Genesis 3:14-15
Daar nu de gevangenen schuldig zijn bevonden door hun eigen bekentenis, behalve nog door de onfeilbare, persoonlijke kennis van de Rechter, gaat God er nu onmiddellijk toe over-niets van gewicht aangevoerd zijnde om het te verhinderen-om het vonnis uit te spreken. En in deze verzen begint Hij waar de zonde is begonnen, nl. met de slang. God heeft de slang geen verhoor afgenomen, hem niet gevraagd wat hij gedaan heeft, of waarom hij het gedaan heeft, maar hem onmiddellijk gevonnist.
1. Omdat hij reeds schuldig was bevonden aan rebellie tegen God, en zijn boosaardigheid openbaar was, niet aan het licht gebracht door een geheim onderzoek, maar openlijk erkend en uitgesproken, zoals die van Sodom.
2. Omdat hij voor altijd uitgesloten was van alle hoop op genade en vergeving, waarom zou dan iets gezegd worden om hem van zonde te overtuigen en te verootmoedigen, die toch geen plaats voor berouw zou vinden? Zijn wonde was niet gepeild, omdat zij niet genezen moest worden. Sommigen denken, dat de toestand van de gevallen engelen niet hopeloos en hulpeloos verklaard was, vóór het ogenblik, dat zij de mens tot opstand verleid hebben.
Het vonnis over de verleider uitgesproken, kan beschouwd worden: I. Als neerkomende op de slang, het redeloze dier, waar Satan gebruik van heeft gemaakt, en dat, evenals de overigen, gemaakt was ten dienste van de mens, maar nu misbruikt werd om hem te schaden. Teneinde dus ongenoegen te betuigen tegen de zonde en naijver wegens de geschonden eer van Adam en Eva, laat God een vloek en smaad komen op de slang, en laat hem "zuchten, bezwaard zijnde", 2 Corinthiërs 5:4. Des duivels werktuigen moeten delen in des duivels straf- zo zullen de lichamen van de bozen, hoewel zij slechts wapenen van de ongerechtigheid zijn, delen in de eeuwige pijniging van de ziel, de voornaamste werkster, die deze wapenen der ongerechtigheid gebruikt. Zelfs de os, die een mens doodde moest gestenigd worden, Exodus 21:28, 29. Zie hier, hoe God de zonde haat, en inzonderheid hoe groot Zijn misnoegen is op hen, die anderen tot zonde verleiden. Het is een altijddurend brandmerk op Jerobeams naam, dat "hij Israël deed zondigen." Nu wordt,
1. De slang hier onder de vloek van God gelegd: Gij zijt vervloekt boven al het vee, zelfs de kruipende dieren waren door God gezegend, toen Hij ze gemaakt heeft, Hoofdstuk 1:22, maar de zonde heeft de zegen in een vloek verteerd. De slang was listiger dan al het gedierte van het veld, vers 1, en hier: vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte van het veld. Ongeheiligde schranderheid wordt loosheid, of list, en blijkt dikwijls een grote vloek te zijn voor de mens, en hoe listiger de mensen zijn om kwaad te doen, hoe meer onheil zij teweegbrengen, en bijgevolg zullen zij dan ook zoveel zwaarder oordeel ontvangen. Listige verleiders zijn de meest gevloekte schepselen onder de zon.
2. Hij wordt hier onder des mensen smaad en vijandschap gelegd.
a. Hij zal altijd als een laag, verachtelijk wezen worden beschouwd een geschikt voorwerp van afgrijzen en verachting. Op uw buik zult gij gaan, niet langer op voeten, of half recht op, maar gij zult kruipen, uw buik klevende aan de aarde," (een uitdrukking om een uiterst lage, ellendige toestand aan te duiden, Psalm 44:26), "en gij zult niet vermijden stof te eten met uw spijze." Zijn misdaad was, dat hij Eva verleidde om te eten wat zij niet moest eten, zijn straf was, dat hij genoodzaakt werd te eten wat hij niet wilde eten. Stof zult gij eten waardoor niet slechts een lage, verachtelijke toestand wordt aangeduid, maar een lage, armzalige geest. Van hen, wier moed van hen geweken is, wordt gezegd, dat zij "stof zullen lekken als de slang," Micha 7:17. Hoe treurig is het, dat de vloek over de slang, de keus is van de wereldling, wiens aard het is te "hijgen naar het stof van de aarde!" Amos 2:7. Dezen verkiezen hun eigen bedriegerijen, en zo zal dan ook hun oordeel wezen.
b. Hij moet voor altijd als een venijnig, schadelijk wezen beschouwd worden, een voorwerp van haat en verfoeiing: Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw. De lagere schepselen gemaakt zijnde ten behoeve van de mens, was het een vloek voor diegenen onder hen, die tegen de mens gekeerd werden, en tegen wie de mens gekeerd werd, en dit is een deel van de vloek over de slang. De slang is schadelijk voor de mens, vermorzelt dikwijls zijn verzenen, omdat hij niet hoger reiken kan, er wordt nota genomen van zijn bijten van de verzenen des paards, Hoofdstuk 49:17. Maar de mens zegeviert over de slang, en vermorzelt zijn kop, dat is: brengt hem een dodelijke wonde toe, het er op toeleggende om geheel het adderengebroedsel uit te roeien. Het is de uitwerking van de vloek over de slang, dat dit schepsel, hoewel listig, en hoogst gevaarlijk, er toch niet in slaagt (hetgeen wel het geval zou wezen, als God er hem de opdracht toe gaf) om het mensdom te verderven. Maar die vrees voor slangen is zeer verminderd door deze belofte van God aan Zijn volk, Psalm 91:13, "Op de fellen leeuw en de adder zult gij treden," en die van Christus aan Zijn discipelen, Markus 16:18 : "Slangen zullen zij opnemen," getuige Paulus, die ongedeerd bleef door de adder, die zijn hand had gevat.
Merk hier op, dat de slang en de vrouw even te voren in gemeenzaam en vriendelijk gesprek met elkaar zijn geweest over de verboden vrucht en dat er een verwonderlijke overeenstemming tussen hen heerste, maar nu zijn zij in onverzoenlijke vijandschap met elkaar. Zondige vriendschap zal, met recht, in dodelijke vijandschap eindigen. Zij, die zich samen verenigen in boosheid, zullen niet lang verenigd blijven.
II. Het vonnis kan beschouwd worden, als gericht tegen de duivel, die slechts gebruik maakte van de slang als zijn voertuig bij deze verschijning, maar zelf de aanlegger was van het kwaad. Op hem die door de mond van de slang gesproken heeft, wordt hier door de zijde van de slang een slag gericht, hij is voornamelijk bedoeld in het vonnis, dat, even als de wolk- en vuurkolom een duistere zijde heeft, gekeerd naar de duivel, en een verlichte zijde, gekeerd tegen onze eerste ouders en hun zijn. Het zijn grote dingen, die in deze woorden liggen opgesloten.
1. Hier wordt een eeuwigdurende smaad gelegd op die grote vijand van God en mensen. Onder de naam van slang wordt hij hier veroordeeld om:
a. Verlaagd en vervloekt te zijn door God. Men veronderstelt, dat hoogmoed de zonde was, die engelen in duivelen heeft verkeerd, hetgeen hier rechtvaardiglijk gestraft wordt met een grote verscheidenheid van vernederingen, uitgedrukt door de lage toestand van een slang, kruipende op zijn buik, en het stof likkende. Hoe zijt gij gevallen, o morgenster! Hij, die boven God wilde zijn en een opstand tegen Hem wilde aanvoeren, wordt hier rechtvaardiglijk van de verachting prijs gegeven, en ligt neer om vertreden te worden. De hoogmoed des mensen zal hem vernederen en God zal diegenen vernederen, die zich niet willen verootmoedigen.
b. Verfoeid en verafschuwd te worden door geheel het mensdom, zelfs diegenen, die tot zijn belangen worden overgehaald, geven toch nog voor hem te haten en te verafschuwen, en allen, die uit God geboren zijn, maken het tot hun voortdurende zorg, dat de boze hen niet zal vatten, 1 Johannes 5:18. Hij is hier veroordeeld tot een staat van oorlog en onverzoenlijke vijandschap. c. Vernietigd en ten verderve te worden gebracht ten laatste, door de grote Verlosser, hier aangeduid door het vermorzelen van zijn kop. Zijn listen en lagen zullen allen verijdeld worden, de macht, die hij zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, zal geheel en al vernietigd worden en voor eeuwig zal hij een gevangene zijn van de beledigde eer van de Goddelijke vrijmacht. Doordat hem dit nu gezegd werd, was hij gepijnigd vóór de tijd.
2. Hier begint een eeuwigdurende twist tussen het koninkrijk Gods en het rijk van de duivel onder de mensen. De krijg is verklaard tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. De oorlog in de hemel tussen Michael en de draak is nu aangevangen, Openbaring 12:7. Het is de vrucht van deze vijandschap, dat er een voortdurende strijd gestreden wordt tussen genade en bederf in het hart van Gods volk. Door hun bederf valt Satan hen aan, slaat hen met vuisten zift hen. Door de oefening van hun genade weerstaan zij hem, worstelen zij met hem, blussen zij zijn vurige pijlen uit, noodzaken zij hem van hen te vlieden. De hemel en de hel kunnen nooit met elkaar verzoend worden, evenmin als licht en duisternis, of Satan en een geheiligde ziel want die allen zijn tegenstrijdig met elkaar.
b. Dat er evenzeer aanhoudend strijd is tussen de bozen en de Godvruchtigen in deze wereld. Zij, die God liefhebben, achten hen, die Hem haten, hun vijanden te zijn, Psalm 139:21-22. En al de woede en boosaardigheid van vervolgers tegen het volk Gods zijn de vrucht van deze vijandschap, die voort zal duren, zolang er een Godvruchtige is aan deze zijde van de hemel, en een goddeloze aan deze zijde van de hel. "Verwonder u dus niet, zo u de wereld haat,' 1 Johannes 3:13.
3. Hier wordt een genaderijke belofte gegeven van Christus, als de Bevrijder van de gevallen mens uit de macht van Satan, hoewel gezegd tot de slang, was het toch zo gezegd, dat onze eerste ouders het hoorden, die ongetwijfeld de wenken van genade, die hun gegeven waren, hebben begrepen, en een deur van de hoop voor zich geopend zagen, want anders zou het volgende vonnis hen overstelpt hebben. Hier was het aanbreken van de Evangeliedag, niet zodra was de wonde toegebracht, of het geneesmiddel was geschonken en geopenbaard. Hier, "in het hoofd des boeks", zoals het woord luidt in Hebreeën 10:7, in het begin van de Bijbel, is van Christus geschreven, dat Hij "de wil Gods zou doen." Wij hebben reden om te denken, dat onze eerste ouders en de patriarchen vóór de zondvloed door het geloof in deze belofte gerechtvaardigd en behouden werden en tot deze belofte en het voordeel ervan hebben zij geduriglijk nacht en dag God dienende verhoopt te komen. Hier wordt hun betreffende Christus kennis gegeven van drie dingen.
a. Zijn menswording, dat Hij zou worden het Zaad van de vrouw, het Zaad van deze vrouw, daarom klimt Zijn geslachtslijst in Lukas 3 zo hoog, dat zij Hem toont te zijn de Zoon van Adam, maar God doet aan de vrouw de eer van Hem haar Zaad te noemen, omdat zij het was, die door de duivel bedrogen werd, en op wie Adam de schuld had gelegd. Hierin verheerlijkt God Zijn genade, dat zij, hoewel de eerste in de overtreding, toch behouden zal worden door kinderen te baren (zoals sommigen het lezen) dat is: door het beloofde Zaad, dat van haar zal afstammen, 1 Timotheus 2:15. Hij moest ook het Zaad wezen alleen van de vrouw, een maagd opdat Hij niet besmet zou worden met het bederf van onze natuur. Hij was uitgezonden "geworden uit een vrouw," Galaten 4:4, opdat deze belofte vervuld zou worden. Het is een grote bemoediging voor zondaren, dat hun Zaligmaker "het Zaad van de vrouw is, been van ons gebeente" Hebreeën 2:11, 14. De mens is zondig en onrein omdat hij "van een vrouw geboren is," Job 25:4 en daarom "zijn zijn dagen vol van onrust," Job 14:1. Maar het Zaad van de vrouw is voor ons zonde gemaakt en een vloek, ten einde ons van die beide te redden. b. Zijn lijden en dood, waarop gewezen wordt in de uitspraak dat Satan zijn verzenen zal vermorzelen, dat is Zijn menselijke natuur. Satan heeft Christus verzocht in de woestijn, om Hem tot zonde te brengen, en sommigen denken, dat het Satan was, die Christus verschrikte in Zijn doodsbenauwdheid, ten einde Hem tot wanhoop te brengen. Het was de duivel, die het Judas in het hart gaf om Christus te verraden, en aan Petrus om Hem te verloochenen, en aan de overpriesters om Hem te vervolgen, aan de valse getuigen om Hem te beschuldigen, en aan Pilatus om Hem te veroordelen, in dit alles beogende om, door de Zaligmaker te verdelgen, de zaligheid te vernietigen, maar het was integendeel door de dood, dat Christus "hem teniet gedaan heeft, die het geweld des doods had" Hebreeën 2:14. Christus' verzenen werden vermorzeld, toen Zijn voeten doorboord en aan het kruis genageld werden, en Christus' lijden gaat voort in het lijden van de heiligen om Zijns naams wil. De duivel verzoekt hen, werpt hen in de gevangenis, vervolgt en doodt hen, en aldus vermorzelt Hij Christus' verzenen, daar Hij in hun benauwdheden benauwd is. Maar het is goed, dat, terwijl de verzenen vermorzeld zijn op de aarde, het Hoofd veilig is in de hemel.
c. Zijn overwinning hierin over Satan. Satan had nu de vrouw vertreden en over haar gejuicht, maar in de volheid des tijds zal het Zaad van de vrouw verwekt worden, om wrake te doen en hem te vertreden, hem te beroven, hem gevangen te leiden en over hem te triomferen, Colossenzen 2:15. Hij zal zijn kop vermorzelen dat is: Hij zal al zijn raadslagen op niets doen uitlopen, al zijn macht vernietigen, zijn koninkrijk en zijn belangen terneder werpen. Christus heeft Satan teleurgesteld in zijn verzoekingen zielen uit zijn handen gered, hem uitgeworpen uit de lichamen van de mensen, de sterk gewapende uit de bezitting verdreven en de roof gedeeld. Door Zijn dood heeft Hij een noodlottige, onherstelbare slag toegebracht aan het rijk van de duivel, een wonde toegebracht aan de kop van het beest, die nooit genezen kan worden. Naarmate het Evangelie veld wint valt Satan, Lukas 10:18, en hij wordt gebonden, Openbaring 20:2. Door Zijn genade vertreedt Hij Satan onder de voeten Zijns volks, Romeinen 16:20, en weldra zal Hij hem in de poel des vuurs werpen, Openbaring 20:10. En de neder werping van de duivel zal van het verkoren overblijfsel de volkomene en eeuwige blijdschap en heerlijkheid wezen.