Ezechiël 36:25-38
Het volk van God kan niet veel moed hebben om op herstel te hopen, in `t besef niet alleen van hun eigen onwaardigheid om zo'n gunst te ontvangen (waarop, in de vorige verzen, bij wijze van antwoord gezegd wordt, dat God het zal doen met het oog op Zijn eigen eer, en niet op hun verdienste), maar ook van hun onbekwaamheid voor zo'n gunst, daar zij nog steeds bedorven en zondig zijn, en, als antwoord daarop, wordt in deze verzen de belofte gedaan, dat God hen door Zijn genade zal voorbereiden en bekwaam maken tot Zijn barmhartigheid, en dan hun die schenken zal. En dat werd ten dele vervuld door de verwonderlijke uitwerking die de gevangenschap te Babel op de Joden daar had, dat zij namelijk krachtdadig genezen werden van hun neiging tot afgoderij. Maar zij is ook bedoeld als een teug van het genadeverbond, en als een proeve van die geestelijke zegeningen, waarmee wij door dat verbond in hemelse dingen gezegend worden. Evenals (Hoofdstuk 34) na een belofte van hun terugkeer de profetie onmerkbaar overging in een belofte van de komst van Christus, de grote Herder, zo gaat zij hier onmerkbaar over in een belofte van de Geest, en Zijn genadige invloed en werkingen, die wij evenzeer nodig hebben voor onze heiligmaking, als Christus' verdienste voor onze rechtvaardigmaking.
I. God belooft hier, dat Hij een goed werk in hen zal werken, om hen bekwaam te maken tot het goede werk, dat Hij bedoelde voor hen te weeg te brengen, vers 25-27. Wij vonden beloften met dezelfde strekking in Hoofdstuk 1:18-20. God belooft hun,
1. Dat Hij hen reinigen zal van de zondesmet, vers 25 :Ik zal rein water op u sprengen, hetgeen betekent, beide, het bloed van Christus, dat op het geweten gesprengd wordt, om het te zuiveren en het schuldbesef weg te nemen (zoals die met het water van de afzondering besprengd werden, daardoor verlost werden van hun onreinheid naar de wet) en de genade van de Geest op de gehele ziel gesprengd om die te zuiveren van alle bedorven neigingen en gebreken, zoals Naäman van zijn melaatsheid gereinigd werd door zich te wassen in de Jordaan. Christus was zelf rein, anders kon Zijn bloed ons niet reinigen, en het is een Heilige Geest, die ons heilig maakt: Van al uw onreinigheden en van alle uw drekgoden zal Ik u reinigen. vers 29, En, Ik zal u verlossen van alle uw onreinigheden. De zonde verontreinigt, afgoderij in `t bijzonder, zij maakt de zondaars gehaat bij God en een last voor hen zelf. Als de schuld vergeven, en de bedorven natuur geheiligd is, dan zijn wij gereinigd van onze onreinheid, en er is geen andere weg om er van verlost te worden. Dit belooft God hier aan Zijn volk, opdat Hij Zelf in hen geheiligd worde, vers 23. Wij kunnen Gods naam niet heiligen, tenzij Hij onze harten heiligt, noch tot Zijn eer leven, dan door Zijn genade.
2. Dat God hun een nieuw hart geven zal, een geestesgesteldheid, die op zichzelf uitnemend is, en grotelijks verschilt van wat die tevoren was. God zal een innerlijke verandering werken, om een algehele verandering te bereiken. Allen, die deel hebben in het nieuwe verbond, en recht op het nieuwe Jeruzalem, hebben een nieuw hart en een nieuwe geest, en deze zijn noodzakelijk, opdat zij kunnen wandelen in nieuwigheid des levens. Dit is die Goddelijke natuur, die de gelovigen door de beloften deelachtig worden.
3. Dat, in plaats van een stenen hart, dat ongevoelig en onbuigzaam is, niet in staat om goddelijke indrukken te ontvangen en met vrome gevoelens te beantwoorden, God een vlesen hart geven zal, een zacht en teder hart, dat geestelijke gevoelens geoefend heeft, zich bewust van geestelijke smarten en genoegens, en, dat zich in alles voegt naar de wil van God. Vernieuwende genade werkt een even grote verandering in de ziel als het veranderen van een dode steen in levend vlees.
4. Dat, wijl, behalve hun geneigdheid tot zonde, zij zich beklagen over onbekwaamheid tot hun plicht, God zal maken, dat zij in Zijn inzettingen zullen wandelen. Hij zal hun niet alleen de weg van Zijn inzettingen wijzen, maar hen geneigd maken er in te wandelen, en hen rijkelijk voorzien van wijsheid en gewilligheid en kracht om te handelen, voor ieder goed werk. Hiertoe zal Hij Zijn Geest in het binnenste van hen geven, als leraar, gids en heiligmaker. God dwingt de mensen niet om in Zijn inzettingen te wandelen, door uiterlijk geweld, maar maakt, dat zij in Zijn inzettingen wandelen door een innerlijk beginsel. En dan behoren wij gebruik te maken van deze kracht en dit beginsel van de genade, dat ons beloofd, en in het binnenste van ons gegeven is: Gij zult Mijn rechten bewaren. Als God het Zijne doet, overeenkomstig de belofte, dan moeten wij het onze doen, overeenkomstig het gebod. De belofte van Gods genade om ons bekwaam te maken tot onze plicht moet ons verbinden en ijverig maken tot voortdurende zorg en pogen om onze plicht te doen. Gods beloften moeten ons uitdrijven tot Zijn geboden als onze leefregel, en dan moeten Zijn geboden ons terug doen gaan tot Zijn beloften en kracht, want zonder Zijn genade kunnen wij niets doen.
II. God belooft hier, dat Hij hen zal opnemen in Zijn verbond. De samenvatting van het genadeverbond hebben wij in vers 28. Gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Niet, "Als gij Mijn volk wilt zijn, zal Ik uw God zijn", (hoewel het zeer waar is, dat wij niet kunnen verwachten, dat God ons tot een God zal zijn, tenzij wij Hem tot een volk zijn), maar Hij heeft ons verkoren, en eerst liefgehad, niet wij Hem, daarom is de voorwaarde, zowel als de beloning, uit genade, uit de belofte, niet door verdienste, niet uit de werken: "Gij zult Mij tot een volk zijn, Ik zal het u maken, Ik zal u de aard en de geest van Mijn volk geven, en dan zal Ik tot u een God zijn" En dit is het fundament en de hoeksteen van de zaligheid van de gelovigen, het is de hemel zelf, Openbaring 21:3, 7.
III. Hij belooft, dat Hij al het goede voor hen teweegbrengen zal, dat door hun toestand vereist wordt. Wanneer zij aldus voor de genade voorbereid zijn,
1. Dan zullen zij tot hun bezittingen terugkeren en er opnieuw in bevestigd worden vers 28 :Gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb. God zal hen terugbrengen, niet met het oog op enige verdienste van hen, maar op de belofte hun vaderen gegeven, want daarom gaf Hij hun die in `t begin, Deuteronomium 7:7, 8. Daarom betoont Hij genade omdat Hij gezegd heeft, dat Hij het doen zal. Dit zal volgen op de gezegende verbetering die God onder hen werken zal, vers 33 :"Ten dage, als Ik u reinigen zal van alle uw ongerechtigheden, en u aldus bekwaam maken voor uw erfenis, zal Ik de steden doen bewonen door u, en u aldus in `t bezit stellen van uw erfenis". Dat is altijd de wijze, waarop God genade bewijst, eerst de mensen van hun zonde scheiden, en dan hen opnieuw in `t bezit stellen van de genadegaven.
2. Dan zullen zij overvloed van alle goed genieten. Als zij verlost zijn van hun onreinigheden, van hun zonden, die een muur vormden tussen hen en al wat goed is, dan zal Ik roepen tot het koren en zal het vermenigvuldigen, vers 29 De overvloed komt, als God hen roept en de overvloed, die Hij roept, zal steeds toenemen, en als Hij spreekt wordt boomvrucht en veldvrucht vermenigvuldigd. Gelijk de inwoners zich vermenigvuldigen, alzo zullen de voortbrengselen voor hun onderhoud vermenigvuldigd worden, want Hij, Die de zonden zendt, zal ook het voedsel geven. Honger was één van de oordelen, waaronder zij gezucht hadden, en het was een smaad voor hen geweest, evenzeer als ieder ander oordeel, dat zij verhongerden in een land, dat zo beroemd was om zijn vruchtbaarheid. Maar nu zal Ik geen honger op u leggen, en niemand wordt door die roede gekastijd, die er zelf niet de oorzaak van is. Dan zullen zij ook de smaadheid des hongers niet meer ontvangen, zullen er nooit om gehoond worden, en ook zal nooit meer gezegd worden, dat God een Meester is, die Zijn knechten bekrompen leven laat. Ja, zij zullen niet alleen gezuiverd worden van de smaad des hongers, maar zij zullen de lof des overvloeds ontvangen. Het land, dat lang een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging, en die er op neerzag met verachting of medelijden, zal opnieuw bebouwd worden, vers 34, en daar het lang braak gelegen heeft, zal het nu te vruchtbaarder zijn. God zal roepen tot het koren, en toch moeten zij de grond bebouwen Ook voor de genade, die beloofd is, moet gewerkt worden, want de belofte dient niet om onze ijver en ons pogen te vervangen, maar om die aan te sporen en aan te moedigen. En zo'n zegen zal God bevelen voor de hand des vlijtigen dat allen, die voorbij gaan, er op letten zullen met verbazing vers 35. Zij zullen zeggen: "Zie, welk een gezegende verandering hier is, hoe dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden de woestijn tot een paradijs geworden. God heeft voldoende eer bewaard, om Zijn volk te kronen als tegenwicht van de verwachting, waarmee het nu beladen is, en daarin zal Hij geëerd worden. Deze wonderbare vermeerdering, beide van het volk des lands en van deszelfs voortbrengselen, wordt vergeleken, vers 38, met de grote kudden vee, die naar Jeruzalem gebracht worden, om op een van de plechtige feesten geofferd te worden. Ook de steden, die nu woest zijn, zullen "vervuld worden van mensenkudden, niet als de kudden, waarmee de velden bekleed zijn", Psalm 65:14, maar als de heilige kudde, die in de hoven van het huls des Heren gebracht worden. En dan is de vermeerdering van het getal des volks inderdaad eervol en troostrijk, wanneer zij allen aan God gewijd zijn, als een heilige kudde, om Hem geofferd te worden als levende offeranden. Een grote menigte is een liefelijk gezicht in Gods tempel.
IV. Hij toont welke de gelukkige gevolgen zullen zijn van deze gezegende verandering.
1. Zij zal een gelukkige uitwerking hebben op het volk van God zelf, want hij zal hen tot een oprecht berouw brengen over hun zonder, vers 31. Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en gij zult een walging hebben van uzelf. Zie hier, wat zonde is, het is een gruwel, een walgelijk iets, dat de Here haat. Zie wat de eerste stap is tot berouw, het is gedenken aan onze boze wegen, en ernstig nadenken over de zonden, die wij begaan hebben, en ze stuk voor stuk optellen. Wij moeten niet alleen onze grove overtredingen, onze boze wegen gedenken, maar al onze gebreken en zwakheden, onze handelingen, die niet goed waren, niet zo goed als zij hadden moeten zijn, niet alleen dadelijke overtredingen van de wet, maar ook onze verzuimen in dat opzicht. Zie wat altijd en immer een waar berouw vergezelt, en dat is een walging van zichzelf, een heilige schaamte en beschaamdheid des aangezichts: "Gij zult een walging van uzelf hebben, als gij ziet, hoe walgelijk gij in Gods ogen zijt". Eigenliefde ligt op de bodem van de zonde, en wij kunnen niet anders dan blozen, als wij er de ongerijmdheid van zien, maar, dat wij met onszelf twisten, is opdat wij, op goede gronden, met onszelf verzoend worden. En tenslotte, zie wat de machtigste drijfveer is tot een Evangelisch berouw, en dat is een besef van Gods genade als God hen te midden van overvloed vestigt, dan zullen zij van zichzelf walgen over hun ongerechtigheden en over hun gruwelen. De goedheid van God behoort onze slechtheid te overwinnen en ons tot bekering te leiden. Hoe meer wij van Gods bereidheid zien om ons na berouw in gunst aan te nemen, des te meer reden zullen wij zien om beschaamd te zijn over onszelf, dat wij ooit konden zondigen tegen zoveel liefde. Hard is inderdaad het hart, dat zodoende niet vertederd wordt. 2. Het zal een gelukkige uitwerking op hun naburen hebben, want het zal hen tot een klaarder kennis van God brengen, vers 36 :Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u overgelaten zullen zijn, die over God spraken als onwetenden (want dat doen allen, die kwaad van Hem spreken), toen zij het land van Israël nog woest zagen, beter beginnen te weten, met meer verstand van God te spreken, overtuigd, dat Hij in staat is de woeste steden te herbouwen, en de meest woeste landen te bebouwen, en dat, hoezeer de stroom van Zijn gunsten naar Zijn volk een tijd lang belemmerd moge zijn, zij toch niet voor altijd afgesneden zullen worden. Zij zullen de waarheid van de goddelijke openbaring leren kennen door de nauwkeurige overeenstemming, die zij zullen opmerken tussen Gods woord, dat Hij tot Israël gesproken heeft, en Zijn werken, die Hij voor hem gedaan heeft. "Ik, de Here heb het gesproken en zal het doen." Bij ons zijn zeggen en doen twee maar bij God niet.
V. Hij stelt deze dingen aan hen voor, niet als de beloning van hun verdienste, maar als de verhoring van hun gebed.
1. Zij moeten niet denken dat zij het verdiend hebben: Niet om uwentwille doe Ik het, het zij u bekend, vers 22, 32, neen, schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen. God doet dit, alles wat Hij beloofd heeft, het zal zo zeker gedaan worden, alsof het al gedaan was en de tegenwoordige gebeurtenissen hebben er de strekking toe. Maar dan,
a. Moeten zij de verdienste van hun eigen goede werken opgeven en tot de erkenning gebracht worden dat het niet om hunnentwille gebeurt, zo werd ook, toen God Israël de eerste maal in Kanaän bracht, een uitdrukkelijk "caveat" tegen deze gedachte ingelast, Deuteronomium 9:4-6 :"Niet om uw gerechtigheid." Het is niet om een of andere goede eigenschap of goed werk, niet, omdat God hen nodig had, of van hen iets goeds verwachtte. Neen, als Hij genade bewijst, handelt Hij uit Zijn koninklijk voorrecht, niet om onze verdiensten, maar voor Zijn eigen eer. Zie met hoeveel nadruk dit gezegd wordt: Het zij u bekend, het is niet om uwentwille, hetgeen betekent, dat wij geneigd zijn een hoge dunk te hebben van onze eigene verdienste, en niet dan met moeite overreed worden, daar geen vertrouwen meer in te stellen. Maar op de een of andere wijze zal God al Zijn gunstgenoten doen weten en erkennen, dat het Zijn genade en niet hun goedheid, Zijn barmhartigheid en niet hun verdienste is, die dat alles voor hen gedaan heeft, en dat daarom niet aan hen maar Hem alleen, alle eer toekomt.
b. Zij moeten berouw hebben van de zonde van hun eigen boze wegen. Zij moeten erkennen, dat de gunsten, die zij van God ontvangen niet alleen niet verdiend, maar duizendmaal verbeurd zijn, en daarom moeten zij, wel verre van te roemen in hun goede werken, beschaamd zijn en zich schamen over hun boze wegen en dan zijn zij het best voorbereid voor genade.
2. Toch moeten zij weten, dat zij die moeten vragen en verwachten, vers 37 :Hierom zal Ik van het huis Israëls verzocht worden. God heeft gesproken en Hij zal het doen, en Hij wil erom verzocht worden. Hij eist, dat Zijn volk naar Hem vragen zal, en Hij zal hun harten neigen om het te doen, als Hij tot hen komt op de weg van de genade.
a. Zij moeten er om bidden, want als zij bidden, vragen zij naar God en zoeken Hem. Dat de inhoud van Gods belofte is moet ook de inhoud van ons gebed zijn. Door te vragen om de beloofde genade, moeten wij ere geven aan de Schenker, onze waardering uit spreken van de gave, onze afhankelijkheid erkennen, en het gebed eren, dat God eervol gemaakt heeft. Christus Zelf moet vragen, en dan zal God de heidenen tot Zijn erfdeel geven, Hij moet "de Vader bidden en dan zat Hij de Trooster zenden, " en nog veel meer moeten zij vragen, opdat zij ontvangen mogen.
b. Zij moeten de orakels van God raadplegen, en aldus wordt God gezocht en naar Hem gevraagd. De genade moet niet alleen een daad van de Voorzienigheid, maar ook een kind van de belofte zijn, en daarom moeten zij op de belofte zien en er om bidden met het oog op de belofte gevestigd, die beide de leidsvrouw en de grond van onze verwachtingen moet zijn. Wij vinden, dat Daniël, in naam van het huis Israëls op beide manieren God zocht, toen Hij op `t punt was de grote dingen voor hen te doen. Hij raadpleegde de orakels van God, want hij merkte in de boeken, het boek van de profeet Jeremia beide, wat hij verwachten kon, en wanneer, en dan stelde hij zijn aangezicht om God in het gebed te zoeken, Daniël 9:23 Onze gemeenschap met God moet onderhouden worden bij alle werkingen van Zijn leiding met ons, door het Woord en het gebed, en in beide moet Hij gezocht worden.