1 Johannes 5-7
De apostel, na in het licht gesteld te hebben de waarheid en de waardigheid van den stichter des Evangelies, brengt een verkondiging, een boodschap, van Hem, waaruit een juiste gevolgtrekking kan genomen worden voor de beschouwing en overtuiging van de belijders van den godsdienst en belijdende onderhouders van dat heerlijk Evangelie.
I. Hier is de verkondiging, welke de apostel zegt dat van den Heere Jezus komt. Dat is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, vers 5, van Zijn Zoon Jezus Christus. Hij was de on middellijke Zender der apostelen en is dus de voorname persoon, van wie in den voorgaanden tekst sprake is, alleen op Hem kan de uitdrukking: "die wij van Hem hebben", dus slaan. De apostelen en apostolische dienaren zijn de boodschappers van den Heere Jezus, het is hun eer, de voornaamste eer die zij kennen, Zijn wil en boodschap aan de wereld en aan de gemeente te brengen. Het is de wijsheid en de tegenwoordige bedeling van den Heere Jezus om Zijn boodschap aan ons te zenden door mensen, gelijk wij zelven zijn. Hij, die onze menselijke natuur aannam, eert aarden vaten. Het was de eerzucht van de apostelen getrouw bevonden te worden, en getrouw de boodschappen en mededelingen over te brengen, die zij ontvangen hadden. Zij waren ijverig om te verkondigen hetgeen hun mede- gedeeld was. Dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen. Een boodschap van het woord des levens, het eeuwige Woord, behoren wij met blijdschap te ontvangen, en de boodschap, waarvan hier sprake is, heeft betrekking op de natuur van dien God, dien wij moeten dienen en met wie wij verlangen moeten in gemeenschap te komen: dat God een licht is, en gans gene duisternis in Hem is, vers 5. Deze boodschap bevestigt de uitnemendheid van de goddelijke natuur. Hij is al de schoonheid en volkomenheid, die ons vertegenwoordigd wordt door licht. Hij is de zelfstandige, onbegrensde geestelijkheid, reinheid, wijsheid, heiligheid en heerlijkheid. En deze uitnemendheid en volkomenheid zijn volstrekt en volledig. Er is geen gebrek of tekort in, geen vermenging met iets, dat volstrekte voortreffelijkheid tegenstaat, geen verandering, geen vatbaarheid voor enig gebrek. In Hem is gans geen duisternis. Ook kan deze mededeling meer onmiddellijk slaan op hetgeen gewoonlijk genoemd wordt de zedelijke volkomenheid van de goddelijke natuur, welke wij behoren na te volgen en die meer rechtstreeks ons moet bezielen bij ons evangelisch werk. En dan wordt er mede bedoeld de heiligheid van God, de volstrekte reinheid van Zijn natuur en Zijn wil, Zijn aldoordringende kennis (in het bijzonder van de harten), Zijn heilige naijver en rechtvaardigheid, welke als een verlichtend en verterend vuur branden. Het is eigenaardig, dat voor deze duistere wereld de grote God voorgesteld wordt als zuiver en volmaakt licht. De Heere Jezus kan best van allen ons den naam en de natuur van den ondoorgrondelijken God openbaren, de eniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons geopenbaard. Het is het voorrecht van de Christelijke openbaring, dat zij ons de edelste, voortreffelijkste en aannemelijkste voorstelling van den gezegenden God geeft, zulk ene als het meest overeenkomt met het licht der rede en wat daarbij kenbaar wordt, meest overeenkomt met de majesteit Zijner werken, die ons omringen, en met de natuur van Hem, die de opperste bewindvoerder, gebieder en rechter der wereld is. Wat kan meer en beter, met betrekking tot zulk een volkomenheid, gezegd worden dan hetgeen begrepen is in deze woorden: God is een licht en gans gene duisternis is in Hem?
II. Er kan een zeer juist besluit getrokken worden uit deze verkondiging, ter overweging en overtuiging van de belijders van den godsdienst of belijdende nalevers van het Evangelie. Dit besluit is tweeledig. 1. Ten opzichte van de belijders, die geen ware gemeenschap met God hebben. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet. Men weet dat wandelen in de taal der Schrift betekent den gang en de daden van het geestelijk en zedelijk leven regelen en inrichten, dus van het leven zover het onderworpen kan worden aan de goddelijke wet. Wandelen in de duisternis is dus leven en handelen overeenkomstig de onwetendheid, dwaling en verkeerde praktijken, die staan tegenover de grondwaarheden van onzen heiligen godsdienst. Er kunnen mensen zijn, die voorgeven grote liefde voor en blijdschap in den godsdienst te hebben, dezen kunnen belijden dat zij gemeenschap met God hebben, en toch kan hun leven ongodsdienstig, onzedelijk en onrein zijn. Zulke beschuldigt de apostel zonder schroom er van dat zij liegen: zij liegen en doen de waarheid niet. Zij beliegen God, want Hij houdt geen hemelse gemeenschap met onheilige zielen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Zij beliegen zich zelven, liegen omtrent zich zelven, want zij hebben die gemeenschap met God niet en geen toegang tot Hem. Er is geen waarheid in hun belijdenis of wandel, of hun wandel toont dat hun belijdenis en beweren een leugen is en toont de dwaasheid en valsheid daarvan aan.
2. Voor de overtuiging en daaruit volgende voldoening van hen, die dicht bij God zijn.
Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden. Daar de gezegende God het eeuwige, onbeperkte licht is en de Middelaar door Hem het licht der wereld is, zo is het Christendom de grote verlichting, die in onzen kring verschijnt en hier beneden straalt. Een wandel dienovereenkomstig toont aan onze gemeenschap met God. Zij, die zo wandelen, bewijzen daardoor dat zij God kennen, dat zij den Geest Gods ontvangen hebben, en dat het beeld Gods in hun zielen afgedrukt is. Dan hebben wij gemeenschap met elkaar, zij met ons, en wij met hen, en wij allen gezamenlijk met God, door Zijn gezegende en verkwikkende openbaringen aan ons. En een van deze zaligmakende mededelingen van God aan ons is, dat het bloed Zijns Zoons en diens dood op ons ter zaligheid is toegepast.
Het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden. Het eeuwige leven, de eeuwige Zoon, heeft ons vlees en bloed aangenomen en werd daardoor Jezus Christus. Jezus Christus heeft Zijn bloed voor ons vergoten, Hij stierf om ons van onze zonden te wassen in Zijn eigen bloed. Zijn bloed, op ons toegepast, ontslaat ons van alle zondeschuld, zowel de aangeborene als de dadelijke, de inwonende als de bedreven zonde, en daardoor staan wij rechtvaardig voor Zijn aangezicht. En dat niet alleen, maar Zijn bloed verwerft ons ook die heilige invloeden, waardoor de zonde meer en meer ondergebracht wordt tot zij eindelijk vernietigd zal zijn, Galaten 3:13, 14.