5. Omdat gij, Edomieten! ene eeuwige a) vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israëls doen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid. De maat daarvan is zo vol geworden, dat daaraan nu een einde moet worden gemaakt (
Hoofdstuk 21:29).
a) Ezech 20:15. 6. Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, tot een bloedbad maken, en het bloed zal u vervolgen; alzo gij het bloed niet hebt gehaat, in bloedvergieten uw lust hebt gehad, zal u het bloed ook vervolgen.
Sterke voorstelling, beeldrijkheid en aanschouwelijkheid onderscheidt overal den Profeet Ezechiël, zo ook hier. Hij neemt thans uit het vorige hoofdstuk (34:29) de belofte weer op, dat Israël den smaad der Heidenen niet meer zal dragen; maar deze belofte verkrijgt ene gedachte, zij neemt vlees en bloed aan, daar hij tegenover de bergen Israëls (Vers 14 het gebergte van Seïr stelt, waar Israëls doodvijanden, de Edomieten, woonden. In ene dreigende vloekbede over het gebergte Seïr vat hij den vloek over de vijanden van den Heere en Zijn volk, over de vijanden Zions in een typisch beeld te zamen, en dit woord van vervloeking is reeds ter voorbereiding van de volgende zegenbede over de bergen Israëls in Hoofdstuk 36.
Dat het land en het volk van Edom in het voor ons liggend hoofdstuk als het gebergte van Seïr wordt voorgesteld, heeft niet alleen daarin zijne reden, dat in Hoofdstuk 36 in herinnering aan het vorige Godswoord het land en volk Gods als de bergen Israëls worden voorgesteld; integendeel worden bijv. ook in Zacharia 6:1, het rijk van de wereldmacht aan de ene zijde en het rijk Gods aan de andere zijde als twee bergen aangezien, die zich tegenover elkaar verheffen, of met andere woorden, zowel de wereldmacht in hare geschiedkundige ontwikkeling als ook het rijk Gods in zijne geschiedkundige ontplooiing staan der profetie als bergen voor den geest. Reeds hieruit blijkt, dat, wat in ons hoofdstuk over Edom wordt gezegd, niet Edom alleen aangaat, dat dit integendeel hier als vertegenwoordiger van het Heidendom, van de Gode en Zijn volk vijandige mensheid voorkomt. Dit wordt nu ook door een rij van bijzonderheden beveiligd, zo bijv. door hetgeen in Vers 14 van de vreugde der gehele aarde in tegenstelling tegen de over Edom gekomen verwoesting gezegd wordt. Zulk een betekenis kon aan Edom op zich zelf niet worden gegeven, maar alleen in zoverre als daarin de Gode vijandige wereldmacht in `t algemeen, het principe van vijandschap tegen God is voorgesteld. Het is toch ook bovendien hier niet de plaats voor ene bijzondere voorzegging tegen Edom alleen; juist zo komt in Jesaja 63:1-8 Edom voor als vertegenwoordiger van het ganse Gode vijandige Heidendom.
Edom stelt voor den Profeet niet alleen alle nationale vijanden voor, die in leedvermaak, in haat en eeuwige vijandschap het arme Israël hebben gesmaad, en in tijd van nood, als de straf voor zijne zonden haar toppunt had bereikt, daartegen met zijne vijanden gemene zaak hebben gemaakt, maar hier het eigenlijke volk, dat zich tegen de macht en de zegeningen van den staat Gods overstelt.
Wat in de profetie en tegen buitenlandse volken (Hoofdstuk 25-32) uitvoerig was ontwikkeld, wordt hier in korte woorden saamgevat, en aan Edom aangewezen. De karakteristieke tekenen van het Heidendom, de openbaringen der zonde, om wier wil het zijne straf ontvangt, worden aangewezen, en het doodvonnis wordt tegen hen door den Profeet uitgesproken.