28. En gij zult wonen in het land, dat Ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot aan volk zijn, en Ik zal u tot enen God zijn 1) (
Jeremia 31:31).
1) Het is niet indien gij Mijn volk wilt wezen, zal Ik uw God zijn, hoewel het zeer zeker is, dat wij niet komen verwachten dat God ons tot een God zal zijn, tenzij wij Hem tot een volk zijn. Maar Hij heeft ons eerst gekozen en liefgehad, wij Hem niet. Daarom is de voorwaarde uit de genade, is door de belofte, zowel als de beloning. Niet uit verdienste, niet uit de werken. Gij zult Mijn volk zijn, en dan zal Ik u tot een God zijn. En dit is de grondslag en hoeksteen van des gelovigen geluk; het is de Hemel zelf.
"Niet om uwentwil" d. i. niet omdat gij door uw gedrag aanspraak op redding hebt, "maar om Mijns heiligen naams wil", d. i. om Mijnen door de Heidenen ontwijden naam als heilig te bewijzen, doe Ik het, spreekt de Heere; en het eerste dat Hij tot heiliging van Zijnen naam wil doen, is de terugvoering van Israël uit de verstrooiing naar zijn land; het volgende is de reiniging des volks van zijne zonden.
Het van God afgevallen volk kwam in zijne verstrooiing eigenlijk voor als het volk, dat gene eenheid had, dat zonder meester was, en in die regeringloosheid en verlatenheid als het ongelukkigste der volken. De verklaring van God, dat Hij Israël wilde helpen, kan dus niet meer worden gedacht zonder een vergaderen, een vergaderen om zijnen God, die het principe, de levensbron dezer gemeenschap is. Hieraan sluit zich als tweede punt aan de "vergeving der zonde", de genade Gods, die het met schuld bevlekte volk rechtvaardigt en vrij spreekt. De vrucht der verlossende en de zonde vergevende werkzaamheid Gods is de heiliging, de geestelijke omkering en vernieuwing, de wedergeboorte des volks, gewerkt door de mededeling van Gods Geest, en zich openbarende in het vasthouden aan de getrouwheid omtrent Gods wet.
Daar het Oude Testament vele duidelijke, ondubbelzinnige voorzeggingen van Israëls wederbrenging bevat, ja deze leer bij alle Profeten wordt gevonden, zo kunnen wij ons ook niet verwonderen, dat deze hoop in het verstrooide Israël nog leeft, en juist in onzen tijd met kracht zich verheft. Zo diep is deze verwachting met de Joden vereenzelvigd, dat de Frankforter Rothschild, toen hem de Sultan der Turken, om aan zijn geldnood te ontkomen, Palestina te koop aanbood, aan dezen antwoordde: "wij kopen het niet, wij hebben het reeds door erfenis. " Hun verwachting zal ook worden vervuld, maar op andere wijze dan zij in hun ongeloof menen.
God verschoont Zijn volk en volbrengt den beloofden zegen, omdat Hij het tot drager Zijner heiligheid heeft uitverkoren, daar God krachtens Zijne heiligheid, die ook wil daargesteld zien in Zijn rijk als een trouw afschijnsel Zijner heerlijkheid. Krachtens deze wil God niet alleen, maar werkt en volvoert Hij ook het wegdoen van het kwaad, en de daarmee overeenkomende reinheid door de mededeling van Zijnen Heiligen Geest. Het gebod: "zijt heilig, want Ik, de Heere, uw God, ben heilig, " bevat tevens de belofte der verwezenlijking van een heilig Godsrijk, zo zeker als God zelf heilig is. In de idee der heiligheid des levenden Gods ligt ook zeker de levendige begeerte Gods uitgesproken, om Zich in deze Zijne heiligheid zowel negatief als positief te betonen en te bewijzen. Niet alleen in het richten van het kwaad en in de vernietiging van den goddeloze, maar ook in de verdelging van het boze en de omzetting en vernieuwing des zondaars. Krachtens enen nieuwen Goddelijken levensadem, de geestelijke schepping Gods in den mens, openbaart God Zich als de Heilige.
Het begrip van heiligheid naar de opvatting des Bijbels wordt bij ons zeer dikwijls in te beperkten zin opgevat als zedelijke heiligheid, die daarin bestaat, dat God het goede lief heeft en het kwade haat, en zelfs niets kwaads doet, dat Hij waarachtig, rechtvaardig en lankmoedig is. Dat alles behoort ongetwijfeld tot den Gode gewijden mens, maar het beantwoordt nog niet geheel aan het denkbeeld van heiligheid, want heilig is slechts wie zich aan God alleen en geheel heeft geofferd. Maar Gods heiligheid is naar het begrip van het goede niet af te meten, vermits het goede veeleer door het begrip God zijne betekenis en zijnen inhoud verkrijgt. Wat God lief heeft is goed en wat God verafschuwt is kwaad. Een gevolg der Goddelijke heiligheid is het zeker, dat Hij slechts het goede liefheeft en doet, het kwade zonder uitzondering haat. Doch het begrip Zijner heiligheid ligt niet in het liefhebben van het goede en in het haten van het kwade, maar in het alleen en zonder uitzondering. De heiligheid Gods is de zelfbewaring Gods naar Zijn Goddelijk wezen ondanks Zijne genadige nederbuiging tot de wereld. Hoe en waar God Zich in de wereld doet zien, hoe en waar Hij handelt, hoezeer Hij ook Zijne Goddelijke heerlijkheid aflegt uit liefde voor Zijne schepselen, steeds openbaart Hij Zich en handelt Hij alleen als God, onverminderd Zijne Godheid. Daarin is de heiligheid gelegen vgl. Jesaja 6:3.
Reeds oude dogmatici hielden de heiligheid Gods voor een uitvloeisel Zijner liefde, namelijk der reinste liefde Gods tot Zich zelven als den absoluut Goede, waardoor tevens het met majesteit afstoten van al wat kwaad en onrein is, van zelf is bepaald. Maar hoe kan de heiligheid Gods hier als die zijde van het Goddelijk wezen worden voorgesteld, welke de verlossing Israëls noodzakelijk eiste, en op den eersten aanblik alleen werk der genade schijnt te zijn? Tot deze behoorde zeker Israëls verkiezing alleen, hoewel ook de stichting van het Godsrijk in `t algemeen, waaraan de Goddelijke heiligheid werkelijk groot aandeel had. Nadat echter de verkiezing eenmaal geschied was, trad de Goddelijke heiligheid in ene zo wezenlijke betrekking tot Israël, dat de naam "de Heilige Israëls" een van de gewone namen Gods werd (Jesaja 1:14). Het raadsbesluit der verkiezing was uitgesproken als een onvoorwaardelijk besluit. Met het ogenblik daarom, dat God het volk voor altijd zou verworpen hebben, ware Hij ingetreden in het gebied der zonde, ware Hij niet meer Jehova, de Zijnde, van Wien iedere verandering, niet meer de Heilige, van Wien de wisseling van licht en duisternis uitgesloten is. Hoe de Goddelijke heiligheid de vervulling van elke uit genade gegevene belofte eist, omdat God geen mens is, noch een mensenkind, dat Hem iets zou berouwen, blijkt duidelijk uit de plaats Psalm 89:36, : "Ik heb eens gezworen bij Mijne heiligheid: zo Ik aan David liege! Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn; " en verder uit Exodus 33:19, Romeinen 9:15. Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. " Bij God is geen schijn, geen luim; Hij zou zich zelven moeten verloochenen, wanneer Hij anders wilde dan Hij eens gewild heeft. Ook Israëls zonde, hoe groot die mocht zijn, hief den eis der verlossing voor Gods heiligheid niet op. God, de Alwetende, toch zag die zonde vooruit, toen Hij de onvoorwaardelijke belofte gaf. Voor Hem, den God der geesten van alle vlees, kwam zij niet onverwacht. Hij kon de zondaars verdelgen-Hij moest het juist omdat Hij heilig was, maar nooit kon Hij geheel Israël overgeven, altijd moest Hij een overblijfsel (Sjeerith) overlaten. De grootheid der zonde was voor Hem slechts een eis, om de krachtigste middelen van reiniging en heiliging in `t werk te stellen; Hij zou onheilig zijn, wanneer Hij niet heiligde; want dan zou Hij toch niet het Zijne tot vervulling Zijner belofte gedaan hebben, waaraan van wege de gesteldheid der menselijke natuur door uitwendige weldaden maar zeer weinig zou zijn voldaan. Dat nu hier Israëls verlossing als tegenover alle verdienste en alleen om Gods wezen, om Zijne heiligheid geschied wordt voorgesteld, was aan de ene zijde zeer verootmoedigend; het sloeg allen menselijken roem ter neer; aan de andere zijde was het ook zeer troostvol de beangstigde en verslagene harten erkenden daaruit, dat hun heil ganselijk niet op menselijken grond berustte, in `t geheel niet door de zonden van hun volk werd weggenomen. De Heidenen waanden, zoals nog heden vele Christenen doen, dat Israël voor altijd door den Heere uit Kanaän was verstoten, dat zijn plan met Israël verijdeld was; zulk ene schijnbare lastering weerlegt de Heere hier als de Heilige in Israël, want Israël was en bleef ondanks alle zijne oordelen het eeuwige volk der eeuwige verkiezing, en Israëls wederbrenging ene zaak van Zijnen eed en van Zijne eer.
Een vlesen hart kenmerkt zich door tederheid aangaande de zonde. Ene onreine gedachte, of een bedorven wens voor een enkel ogenblik gekoesterd te hebben, is genoeg om een vlesen hart voor `s Heeren aangezicht te bedroeven. Het stenen hart beschouwt de grootste overtreding als van luttel betekenis, niet alzo het vlesen hart.
O Heer! wil mij terstond kastijden Wanneer ik op een bijpad dwaal, En doe mijn hart van droefheid smelten, Dat ik Uw liefde zo betaal. Het vlesen hart is teder omtrent Gods wil. Meester Eigenzin is een grote bluffer, en het valt moeilijk hem te onderwerpen aan Gods wil; maar wanneer het vlesen hart wordt geschonken, dan buigt zich de wil, gelijk een espenblad voor elken wind des hemels, vernedert zich ter aarde als een bieze voor elken adem des Geestes. De natuurlijke wil is koud, hard als ijzer, dat zich tot geen fatsoen laat hameren; maar de vernieuwde wil wordt als gesmolten metaal, spoedig gevormd door de hand der genade. In het vlesen hart is de tederheid der toegevendheid. Het harde hart bemint den Heiland niet, maar het vernieuwde hart brandt van liefde jegens Hem. Het harde hart is zelfzuchtigen vraagt met onverschilligheid: "waarom zou ik wenen over de zonde, waarom zou ik den Heere liefhebben?" Maar het vlesen hart zegt: Heere, Gij weet, dat ik U liefheb, help mij U meer beminnen!" Vele zijn de voorrechten van dit vernieuwde hart; hier is het dat Jezus verkeert, hier is het dat de Geest woont. Het is bereid om elken zegen te ontvangen, en elke zegen daalt er ook op neer. Het is gereed om elke hemelse vrucht voort te brengen tot prijs en ere Gods, en daarom verheugt zich de Heere er in: Een teder hart is de beste beveiliging tegen de zonde en de beste voorbereiding voor den hemel. Een vernieuwd hart staat op den wachttoren, uitziende naar de komst des Heeren Jezus. Hebt gij dit vlesen hart? .
Door den Heiligen Geest ons te geven geeft God Zich zelven, ons tot een onverliesbaar deel en eeuwige erve. Ziet gij nu de heerlijkheid van het Evangelie? Zij ligt daarin dat het den mens niet enkel iets van Gods wege maar God zelven geeft. Een iegelijk zondaar, die gelooft, heeft den enigen, drieëenigen God zelven tot zijn deel in eeuwigheid. Daarom zei Christus tot de Zijnen in den nacht vóór Zijn schuldverzoenend lijden en sterven: "Zo iemand Mij lief heeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. (Johannes 14:23). Gelovende, worden wij in onmiddellijke betrekking tot God gesteld; wij worden niet als God, ook zullen wij niet persoonlijk wonen in God, neen God zal wonen in ons, ja eenmaal zal Hij alles zijn in allen.