1. En de toorn van de HEERE, die reeds vroeger eenmaal gedurende David's regering zich over Israël ontlast had, vanwege de bloedschuld, die Saul over het land had gebracht (21:1vv.), ging voort 1) te ontsteken tegen Israël, en wel deze keer vanwege de eigen zware zonde van het volk, waaraan het zich schuldig gemaakt had door deel te nemen aan Absaloms en Zeba's opstand (15-20) en Hij, de Heere in Zijn rechtvaardige toorn op het volk, porde 2) David aan tegen hen, zeggende, terwijl hij de satan toe liet om hem in te fluisteren: Ga, tel3) Israël en Juda, opdat gij weet, hoe sterk en machtig gij zijt, en hoe gemakkelijk het u zou vallen, om ver over de grenzen van uw huidige rijk te heersen.
1) Wij hebben hier wel te letten op deze woorden, om ons de zonde van David, of liever het karakter van de zonde te verklaren. De toorn van de Heere was gaande over Israël. Door David te verwerpen, die de Heere aan Zijn volk als de ware theocratische koning had gegeven, en slechts voor een tijd na te volgen, had Israël de toorn van God tegen zich gaande gemaakt. Daarbij kwam nu de hoogmoed van het volk op zijn kracht en macht. Allemaal reden voor de Heere, om Zijn volk te bezoeken met Zijn roede. Als aanleiding daartoe diende de zonde van David, om het volk te tellen, hetgeen ook hij ongetwijfeld heeft gedaan uit hoogmoed en eerzucht, om te weten, hoe groot het weerstandsvermogen van zijn volk was, met wat een machtig leger hij zou kunnen optrekken tegen de vijand, terwijl het op dit ogenblik zijn doel was, een militaire staat te stichten. Wat de uitdrukking aangaat, dat Hij, n.l. de Heere, David aanporde, dit wil zeggen, dat de Heere anderen toeliet, om David tot zondige maatregelen aan te zetten. Het was onder de toelating van God aan de ene zijde en aan de andere naar zijn Raad, om het volk hierdoor te bezoeken vanwege zijn zonde..
2) Om deze en dergelijke uitspraken van de Schrift (1 Samuël 26:19 2 Samuël 16:10vv.), zoals ook de feiten van de ervaring in hun recht te laten, moeten wij de natuurlijke afschuw van op enigerlei wijze een medewerking van God bij de zonde van de mensen te erkennen, laten varen en zonder aarzeling aannemen, dat iedere afzonderlijke werking, verandering of handeling in de wereld, ook een boze, alleen onder de invloed van God totstandkomt. Zeker werkt God anders bij de goede, anders bij de boze handelingen van de mensen, en het behoort tot de moeilijkste punten van de Christelijke geloofs- en zedenleer om de wijze waarop God bij de laatste meewerkt, met juistheid te bepalen, zodat de schuld van de boze niet op enigerlei wijze tevens op God wordt gelegd; desalniettemin is zo'n medewerking volstrekt een zuiver middelijke, in zover God de kracht tot handelen ook tot het het boze de mens verleent, maar tevens een onmiddelijke. De zonde is wel de schuld van de mens, maar hij kan er ieder ogenblik van bevrijd worden door in schuldbelijdenis tot God te komen; maar gebeurt dit niet, zo staan de vormen, waarin zij zich openbaart, niet verder in zijn macht, maar deze staan onder Gods bestel, en God bepaalt ze, zoals Hem welbehaaglijk is, als in het plan van Zijn wereldregering past, als tot Zijn eer en tevens tot heil van de zondaar dient, zolang deze nog niet geheel verworpen is. Hij plaatst de zondaar in toestanden, waarin juist deze of gene verzoeking hem bijzonder dreigt; Hij richt de gedachte op bepaalde voorwerpen van de zondige begeerte, en bewerkt dat de gedachte erbij blijft verwijlen en niet op andere overgaat. Dat b.v. in de geschiedenis (11), David door zijn schuld met zondige lust vervuld, juist Bathseba moest zien, dat zij zwanger werd, dat Uria aan David's wensen niet voldeed, wie die in het algemeen in een Voorzienigheid gelooft, zou daarin een goddelijke medewerking kunnen miskennen? Evenzo wordt hier op een verborgen invloed van God op David gewezen, omdat Hij de boze neiging in hem aanwezig op een bepaald voorwerp richt..
Dus blijft Jakobus 1:13vv. toch volkomen geldig: God verzoekt niemand tot het kwade; maar een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Maar wanneer de boze lust eenmaal aanwezig is in de mens, en deze, in plaats van die te ontvluchten en ertegen te strijden, die koestert en er een welgevallen in heeft, zo staat het doel, waarop de lust zich richten zal en de wijze, waarop hij uitgevoerd wordt, niet in de eigen keus van de mens, maar onder goddelijke leiding; want God zou ophouden de Wereldbestuurder te zijn, indien Hij de menselijke vrijheid onbelemmerd liet voortwerken, en niet alles zo bestuurde en inrichtte, als het met de inzichten van Zijn wijsheid, goedheid en gerechtigheid overeenkomt. In het bovenstaand geval zag God in David's hart de boze lust om buiten de perken van zijn theocratische roeping te treden; Hij ging hem hierin niet tegen, maar gaf hem daartoe over aan satans wil, die de gedachte tot rijpheid en het ontwerp tot uitvoering bij hem bracht. Dat deed Hij om David's wil, want de mens is maar al te zeer geneigd om met de zonde te spelen, en in zo'n geval gewoonlijk pas dan, wanneer zij tot daad is geworden, in staat om voor haar te verschrikken en zich van harte ervan los te scheuren; maar God deed het ook omwille van het volk, want Hij had aan deze nog de misdaad van zijn afval van het Davidische koningschap te straffen, dat Hij uit rijke genade over hen gesteld had. "God liet satans verzoeking toe, en maakte, dat de werkelijke zonde, waarvan de bron in David, zowel als in de satan te zoeken is, zo'n gestalte aannam, dat Hij door de straf van David tevens het gehele volk kon straffen, waarop sinds de tijden van de opstandelingen, Absalom en Sheba, nog onverzoende zonde lag..
3) De schijnbare tegenstrijdigheid, die wij in dit vers, waar God, vergeleken met 1 Kronieken 21:1, waar de satan gezegd wordt David aan te porren, ontmoeten, bevreemde ons niet, omdat zij zich zonder moeite laat verklaren. De beide vertellers zien dezelfde zaak uit een verschillend oogpunt. Voorzeker was de satan erop uit om ergernis aan te richten en over Israël en diens koning nieuw onheil te brengen. Maar de Heere, die volgens Jakobus 1:13 nooit een verzoeker ten kwade is, achtte het overeenkomstig de bedoelingen van zijn wijsheid om de vorst van de duisternis tot op zekere hoogte zijn vrije gang te laten gaan. Overigens gaat het in deze zaak niet zo toe, als goot de satan de boze lusten eerst de mens in. Veeleer draagt hij de lont voor de brandstof, die in de Adamskinderen reeds voorhanden is. Gelegenheid maken is het werk van de boze en nooit kan men zich gerechtigd achten met Eva de schuld op hem te werpen. De schuld blijft overal de onze, waar wij ons ook door de booswicht lieten verlokken..
Het tellen van het volk op zichzelf is geen zonde, wanneer het namelijk alleen om redenen van goede orde in het beheer en bestuur van stad en land gebeurt..
Ook Mozes hield eenmaal een volkstelling, en wel zonder zich daarmee te bezondigen, waaruit weer blijkt, dat als twee mensen hetzelfde doen, zij daarom nog niet hetzelfde doen. De telling van Mozes vond plaats ten gevolge van een uitdrukkelijk bevel, dat David miste. Verder werd die van Mozes volbracht met een kerkelijk doel, namelijk de verdeling van de tempelbelasting, waarom zij ook door Mozes en de hogepriester zelf in vereniging met de stamhoofden verricht werd, terwijl David daarmee krijgslieden belastte. Eindelijk werd door David niet gedacht aan het bevel (Exodus 30:12,13) krachtens welk ieder Israëliet bij de volkstelling, een gave in geld voor het heiligdom, de prijs voor een zoenoffer moest geven. Dit gebeurde, opdat het volk aan zijn zonde zou denken, en uit de telling geen verzoeking tot zelfverheffing ontstond..
De uitdrukking: "mannen, die het zwaard uittrokken" (1 Kronieken 21:1) bewijst duidelijk, dat het hier een militaire maatregel gold. Dit blijkt verder uit het feit, dat de krijgslieden, niet de priesters, hem moesten uitvoeren. Voorts, uit de tegenstand van Joab (1 Kronieken 21:3) en zijn schroom, om hem op het onrustige Benjamin en het bevoorrechte Levi toe te passen (1 Kronieken 21:6)..
De eigenlijke kiem van de zonde van David ligt in ieder geval in zelfoverschatting, waar hij de macht en heerlijkheid van zijn koninkrijk in de menigte en strijdvaardigheid van Zijn volk zoekt..
Omdat de gehele natuur van de zonde alleen in een onwettigheid bestaat en de invloed van de Goddelijke Voorzienigheid die onwettigheid niet aanraakt, dan is het klaarder dan de zon, dat God door de invloed van de Voorzienigheid niet wordt een oorzaak van de zonde. Daarom, de zonde kan niet voortgebracht worden, dan door een overtreding van de Wet, en omdat God door de invloed van Zijn Voorzienigheid de Wet niet overtreedt, noch overtreden kan, zo blijft er over, dat God door die invloed niet een oorzaak wordt van de zonde. Verder, omdat aan de ene zijde, volgens de Heilige Schrift, zoals bijvoorbeeld Psalm 5:5, als volgens de natuur van God, als die het hoogste Goed is, God niet de oorzaak van de zonde kan zijn, die allen erkennen en men aan de andere zijde leert, dat God met en door Zijn Voorzienigheid verscheiden bezig is geweest, omtrent de zonde, b.v. Handelingen 4:28 Genesis 50:20; 2 Samuël 12:11,12; 24:1 zo is Hij evenwel daardoor niet geworden een oorzaak van de zonde..
De volgende opmerking van P. Bonnet verdient onze overweging: Dat dit aanporren tot zonde in 1 Kronieken 21:1 satan wordt toegekend, is zeker. Maar wie wordt het in 2 Samuël 24:1 toegeschreven? Dit wordt hier niet uitgedrukt. Er staat: De toorn van de Heere ging voort te ontsteken tegen Israël, en porde David enz. Sommigen vullen hier in: satan, uit 1 Kronieken 21:1 anderen men; of duidelijker, de satan. De straffende oorzaak is dan: de toorn van de Heere; de verleidende oorzaak; iemand. Wie? De satan. Maar wie is die satan? Elders in Gods Woord wordt het hoofd van de afgevallen engelen aldus genoemd. Maar ook beledigende mensen worden dus genoemd (1 Samuël 29:4; 2 Samuël 19:22; 1 Koningen 5:4, 11:14,23,25). Wij kunnen hier met vermaarde uitleggers zeer goed denken aan zekere mens, zekere hoveling en man van aanzien, die onbedachtzaam, Israël ten kwade, de koning tot deze daad aandreef. En dit te meer, omdat hier niet met aanwijzing gezegd wordt: De satan; maar satan, een satan, of tegenstander. Zie ook Psalm 108:6 Mattheus 16:23.