10. Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, die ook nog in ander opzicht zullen worden bezocht, en Ik zal Mijne schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zich zelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijne schapen uit hunnen mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.
De strijdvraag onder de uitleggers, of door de "herders, " uit wier hand en tirannie de Heere Zijne kudde, Israël, wil redden, priesters en koningen, of de valse profeten en leraars des volks, of alleen de koningen, of allen, die van ambtswege leidslieden des volks zijn, regenten, priesters en profeten moeten worden verstaan, is zó te beantwoorden, dat alleen de regenten des volks zijn bedoeld. Dit brengt zowel het Bijbelse begrip van herders in `t algemeen mede, dat overal alleen de regenten bedoelt, als in `t bijzonder de hoofdplaats Jeremia 23:1, waar onder de herders de koningen en vorsten met uitsluiting van de priesters en profeten, tegen welke Jeremia eerst van Vers 9 af voorspelt, moeten worden verstaan; eindelijk de tegenstelling tegen den goeden Herder David, die als vorst (Vers 23 v.), niet als priester of profeet, de kudde van Jehova zou weiden. Men mag echter niet alleen aan de koningen denken, maar moet daaronder alle personen verstaan, aan wie de regering des volks is opgedragen, of het geheel der burgerlijke overheden van Israël, waarbij priesters en profeten, niet naar deze hun geestelijke roeping en naar hunnen stand, maar alleen in zo verre zij overheidsambten bekleedden, mede in aanmerking kunnen komen. De beperking van het woord "herders" tot de koningen is, afgezien van andere redenen, reeds daarom niet vast te houden, omdat onze voorzegging, die uit den tijd van Jeruzalems ondergang afkomstig is, niet alleen op de vorige regenten, op de koningen, die met het rijk van Juda zijn gevallen, ziet, maar, hoewel van herders handelende, die Israël onder de volken hebben verstrooid, toch het eigendunkelijk handelen dezer herders voorstelt als in dien tijd nog voortdurende. De verwijdering van deze of de redding der kudde uit hun hand, verkondigt hij als volgende in de toekomst (Vers 8-10). Het heeft dus betrekking op de wereldlijke oversten, die Israël na de opheffing van het koningschap en nog na de ballingschap tot de komst van den vorst Davids, den Messias, regeerden.
Dat de herders alleen de burgerlijke vorsten zijn, benevens de koningen, ook de groten, die gedeeltelijk nog erger waren dan zij (Jeremia 38:5) en niet de priesters en profeten, blijkt ook uit de gehele beschrijving van hun handelen, waarin niets voorkomt van valse leer, maar alleen dat, wat op slechte burgerlijke oversten past, tirannie, geweld, omkering van het recht. Dat in het Nieuwe Testament op de Farizeën wordt toegepast, wat hier van slechte herders is gezegd (Johannes 10:8, 10), geeft ons te minder recht, hier aan meerderen dan aan de burgerlijke oversten te denken, daar in de tijden van het Nieuwe Testament de Farizees gezinde hiërarchie ook de plaats van het burgerlijk bestuur innam.
Het weer opnemen van ene profetie van Jeremia is hier zeker niet toevallig; even als Ezechiëls eerste optreden zich zeer nauw aan Jeremia's werkzaamheid aansloot, zo ook deze zijne overname van ene nieuwe beroepswerkzaamheid. Het heil, dat hij verkondigt, is, hoewel nog geenszins wat die verdorvenheid begeerde (Hoofdstuk 33:23), toch ook gene bloot subjectieve fantasie of uitvinding van den Profeet; het is geen ander, dan het oude, door God sedert lang verkondigde, aan Israël beloofde heil. Om deze gedachte recht aanschouwelijk voor te stellen, sluit Ezechiël zijne hoofdprofetie van genade op het nauwst aan die van zijnen tijdgenoot Jeremia; in deze schone harmonie van beider roeping en woord lag een heerlijk bewijs voor de Goddelijke genade der profetische uitspraken. Verder was het wee roepen van Jeremia tegen de herders, de koningen van Juda, nu vervuld.
De laatste van deze, Zedekia, heeft nu zijn loon gevonden. In het Davidische koningschap concentreren zich de zegeningen Gods, de beloften voor de theokratie. Tot hiertoe zijn echter deze niet alleen niet vervuld, maar de koningen zijn zelfs de bewerkers van Israëls verderf geworden. Met deze beschouwing opent zich dus een blik op de buitengewone diepte van ellende, waarin het volk was gestort; hier is elke gedachte aan bloot menselijke hulp ten einde. Het komt er den Profeet in `t bijzonder op aan, om die ellende des volks te ontdekken, het bewustzijn daarvoor en het verlangen naar de Goddelijke hulp, het waarachtig heil op te wekken. In dit opzicht worden de herders des volks hier in `t bijzonder vermeld, om de ontzettende smart over hun verderfelijke werkingen, den jammervollen toestand des volks met de grootst mogelijke scherpte voor te stellen.
Zeker is de toestand des volks, dien de ontrouw der herders heeft te weeg gebracht (Vers 2-6) niet alleen de schuld der herders, maar ook van het volk zelf. Maar dit is het eigenaardige van dit Gods woord, dat het in zijne begeerte tot genade van deze zijde der schuld soms afziet.
De bestraffing der slechte herders, de daad der Goddelijke gerechtigheid komt in Vers 10 eveneens als ene daad der genade omtrent de kudde voor. De Heere verlost deze van onrechtvaardig geweld, dat haar onophoudelijk ten verderve leidde.
De redding der schapen uit de hand der slechte herders was reeds begonnen met de vernietiging van het koningschap bij de verwoesting van Jeruzalem. In dezen tijd bevindt zich het volk nog altijd in de hand van zulke slechte herders; de redding is, zal zij volkomen zijn, dus nog altijd iets toekomstigs.
Zelfs de Chasmoneërs betoonden zich, zo als hun geschiedenis (zie het slot van het de boek der Makkabeën) aantoont, slechte herders van de in Vers 2-4 beschrevene soort, en brachten ten laatste de verstrooiing der kudde en hare overgave aan de wilde dieren teweeg, zodat Gods volk nu onder de opperheerschappij der Romeinen en order de tirannie der Herodianen geraakte. Het was toen werkelijk als ene kudde zonder herder (Mattheus 9:36), ook in burgerlijk opzicht; zulk een herderloze toestand en de daarmee nauw verbondene verstrooiing ontneemt daaraan het karakter van een enig in God verbonden, waar verbondsvolk, en is daarmee geheel onverenigbaar.