoogmoed, naijver en wereldsgezindheid waren in dienaren als Diotrephes en anderen reeds bezig de verborgenheid der ongerechtigheid te werken, welke, bij trappen, de verbazende hoogte bereikte, die in de kerk van Rome waargenomen wordt.
4. De val of verwoesting van den anti-christelijke toestand wordt aangekondigd, vers 8. Het hoofd van dit anti-christelijk rijk wordt genoemd de ongerechtige, of de wetteloze, die menselijke macht stelt in plaats en in tegenstand van de goddelijke macht en heerschappij van onzen Heere Jezus Christus. Hij zou zich zelven daardoor bekendmaken als den mens der zonde, maar ook zal de openbaring daarvan aan de wereld het zekere voorspel en het middel van zijn verwoesting zijn. De apostel verzekert den Thessalonicenzen, dat de Heere hem verdoen zal, en dat wel door den Geest Zijns monds, door Zijn bevelwoord, het zuivere Woord Gods, vergezeld van Zijnen Geest, zal de verborgenheid der ongerechtigheid ontdekken en de macht van den antichrist verdoen en teniet maken, en zulks te zijner tijd. Hij zal geheel vernietigd worden door de verschijning van Christus' toekomst. De verschijning van Christus, om den mens der zonde teniet te maken, zal zijn met bijzondere heerlijkheid en uitnemenden luister.
5. De apostel beschrijft verder de regering van dezen mens der zonde. Hier hebben wij te letten op:
A. De wijze van zijn komst, of regering, en werken. Over het algemeen is dat naar de werking des Satans, den groten vijand der zielen, den groten tegenstander van God en mensen. Hij is de grote vorst van dwaling en leugen, de gezworen vijand der waarheid, zoals die in Jezus en in de trouwe volgelingen van Jezus is. Meer bijzonder is het met satanische macht en bedrog. Een goddelijk macht wordt voorgewend als steun van zijn rijk, maar het is alleen naar de werking des Satans. Tekenen en wonderen, verschijningen en krachten worden voorgewend, door deze werd het pausdom eerst bevestigd en bereikte het zijn hoogte, maar zij waren valse tekenen om valse leerstellingen te bevestigen, leugenachtige wonderen, enkel-voorgewende krachten, die zijn zaak gediend hebben, dingen, die in zich zelven vals waren of bedrieglijk toegepast werden om de mensen te verleiden. De duivelse bedriegerijen, waarmee het antichristendom zich staande hield, zijn algemeen bekend. - De apostel noemt ze alle verleiding der onrechtvaardigheid, vers 10. Anderen mogen ze "vroom bedrog" noemen, maar de apostel noemt ze onrechtvaardige en goddeloze bedriegerijen, en inderdaad alle bedrog, als het tegenovergestelde van de waarheid, is een goddeloos ding. Vele zijn de listige kunsten, welke de mens der zonde heeft in `t werk gesteld, en ontelbaar zijn de schoonschijnende redenen, waardoor hij onstandvastige en onwetende zielen heeft begoocheld om valse leerstellingen te omhelzen en zich aan zijne heerschappij te onderwerpen.
B. De personen worden beschreven, die zijn gewillige onderdanen zullen zijn, of den meesten kans hebben van het te worden, vers 10. Dat zijn zij, die de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. Zij hebben (waarschijnlijk) de waarheid gehoord, maar hadden haar niet lief, zij wilden geen gezonde leer horen, en werden dus gemakkelijk de prooi van valse leerstellingen, zij hadden enige verstandelijke kennis van de waarheid, maar zij gaven zich over aan machtige vooroordelen, en werden daardoor de prooi van verleiders. Hadden zij de waarheid bemind, dan zouden zij daarin gevorderd zijn en er door bewaard zijn geworden, maar het was geen wonder dat zij gemakkelijk zich afwendden van hetgeen zij nooit liefgehad hadden. En van deze mensen wordt gezegd, dat zij verloren gaan, of verloren zijn, zij verkeren in een toestand van verlorenheid en lopen gevaar van voor eeuwig verloren te gaan. Want:
6. De zonde en de verwoesting van de onderdanen van het anti-christelijk rijk worden ons meegedeeld, vers 11.
A. Hun zonde is: Zij hebben de waarheid niet geloofd, maar hadden een welbehagen in de ongerechtigheid, vers 12. Zij hadden de waarheid niet lief, en daarom geloofden zij haar niet. En omdat zij de waarheid niet geloofden, hadden zij een welbehagen in de ongerechtigheid, of in boze daden, en werden verheugd door valse leringen. Een dwalende geest en een goddeloos leven gaan samen en helpen elkaar.
B. Hun verwoesting wordt op deze wijze geschilderd: Daarom zal God hun een kracht der dwaling zenden, dat zij de leugen zouden geloven. Zo zal Hij de mensen straffen voor hun ongeloof, hun afkeer van de waarheid en hun liefde voor zonde en goddeloosheid. Niet dat God de bewerker van de zonde is, maar in Zijne rechtvaardigheid onttrekt Hij soms Zijne genade aan zulke zondaren als hier getekend worden. Hij geeft hen over aan den Satan of aan de verleiding van diens werktuigen, Hij laat hen over aan de lusten van hun eigen harten en aan zich zelven, en dan volgen natuurlijk de zonden, ja, de ergste goddeloosheden, waarvan het einde is de eeuwige verdoemenis. God is rechtvaardig wanneer Hij hier geestelijke oordelen en hiernamaals eeuwige straffen toepast op hen, die geen liefde gevoelen voor de waarheden des Evangelies, die er niet in willen geloven of er naar wandelen, maar die valse leerstellingen in hun zielen toelaten en goddeloze praktijken in hun leven beoefenen.