Johannes 10:1-18
Het is niet zeker of deze rede gehouden werd op het feest der vernieuwing des tempels in den winter, waarvan gesproken wordt in vers 22, dat als de datum kan genomen worden, niet slechts van hetgeen volgt, maar ook van hetgeen voorafgaat. Hiervoor pleit, dat Christus in Zijne rede de gelijkenis voortzet der schapen, vers 26, 27, waaruit men kan opmaken, dat die rede en deze rede op dezelfden tijd gehouden werden. Of dat het ene voortzetting was van Zijn gesprek met de Farizeeën aan het einde van het vorige hoofdstuk. De Farizeeën steunden in hun tegenstaan van Christus op dit beginsel, dat zij de herders der kerk waren, en dat Jezus, gene opdracht van hen hebbende, een indringer en bedrieger was, en dat daarom het volk verplicht was hen tegenover Hem aan te hangen. Hiertegenover geeft Christus hier ene beschrijving van de valse herders en van de ware, het aan hen overlatende om daaruit af te leiden wat zij waren.
I. De gelijkenis, hier voorgesteld, vers 1-5. Zij is ontleend aan de gewoonte van dat land voor het besturen en behandelen der schapen. Gelijkenissen, ter opheldering van Goddelijke waarheden, behoren ontleend te worden aan dingen, waarmee men zeer bekend en vertrouwd is, opdat de dingen Gods niet duister gemaakt worden door hetgeen ze behoort te verduidelijken. De inleiding tot deze rede is plechtig: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik ulieden -Amen, amen. Deze vurige, plechtige verzekering duidt het stellige en belangrijke aan van hetgeen Hij zei, wij vinden het amen verdubbeld in de lofzeggingen en gebeden der kerk, Psalm 41:14, 72:19, 89:53. Indien wij onze amens aangenomen willen zien in den hemel, zo laat Christus' amens, zijn herhaalde amens, overmogen op de aarde.
1. In de gelijkenis hebben wij:
a. De kenmerkende eigenschap van een dief en moordenaar, die komt om kwaad te doen aan de kudde en schade toe te brengen aan den eigenaar, vers 1. Hij gaat niet in door de deur, daar hij geen wettige reden heeft om in te gaan, maar klimt in van elders, door een venster, of een scheur in den muur. Hoe vlijtig zijn de goddelozen om kwaad te doen! Welke plannen zullen zij maken, welk ene moeite zullen zij zich geven, aan welk gevaar zullen zij zich blootstellen in hun goddeloos bedrijf! Dit moest ons beschaamd maken over onze traagheid en lafhartigheid in den dienst van God.
b. Het karakter, waardoor de ware eigenaar onderscheiden wordt: de schapen behoren hem, en hij zorgt er voor: Hij gaat in door de deur, als gezaghebbende, vers 2, en hij komt om hun den een of anderen goeden dienst te bewijzen, om het gebrokene te verbinden en het zieke te versterken, Ezechiël 34:16. Schapen behoeven de zorg der mensen, en zijn van hun kant dienstig aan den mens, 1 Corinthiërs 9:7, zij kleden en voeden hen, door wie zij beschut en gevoed worden.
c. Den gereden toegang, dien de herder vindt: dezen doet de deurwachter open, vers 3. In oude tijden hadden zij de schaapskooien aan de buitenzijde der poorten hunner huizen, tot meerdere veiligheid der kudden, zodat niemand door den rechten weg tot hen kon komen dan dezulken, aan wie de deurwachter opendeed, of aan wie de heer des huizes den sleutel gaf.
d. De zorg, die hij neemt voor zijne schapen, en hoe hij voor hen voorziet. De schapen horen zijne stem, als hij gemeenzaam tot hen spreekt wanneer zij in de schaapskooi komen, zoals de mensen nu tot hun honden of paarden spreken. En wat meer is: hij roept zijne schapen bij name, zo juist en nauwkeurig kent hij ze en houdt hij rekening van ze, en hij leidt ze uit de schaapskooi in de groene weide, vers 4, 5. En als hij ze naar buiten voert om te grazen, dan drijft of jaagt hij ze niet, maar (naar de gewoonte van dien tijd) gaat hij voor hen heen, om kwaad of gevaar af te weren dat hen zou kunnen ontmoeten, en zij, daaraan gewoon zijnde, volgen hem en zijn veilig.
e. Hoe verwonderlijk de schapen op den herder letten: Zij kennen zijne stem, zodat zij er zijn wil door begrijpen, en onderscheiden haar van die eens vreemden (want de os kent zijn bezitter, Jesaja 1:3) maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar, alsof zij een boze bedoeling vermoeden zullen zij van hem vlieden, daar zij zijne stem niet kennen, maar weten dat het niet de stem huns herders is. Dat is de gelijkenis, den sleutel er van hebben wij in Ezechiël 34:31:Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen, maar Ik ben uw God.
2. Laat ons van deze gelijkenis opmerken:
a. Dat Godvruchtige mensen zeer gepast vergeleken worden bij schapen. Als schepselen, afhankelijk van hun Schepper, worden de mensen de schapen Zijner weide, genoemd. Als nieuwe schepselen hebben Godvruchtige mensen de goede eigenschappen van schapen, zijn zij onnozel en argeloos als schapen, zachtmoedig en stil, zonder gedruis, geduldig, als schapen onder de hand van den scheerder en van den slachter, nuttig en bruikbaar, tam en volgzaam jegens den herder, gezellig onder elkaar, en veel gebruikt voor offers.
b. De kerk Gods in de wereld is ene schaapskooi, waarin "de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een vergaderd worden, Hoofdstuk 11:52, en waarin zij verenigd en ingelijfd worden, het is een goede schaapskooi, Ezechiël 34:14, zie Micha 2:12. Deze kooi is wèl versterkt, want God zelf is als een vurige muur rondom haar, Zacheria 2:5.
c. Die schaapskooi ligt blootgesteld aan dieven en moordenaars, listige ver- leiders, die bedriegen, en wrede vervolgers, die verwoesten en verslinden, zware wolven, Handelingen 20:29, dieven, die Christus Zijne schapen zoeken te ontstelen, om ze aan den duivel te offeren, of hun hun voedsel ontstelen, om ze te laten omkomen van gebrek er aan, wolven in schaapsklederen, Mattheus 7:15.
d. De grote Herder der schapen draagt op wondervolle wijze zorg voor de kudde en voor alles, wat er toe behoort. God is de grote Herder, Psalm 23:1, 80:2. Hij kent degenen, die Zijne zijn, noemt hen bij hun naam, zet Zijn merk of stempel op hen, voert hen in groene weiden, doet hen daar weiden en neerliggen, spreekt tot hen van vertroosting, bewaart hen door Zijne voorzienigheid, leidt hen door Zijn Geest en woord, en gaat voor hen henen, om hen te zetten op den weg Zijner voetstappen.
e. De onderherders aan wie het voeden der kudde Gods is toevertrouwd, moeten zeer nauwkeurig en getrouw zijn in de tenuitvoerbrenging van hun opdracht, de overheid moet hen beschermen en al hun wereldlijke belangen bevorderen, evangeliedienaren moeten hen dienen in hun geestelijke belangen, moeten hun ziel voeden met het woord van God, getrouwelijk verklaard en toegepast, en met Evangelie-inzettingen, behoorlijk bediend, opzicht over hen hebbende. Zij moeten binnengaan door de deur van een regelmatige ordening, en aan de zodanige zal de deurwachter opendoen. De Geest van Christus zal hun een geopende deur geven, hun gezag geven in de kerk, en verzekerdheid in hun eigen binnenste. Zij moeten de leden hunner kudde bij name kennen en over hen waken, zij moeten hen leiden in de weiden der openbare inzettingen, onder hen voorgaan, hun mond zijn bij God, en Gods mond bij hen, en in hun wandel moeten zij voorbeelden zijn voor de gelovigen.
f. Zij, die waarlijk Christus' schapen zijn, zullen nauwkeurig acht geven op hun Herder, en zeer omzichtig en schuw zijn tegenover vreemdelingen. Zij volgen hun Herder, want zij kennen Zijne stem, daar zij zowel een onderscheidend oor als een gehoorzaam hart hebben. Van een vreemde zullen zij vlieden, bevreesd zijn om hem te volgen, omdat zij zijne stem niet kennen. Het is gevaarlijk hen te volgen, in wie wij de stem van Christus niet onderkennen, en die ons van het geloof in Hem tot allerlei ijdele inbeeldingen over Hem zoeken af te trekken. En zij, die de kracht der Goddelijke waarheden op hun ziel hebben ervaren, er den geur en smaak van kennen, hebben een wonderlijke schranderheid om Satans listen te ontdekken, en tussen goed en kwaad te onderscheiden.
II. De onwetendheid der Joden omtrent de betekenis en strekking dezer rede, vers 6.
Deze gelijkenis zei Jezus tot hen, deze zinnebeeldige, wijze, sierlijke en leerrijke rede, maar zij verstonden niet wat het was, dat Hij tot hen sprak. Zij begrepen niet, wie Hij bedoelde met de dieven en moordenaars, en wie met den goeden Herder. Het is de zonde en de schande van velen, die het woord van Christus horen, dat zij het niet verstaan, en zij verstaan het niet, omdat zij het niet willen verstaan, en het willen misverstaan. Zij hebben gene kennis aan, geen smaak in de dingen zelven, en daarom verstaan zij de gelijkenissen niet, waardoor zij worden opgehelderd en verduidelijkt. De Farizeeën hadden een hogen dunk van hun eigen kennis, en konden het niet dragen, dat zij betwijfeld zou worden, en toch hadden zij gene kennis genoeg om te verstaan wat het was, dat Hij tot hen sprak, het ging hun verstand te boven. Die het meest op kennis bogen, zijn dikwijls het onwetendst in de dingen Gods.
III. Christus' verklaring van deze gelijkenis, waarbij Hij er alle bijzonderheden ten volle duidelijk van maakt. Welke moeilijkheden er ook zijn in de woorden van den Heere Jezus, wij zullen Hem altijd bereid vinden zich nader te verklaren, zo wij slechts gewillig zijn om Hem te verstaan. Wij zullen zien hoe de ene schriftuurplaats door de andere verklaard wordt, en dat de gezegende Geest de tolk is van den gezegenden Jezus. In de gelijkenis had Christus den herder van den moordenaar hieraan onderscheiden, dat hij ingaat door de deur. In de verklaring nu der gelijkenis stelt Hij zich voor, beide als de deur, waardoor de herder binnengaat, en als den herder, die ingaat door de deur. Hoewel het in de retorica ene taalfout kan zijn om dezelfden persoon beide tot deur en tot herder te maken, is het toch gene fout in de theologie om Christus voor te stellen als van zich zelven gezaghebbende, gelijk Hij leven heeft in zich zelven, en door Zijn eigen bloed, als de deur, ingegaan is in het heiligdom.
1. Christus is de deur. Dit zegt Hij tot hen, die voorgaven gerechtigheid te zoeken, maar evenals de mannen van Sodom moede werden om de deur te vinden, waar zij niet te vinden was. Hij zegt het aan de Joden, die voor Gods enige schapen gehouden willen worden, en aan de Farizeeën, die voor hun enige herders willen doorgaan: Ik ben de deur der schapen, de deur der kerk.
a. In het algemeen, Hij is als een gesloten deur, om dieven en moordenaars buiten te houden, en de zodanige, die niet geschikt zijn om te worden toegelaten. Het sluiten der deur is de beveiliging van het huis, en welke grotere veiligheid heeft de kerk Gods dan in het tussenbeide treden van den Heere Jezus, Zijn stellen van Zijne wijsheid, macht en goedheid tussen haar en al hare vijanden? Hij is een open deur, die toegang en gemeenschap geeft. Ten eerste. Door Christus als de deur, hebben wij onzen eersten toegang tot de kudde Gods, Hoofdstuk 14:6. Ten tweede. Wij gaan in en uit in Godsdienstige gemeenschapsoefening met elkaar, ondersteund door Hem, aangenomen in Hem, wandelende in Zijn naam, Zacheria 10:12. Ten derde. Door Hem komt God tot Zijne kerk, en deelt Hij zich aan haar mede. Ten vierde. Door Hem, als de deur, worden de schapen ten laatste toegelaten in het hemels koninkrijk, Mattheus 25:34.
b. Meer in het bijzonder. Christus is de deur der herders, zodat zij, die niet door Hem inkomen, niet als herders erkend moeten worden, maar (overeenkomstig den gestelden regel in vers 1) als dieven en moordenaars moeten beschouwd worden (hoewel zij beweren herders te zijn), maar de schapen hebben hen niet gehoord. Dat heeft betrekking op allen, die onder Israël de hoedanigheid hadden van herders, hetzij magistraten of leraren, die hun ambt uitoefenden zonder acht te slaan op den Messias, of enigerlei andere verwachting van Hem, dan die opgewekt werd door hun eigen vleselijk belang. Merk op: Ten eerste. De hoedanigheid, die hun wordt toegeschreven: zij zijn dieven en moordenaars, vers 8, allen die Hem voorgingen-niet in tijd, want velen hunner waren getrouwe herders, maar die Zijne opdracht vooruit liepen, gingen voordat Hij hen had gezonden, Jeremia 23:21, die zich voorrang en meerderheid boven Hem aanmatigden, zoals van den antichrist gezegd wordt, dat hij zich verheft, 2 Thessalonicenzen 2:4. "De schriftgeleerden en Farizeeën en de overpriesters, allen, zo velen als er voor Mij gekomen zijn, die gepoogd hebben Mijn invloed te voorkomen en te beletten dat ik een plaats zou hebben in het hart des volks, door hun vooroordelen tegen Mij in te blazen, die allen zijn dieven en moordenaars, zij stelen de harten, aldus den waren eigenaar zijn eigendom ontrovende". Zij veroordeelden onzen Heiland als een dief en moordenaar, omdat Hij niet door hen, als de deur, inkwam, en gene toelating van hen had gevraagd. Maar Hij toont aan, dat zij hun opdracht van Hem hadden moeten ontvangen, dat zij door Hem toegelaten hadden moeten worden, en na Hem hadden moeten komen, en omdat zij dit niet deden, maar voor Hem heengingen, waren zij dieven en moordenaars. Zij wilden niet inkomen als Zijne discipelen, en daarom werden zij veroordeeld als overweldigers, en werd hun voorgewende opdracht teniet gedaan. Mededingers van Christus zijn berovers van Zijne kerk. hoe zij ook voorgeven herders te zijn, ja herders der herders. De zorg, die gedragen wordt om de schapen voor hen te behoeden: maar de schapen hebben hen niet gehoord. Zij, die den waren geur en smaak der Godsvrucht hadden, die geestelijk waren en hemelsgezind, oprecht toegewijd aan God en Zijn dienst, konden de inzettingen der ouden geenszins goedkeuren, noch smaak hebben in hun vormen. Zonder enigerlei bijzondere voorschriften van hun Meester hebben Christus' discipelen geen bezwaar gehad om met ongewassen handen te eten, of aren te plukken op den sabbatdag, want niets is meer in strijd met waar Christendom dan het Farizeïsme, en van niets heeft een vroom gemoed meer afkeer dan van hun geveinsde vroomheid. Christus is de deur der schapen, vers 9. "Indien iemand door Mij (di emou -door Mij, als de deur) ingaat, als een van de kudde, die zal behouden worden, zal niet slechts veilig wezen tegen dieven en moordenaars, maar hij zal ingaan en uitgaan. Hier zijn: Ten eerste, duidelijke aanwijzingen hoe in de schaapskooi te komen: wij moeten inkomen door Jezus Christus als de deur. Door geloof in Hem, als den groten Middelaar tussen God en den mens, komen wij in het verbond en in gemeenschap met God. Wij kunnen in Gods kerk niet komen dan door in Christus' kerk te komen, en geen anderen worden als leden van het koninkrijk Gods onder de mensen beschouwd dan zij, die zich aan de genade en de regering van den Verlosser willen onderwerpen. Thans moeten wij ingaan door de deur des geloofs, Handelingen 14:27, daar de deur van den staat der onschuld voor ons gesloten, en die toegang dus ontoegankelijk geworden is, Genesis 3:24. Ten tweede. Dierbare beloften aan hen, die deze aanwijzing volgen. 1. Zij zullen hiernamaals behouden worden, dat is het voorrecht van hun tehuis. Deze schapen zullen er voor bewaard blijven, dat er beslag op hen wordt gelegd, of dat zij ingesloten worden wegens overtreding, daar voor de schade, door hen aangericht, voldoening is gegeven door hun groten Herder, zij worden er voor behoed om de prooi te worden van den briesenden leeuw, zij zullen voor eeuwig gelukkig zijn.
2. Intussen zullen zij in- en uitgaan en weide vinden, dat is het voorrecht van hun weg. Zij zullen door de genade van Christus hun wandel hebben in de wereld, zullen in Zijne schaapskooi wezen, zoals een mens in zijn eigen huis, waar hij vrijen in- en uitgang en terugkeer heeft. Ware gelovigen zijn tehuis in Christus, als zij uitgaan, dan worden zij niet buitengesloten als vreemdelingen, als zij inkomen, dan worden zij niet ingesloten als overtreders of indringers, zij hebben vrijheid om uit te gaan. Zij gaan uit in het veld des morgens, zij komen in de schaapskooi des avonds, en beide bij dat uitgaan en inkomen worden zij geleid en bewaard door den Herder, en in die beide vinden zij weide: gras in het veld, voeder in de kooi. In het openbaar, in de binnenkamer, hebben zij het woord Gods om mede te spreken, waardoor hun geestelijk leven gevoed en onderhouden wordt, en waaruit hun Godvruchtige begeerten voldaan worden, zij worden verzadigd met het goed van Gods huis. 2. Christus is de Herder, vers 11 en verder. Van Hem, als den Herder, werd geprofeteerd in het Oude Testament, Jesaja 40:11, Ezechiël 34:23, 37:24, Zacheria 13:7. In het Nieuwe Testament wordt van Hem gesproken als den Groten Herder, Hebreeën 13:20, als den Oversten Herder, 1 Petrus 5:14, als den Herder en Opziener onzer zielen, 1 Petrus 2:25. God, onze grote Eigenaar, de schapen van wiens weide wij zijn door de schepping, heeft Zijn Zoon Jezus aangesteld om onze Herder te zijn, en hier erkent Hij telkens wederom deze betrekking. Hij heeft al de zorg over Zijne kerk en over ieder gelovige, die een goede herder heeft voor zijne kudde, en Hij verwacht al de oplettendheid van de kerk en van iedere gelovige, die de herders dier landstreken van hun kudden hadden.
a. Christus is een herder, en niet als de dief, niet als degenen, die niet inkomen door de deur: Merk op: De boosaardige bedoeling van den dief, vers 10. De dief komt niet met een goede bedoeling, maar om te stelen, te slachten en te verderven. Ten eerste. Hen, die zij stelen, wier hart en genegenheden zij stelen van Christus en Zijne weide, doden en verderven zij in geestelijken zin, want de ketterijen, die zij bedektelijk invoeren, zijn verderfelijk. Bedriegers van zielen zijn moordenaars van zielen. Zij, die de Schrift wegstelen door haar in een onbekende taal te houden, die de sacramenten wegstelen door ze te verminken en er de eigenschap van te veranderen, die Christus' inzettingen wegstelen door er hun eigen verzinselen voor in de plaats te stellen, doden en verderven, onwetendheid en afgoderij zijn verderfelijk. Ten tweede. Hen, die zij niet kunnen stelen, die zij noch leiden, noch drijven noch wegvoeren kunnen van de kudde van Christus, zoeken zij door vervolging en moord lichamelijk te doden en te verderven. Die zich niet wil laten beroven, is in gevaar van gedood te worden. Nu hebben wij de genaderijke doeleinden van den Herder, Hij is gekomen: Ten eerste. Om leven te geven aan de schapen. In tegenstelling met de bedoeling van den dief, welke is te doden en te verderven (het doel van de schriftgeleerden en Farizeeën) zegt Christus: "Ik ben onder de mensen gekomen:
1. Opdat zij het leven hebben. Hij is gekomen om leven in de kudde te brengen, de kerk in het algemeen, die veeleer op een dal geleek vol van dorre doodsbeenderen, dan op ene weide, bedekt met kudden. Christus is gekomen, om de Goddelijke waarheid te handhaven, de Goddelijke inzettingen te zuiveren, grieven te herstellen, den stervenden ijver op te wekken, diegenen van Zijne kudde te zoeken die verloren waren, het gebrokene te verbinden, Ezechiël 34:16, en dit is voor Zijne kerk als een leven uit de doden. Hij is gekomen om leven te geven aan bijzondere gelovigen. In leven is alle goed opgesloten, leven staat tegenover den dood, bedreigd in Genesis 2:17, opdat wij leven hebben, zoals een misdadiger als hij begenadigd is, zoals een zieke, als hij is genezen, als een gestorvene, die van de doden is opgewekt, opdat wij gerechtvaardigd, geheiligd, en ten laatste verheerlijkt worden.
2. Opdat zij overvloed hebben, kai perisson echoosin. In sommige overzettingen wordt dit in den vergrotenden trap gelezen: opdat zij een overvloediger leven hebben dan dat, hetwelk verbeurd en verloren was door de zonde, overvloediger dan dat, hetwelk beloofd was door de wet van Mozes: lengte van dagen in Kanaän, overvloediger dan verwacht kon worden, of dan wij kunnen bidden of denken. Maar het kan overgezet worden zonder trap van vergelijking opdat zij overvloed hebben, of het overvloedig mogen hebben. Christus is gekomen om leven te geven en perisson ti -iets meer, iets beters, leven met voordeel, opdat wij in Christus niet slechts leven, maar aangenaam leven, overvloedig leven, leven en ons verblijden. Leven in overvloed is eeuwig leven, leven zonder dood of vreze des doods, leven en nog veel meer. Ten tweede. Om Zijn leven te geven voor de schapen, en dit, opdat Hij hun leven geve, vers 11. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen.
1. Het is de eigenschap van elke goeden herder, zijn leven te wagen en bloot te stellen voor de schapen. Jakob deed dit, toen hij zich zoveel vermoeienis getroostte om ze te verzorgen, Genesis 31:40. David deed dit, toen hij den leeuw en den beer heeft verslagen. Zulk een herder der zielen was Paulus, die gaarne de kosten wilde doen en te koste gegeven wilde worden ten hunnen dienste, en zijn leven niet dierbaar gehouden heeft voor hem zelven, in vergelijking met hun zaligheid. Maar:
2. Het was het kroonrecht van den groten Herder om Zijn leven te geven, ter verkrijging Zijner kudde, Handelingen 20:28, te voldoen voor hun overtreding, en Zijn bloed te storten om hen te wassen en te reinigen.
b. Christus is een goede herder, en niet als een huurling. Er zijn velen geweest, die geen dieven waren, de schapen zoekende te doden en te verderven, maar voor herders doorgingen, doch zij waren zeer onachtzaam in het doen van hun werk, en door hun verwaarlozing werd de kudde grotelijks geschaad, dwaze herders, nietige herders, Zacheria 11:15, 17. In tegenstelling met dezen: a. Noemt Christus zich hier den goeden Herder, vers 11, en wederom, vers 14 ho poimên ho kalos -die Herder, die goede Herder, dien God beloofd had. Jezus Christus is de beste der herders, de beste in de wereld om opzicht te hebben over de zielen, niemand is zo bekwaam, zo getrouw, zo teder als Hij, niemand zo instaat om de zielen te weiden en te leiden, te beschermen en te genezen zoals Hij. Hij toont zich als zodanig in tegenstelling met alle huurlingen, vers 12-14. Merk hier op: Ten eerste. De zorgeloosheid van den ontrouwen herder, die hier beschreven wordt, vers 12, 13. Die een huurling is, die gebruikt wordt als een knecht, en voor zijne moeite wordt betaald, wie de schapen niet eigen zijn, die er noch winst van heeft, noch verlies door lijdt, ziet den wolf komen, of een ander dreigend gevaar, en verlaat de schapen, laat ze over aan den wolf, want hij geeft niet waarlijk om hen, hij heeft er gene zorg voor. Dit is een duidelijke heen wijzing naar den nietigen herder, Zacheria 11:17. Slechte herders, magistraten en leraren, worden hier aangeduid beide door hun slechte beginselen en hun slechte praktijken.
A. Hun slechte beginselen, de wortel van hun slechte praktijken. Wat maakt hen, aan wie de zorg over de zielen is toevertrouwd, in tijden van beproeving ontrouw aan hun opdracht, en in tijden van rust zorgeloos en onverschillig? Wat maakt hen ontrouw, beuzelachtig en slechts zichzelf zoekend? Het is omdat zij huurlingen zijn, en gene zorg hebben voor de schapen. Dat is:
a. De rijkdom. der wereld is hun voornaamste goed, omdat zij huurlingen zijn. Zij hebben het ambt van herder op zich genomen als een beroep, om er van te leven en er rijk door te worden, niet als een gelegenheid om Christus te dienen en goed te doen. Het is de liefde voor het geld en voor hun buik, die er hen in doet voort- leven. Niet alsof diegenen huurlingen waren. die, het altaar dienende, ook van het altaar leven, en er behoorlijk van leven. De arbeider is zijn loon waardig, en een ontoereikend onderhoud zal spoedig een gebrekkige bediening teweegbrengen. Maar diegenen zijn huurlingen, die het loon meer liefhebben dan het werk, en daarop hun hart zetten, zoals de huurlingen gezegd worden te doen, Deuteronomium 24:15 1) Zie 1 Samuël 2:29, Jesaja 56:11, Micha 3:5, 11.
b. Het werk van hun ambt is hun de minste zorg. Zij stellen geen prijs op de schapen, bekommeren zich niet om de zielen van anderen. Waar zij werk van maken is heren te zijn van hun broeders, niet de hoeders en de helpers te zijn van hun broeders, zij zoeken het hun, maar zullen niet, gelijk Timotheus, oprechtelijk de zaken bezorgen van de zielen. Wat kan er van hen verwacht worden? Wat anders dan dat zij zullen vlieden als de wolf komt? Hij heeft gene zorg voor de schapen, want de schapen zijn hem niet eigen. In een opzicht kunnen wij van de besten der onderherders zeggen, dat de schapen hun niet eigen zijn, zij hebben gene heerschappij over hen, geen recht van bezit in hen, weid Mijne schapen en Mijne lammeren, zegt Christus, maar ten opzichte van liefde en genegenheid moesten zij hun eigen zijn. Paulus beschouwde hen als de zijnen, die hij zijn geliefde en zeer gewenste broeders noemde. Zij, die de belangen der kerk niet van harte omhelzen en tot de hun maken, zullen er niet lang getrouw aan zijn.
B. Hun slechte praktijken, het gevolg van deze slechte beginselen, vers 12. Zie hier:
a. Hoe laag de huurling zijn post verlaat, als hij den wolf ziet komen, hoewel hij dan het meest nodig is, verlaat hij de schapen en vliedt. Zij, die meer geven om hun veiligheid dan om hun plicht, zijn een gemakkelijke prooi voor Satans verzoekingen.
b. Hoe noodlottig de gevolgen zijn! De huurling denkt, dat de schapen wel voor zich zelven zullen zorgen, maar dit blijkt niet: de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen, en een deerlijke verwoesting wordt onder de schapen aangericht, die geheel en al voor rekening van den verraderlijken herder komt. Het bloed van de zielen, die omkomen, zal van de hand der zorgeloze wachters geëist worden.
Ten tweede. Zie hier de genade en de tederheid van den goeden Herder, gesteld tegenover de vorigen, zoals in Ezechiël 34:21, 22 en verder. Ik ben de goede Herder. Het is ene zaak van vertroosting voor de kerk en voor al hare vrienden, dat, hoe zij ook geschaad en in gevaar gebracht wordt door het verraad of het slechte bestuur harer onderbeambten, de Heere Jezus is, en altijd blijven zal de goede Herder. Hier zijn twee grote voorbeelden van des Herders goedheid.
A. Zijn zich bekendmaken met de kudde, met alles wat er op enigerlei wijze toe behoort, of er mede verbonden is. Hij is bekend met allen, die nu van Zijne kudde zijn, vers 14, 15, als de goede Herder, vers 3, 4. Ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend. Er is tussen Christus en de ware gelovigen een wederzijds kennen, zij kennen elkaar zeer goed, en kennis leidt tot genegenheid. Christus kent Zijne schapen. Hij weet met een onderscheidend oog wie Zijne schapen zijn, en wie niet. Hij kent de schapen in hun menigerlei gebreken en zwakheden, en de bokken onder hun fraaiste vermomming. Hij ziet met een gunstig oog hen, die in waarheid Zijne schapen zijn, Hij neemt kennis van hun toestand, stelt belang in hen, heeft een tedere, liefdevolle zorg over hen, is hunner voortdurend gedachtig in Zijne voorbede, daar Hij altijd leeft om voor hen te bidden, Hij bezoekt hen genadiglijk door Zijn Geest en heeft gemeenschap met hen: Hij kent hen, dat is: Hij neemt hen aan, zoals Psalm 1:6, 37:18, Exodus 33:17. Hij wordt van hen gekend. Hij beschouwt hen met een gunstig oog, en zij zien Hem aan met een oog des geloofs. Het kennen van Christus van Zijne schapen is voor hun kennen van Hem gesteld, want Hij heeft ons eerst gekend en liefgehad, 1 Johannes 4:19, en het is niet zozeer ons kennen van Hem, als Zijn kennen van ons, waardoor wij gelukkig zijn, Galaten 4:9. Toch is het de aard, de eigenschap van Christus' schapen, dat zij Hem kennen, Hem kennen onder alle valse Christussen en alle indringers. Zij kennen Zijn wil, kennen Zijne stem, kennen bij ervaring de kracht van Zijn dood. Christus spreekt hier alsof Hij er in roemt, dat Hij door Zijne schapen wordt gekend, alsof Hij het ene ere acht door hen geëerbiedigd te worden. Bij die gelegenheid maakt Christus melding van het wederzijdse kennen van Hem en Zijn Vader: Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader. Nu kan dit beschouwd worden: Ten eerste. Als den grond van die grondige kennis en innige betrekking, welke bestaan tussen Christus en de gelovigen. Het verbond der genade, dat de band is van deze betrekking, is gegrond in het verbond der verlossing tussen den Vader en den Zoon, hetwelk-daarvan kunnen wij ons verzekerd honden- vaststaat, want de Vader en de Zoon hebben elkaar volkomen begrepen in deze zaak, er kon gene vergissing zijn, waardoor de zaak in het onzekere gelaten kon worden, of aan wisselvalligheid kon blootgesteld worden. De Heere Jezus kent hen, die Hij heeft verkoren, en is zeker van hen, Hoofdstuk 13:18, en zij weten op wie zij betrouwd hebben en zijn zeker van Hem, 2 Timotheus 1:12, en de grond van beiden is de volmaakte kennis, die de Vader en de Zoon van elkanders wil en bedoeling hadden, toen de raad des vredes tussen die beiden was. Of, Ten tweede. Als een gepaste gelijkenis, om de vertrouwelijkheid aan te duiden tussen Christus en de gelovigen. Het kan in verband gebracht geworden met de voorafgaande woorden, in dier voege: Ik ken Mijne schapen en word van de Mijnen gekend, gelijk de Vader Mij kent, en Ik den Vader ken, hoofdstuk 17:21.
1. Gelijk de Vader den Zoon kende, en Hem liefhad, en Hem erkende in Zijn lijden, toen Hij als een schaap ter slachtbank werk geleid, zo kent Christus Zijne schapen, en houdt een wakend, teder oog op hen gericht, zal Hij met hen zijn, als zij alleen gelaten worden, gelijk Zijn Vader met Hem was.
2. Gelijk de Zoon den Vader kende, liefhad en gehoorzaamde, en altijd deed wat Hem welbehaaglijk was, op Hem betrouwende als Zijn God, zelfs toen Hij van Hem verlaten scheen, zo kennen de gelovigen Christus, met een gehoorzame, vertrouwende liefde.
b. Hij is bekend met hen, die later tot Zijne kudde zullen behoren, vers 16. Ik heb nog andere schapen -heb recht op hen en stel belang in hen-die van dezen stal niet zijn -die niet van de Joodse kerk zijn-deze moet Ik ook toebrengen. Merk op: Hoe Christus het oog had op de arme heidenen. Soms heeft Hij Zijn bijzondere zorg te kennen gegeven voor de verloren schapen van het huis Israël's, tot hen was ook Zijn persoonlijk dienstwerk bepaald, maar, zegt Hij, Ik heb andere schapen. Zij, die in verloop van tijd in Christus zullen geloven, van uit de heidenen tot Zijne gehoorzaamheid zullen gebracht worden, worden hier schapen genoemd. En van Hem wordt gezegd, dat Hij ze heeft, hoewel zij vooralsnog niet geroepen zijn, en velen van hen nog niet geboren zijn, omdat zij door God waren uitverkoren, en in den raad der Goddelijke liefde van eeuwigheid af aan Christus waren gegeven. Uit kracht van Zijns Vaders schenking, en uit kracht dat Hij ze gekocht heeft met Zijn bloed, heeft Christus recht op menige ziel, die nog niet in Zijn bezit is gekomen. Zo had Hij veel volks in Corinthe, toen het nog in boosheid lag verzonken, Handelingen 18:10. "Die andere schapen heb Ik", zegt Christus. "Ik heb hen op Mijn hart, heb hen in Mijn oog, ben er even zeker van hen te zullen hebben, alsof Ik hen reeds had". Nu spreekt Christus van die andere schapen. Ten eerste, om den smaad weg te nemen, die op Hem gelegd was, alsof Hij slechts weinige volgelingen had, slechts een klein kuddeken, en dus, wel een goede Herder, maar toch slechts een arme Herder was. "Maar", zegt Hij, "Ik heb meer schapen dan gij ziet".
Ten tweede. Om den hoogmoed en de verwaandheid der Joden neer te werpen, die dachten, dat de Messias alleen uit hen Zijne schapen moest vergaderen. "Neen", zegt Christus, "Ik heb nog anderen, die Ik bij de lammeren Mijner kudde zal stellen, hoewel gij het versmaadt om ze bij de honden uwer kudde te stellen." De bedoelingen Zijner genade met hen: dezen moet Ik ook toebrengen, ze tehuis brengen bij God, ze in de kerk brengen, en ze daarom verlossen uit hun ijdele wandeling, ze terugbrengen van hun afdwalingen zoals het verloren schaap, Lukas 15:5. Maar waarom moet Hij ze toebrengen? Waar is de noodzakelijkheid? Ten eerste. De nood van hun toestand eist het, Ik moet hen toebrengen, of zij moeten overgelaten worden aan eindeloze omzwervingen, want, als de schapen, zullen zij nooit uit hen zelven terugkeren, en niemand anders kan of wil ze toebrengen." Ten tweede. De noodzakelijkheid van Zijn eigen verbintenis eiste het, Hij moet hen toebrengen, of Hij zou niet getrouw zijn aan Zijne opdracht. "Zij zijn de Mijnen, gekocht met Mijn bloed, en daarom moet Ik hen niet veronachtzamen, of hen laten omkomen". Zijne eer is er mede gemoeid, Hij moet hen toebrengen, die Hem toevertrouwd werden. De gelukkige uitwerking en gevolgen daarvan in twee zaken: Ten eerste. " Zij zullen Mijne stem horen. Niet slechts zal Mijne stem onder hen gehoord worden (daar zij niet gehoord hadden, konden zij niet geloven, thans zal het geklank des Evangelies uitgaan tot aan de einden der aarde) maar zij zal door hen gehoord worden, Ik zal spreken en hun geven te horen". Het geloof is uit het gehoor, en ons naarstig horen naar de stem van Christus is beide een middel om ons tot Christus te brengen, en een bewijs dat wij tot Hem gebracht zijn, en door Hem tot God.
Ten tweede. Het zal worden ene kudde en een herder. Gelijk er een herder is, zo zal er ook ene kudde wezen. Zowel Joden als heidenen zullen, na tot het geloof in Christus te zijn gekomen, ingelijfd worden in ene kerk, gelijkgerechtigde deelgenoten zijn in de voorrechten er van, zonder onderscheid. Verenigd zijnde met Christus zullen zij zich verenigen in Hem, twee houten zullen in de hand des Heeren tot een worden. Een herder maakt ene kudde, een Christus maakt ene kerk. Gelijk de kerk een is in hare inrichting, onderworpen is aan een Hoofd, bezield wordt door een Geest, bestuurd wordt door een regel, zo behoren de leden een te zijn in liefde, Efeze 4:3-6,
B. Dat Christus zich voor Zijne schapen opgeofferd heeft is wederom een bewijs, dat Hij een goede Herder is, en hierin heeft Hij Zijne liefde jegens ons nog meer bevestigd, vers 15-18.
a. Hij spreekt Zijn voornemen uit om voor Zijne kudde te sterven, vers 15. Ik stel Mijn leven voor de schapen. Hij heeft niet slechts Zijn leven voor hen gewaagd (in zulk een geval zou de hoop om het te behouden opwegen tegen de vrees van het te verliezen), maar Hij heeft het werkelijk afgelegd, zich onderworpen aan de noodzakelijkheid van te sterven om ons te kunnen verlossen, tithêmi -Ik stel het als een onderpand, als kooppenning, die terstond betaald wordt. Schapen, bestemd voor de slachtbank, gereed om geofferd te worden, werden vrijgekocht met het bloed van den Herder. Hij heeft Zijn leven afgelegd huper toon probatoon, niet slechts tot welzijn van de schapen, maar in hun plaats. Duizenden schapen zijn geofferd voor hun herders, als zondoffers, maar door een verbazingwekkende omkering, wordt nu de Herder geofferd voor de schapen. Toen David, de herder van Israël, zelf schuldig was, en de verderfengel om zijnentwil zijn zwaard trok tegen de kudde, heeft hij met recht en rede gepleit: Wat hebben deze schapen gedaan? Uwe hand zij toch tegen Mij, 2 Samuël 24:17. Maar de Zone David's was zondeloos en vlekkeloos, en Zijne schapen- wat kwaad hebben zij niet gedaan? Toch zegt Hij: Uwe hand zij tegen Mij. Christus schijnt hier te verwijzen naar de profetie in Zacharia 13:7:Zwaard, ontwaak tegen Mijn herder, en hoewel het slaan van den Herder voor het ogenblik het verstrooien is der kudde, geschiedt het toch om ze te vergaderen.
b. Hij neemt de ergernis weg van het kruis, dat voor velen een steen des aanstoots is, en wel door vierderlei overweging. a. Dat Zijn afleggen van Zijn leven voor de schapen de voorwaarde is, de vervulling waarvan Hem recht gaf op de eer en de macht van Zijn verhoogden staat, vers 17. Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg. Op deze voorwaarden kan Ik, als Middelaar, Mijns Vaders welbehagen en goedkeuring verwachten, en de heerlijkheid, die voor Mij is weggelegd-dat Ik Mij tot offerande stel voor het verkoren overblijfsel. Niet, dat Hij als Zoon van God niet van eeuwigheid de Welbeminde Zijns Vaders is geweest, maar als Godmens, als Emmanuel, had de Vader Hem lief, omdat Hij het ondernomen heeft voor de schapen te sterven, Gods ziel had een welbehagen in Hem, als Zijn uitverkorene, omdat Hij hierin getrouw is geweest, Jesaja 42:1, daarom heeft Hij gezegd: Deze is Mijn geliefde Zoon. Welk een voorbeeld is dit van Gods liefde tot den mens, dat Hij Zijn Zoon te meer liefhad om Zijne liefde tot ons! Zie op hoe hoge waarde Christus de liefde Zijns Vaders heeft geschat, daar Hij, om haar te verwerven, Zijn leven heeft afgelegd voor de schapen. Heeft Hij de liefde Gods een genoegzame beloning geacht voor al Zijne diensten en Zijn lijden, en zullen wij haar te klein, te gering achten voor onzen dienst en ons lijden, en de gunst der wereld zoeken om het tekort aan te vullen? Daarom heeft Mij de Vader lief, dat is: Mij en allen, die door het geloof een met Mij worden, Mij en het mystieke lichaam, overmits Ik Mijn leven afleg. b. Dat Hij Zijn leven aflegde opdat Hij het wederom zou nemen. Ten eerste. Dat was de uitwerking van des Vaders liefde en de eerste stap tot Zijne verhoging, de vrucht dier liefde. Omdat Hij Gods heilige was, moest Hij de verderving niet zien, Psalm 16:16. God had Hem te lief, om Hem in het graf te laten. Ten tweede. Met het afleggen van Zijn leven beoogde Hij de gelegenheid te hebben zich door Zijne opstanding krachtelijk te bewijzen de Zoon van God te zijn, Romeinen 1:4. Door een Goddelijke krijgslist (zoals die voor Aï, Jozua 8:15) onderwierp Hij zich aan den dood, alsof Hij door hem verslagen was, teneinde des te glorierijker Overwinnaar te zijn van den dood en te triomferen over het graf. Een vernederd lichaam heeft Hij afgelegd, ten einde een verheerlijkt lichaam aan te nemen, geschikt om op te varen naar de wereld der geesten: een voor deze wereld geschikt leven heeft Hij afgelegd, maar een leven geschikt voor een andere wereld heeft Hij aangenomen.
c. Dat Zijn lijden en dood volkomen vrijwillig waren, vers 18. "Niemand neemt Mijn leven van Mij, of kan het van Mij nemen tegen Mijn wil, maar Ik leg het van Mij zelven af, Ik geef het over uit eigen, vrije beweging, want Ik heb macht (ene macht, die niemand anders heeft) het af te leggen, en heb macht het wederom te nemen." Ten eerste. Zie hier de macht van Christus als de Heere des levens, inzonderheid, Heere van Zijn eigen leven, dat Hij in zich zelven had. 1. Hij had macht Zijn leven te behouden tegen de gehele wereld, zodat het Hem niet tegen Zijn wil of toestemming ontnomen kon worden. Hoewel Christus' leven als bij storm genomen scheen te worden, was het in werkelijkheid overgegeven, anders zou het onneembaar geweest zijn, en zou het ook nooit genomen zijn. De Heere Jezus is Zijn vervolgers niet in handen gevallen, omdat Hij het niet kon vermijden, neen, Hij heeft zich in hun handen overgegeven, omdat Zijne ure was gekomen.
Niemand neemt Mijn leven van Mij. Dit was ene uitdaging zoals door den stoutmoedigsten held nooit werd gegeven.
2. Hij had macht Zijn leven af te leggen.
a. Hij had er de bekwaamheid toe. Hij kon, wanneer het Hem behaagde, den band tussen ziel en lichaam losmaken, en zonder enigerlei daad van geweld te plegen jegens zich zelven, ziel en lichaam van elkaar scheiden. Vrijwillig een lichaam aangenomen hebbende, kon Hij het ook vrijwillig weer afleggen, hetgeen bleek, toen Hij, roepende met grote stem, den geest gaf.
b. Hij had er de autoriteit toe, exousian. Hoewel wij werktuigen der wreedheid kunnen vinden, om ons het leven te benemen, maar Id possumus quod jure possumus, wij kunnen slechts datgene doen, wat wij rechtmatig doen. Het staat ons niet vrij het te doen, maar Christus had een soevereine autoriteit om naar welgevallen over Zijn leven te beschikken. Hij was niet (gelijk wij) een schuldenaar van leven of dood, maar volkomen suijuris.
3. Hij had macht het leven wederom te nemen, ene macht. die wij niet hebben. Ons leven, eenmaal afgelegd zijnde, is als water, dat ter aarde is uitgestort. Maar toen Christus Zijn leven had afgelegd, had Hij het nog onder Zijn bereik, en kon Hij het wederom aannemen. Er vrijwillig van scheidende, kon Hij de overgave naar welgevallen beperken, en Hij deed het met de macht tot herroeping, hetgeen nodig was om de bedoeling der overgave tot stand te brengen.
Ten tweede. Zie hier de genade van Christus, daar niemand door de wet Zijn leven kon eisen, noch het Hem door geweld kon ontnemen, heeft Hij het ter onzer verlossing afgelegd. Hij heeft zich aangeboden om de Zaligmaker te zijn: Zie, Ik kom. En toen heeft Hij, daar dit door onzen toestand noodzakelijk was gemaakt, zich aangeboden als slachtoffer: Hier ben Ik, laat dezen heengaan, in welken wil wij geheiligd zijn, Hebreeën 10:10. Hij was beide de Offeraar en het Offer, zodat het afleggen van Zijn leven een zich zelven opofferen geweest is. Dat Hij dit alles naar het uitdrukkelijk bevel en de beschikking Zijns Vaders gedaan heeft. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen, niet zulk een gebod, als waardoor hetgeen Hij deed noodzakelijk werd gemaakt voordat Hij vrijwillig het verlossingswerk op zich had genomen, maar dit was de wet van het middelaarschap, die Hij bereid was in Zijn hart geschreven te hebben, zodat Hij er lust in had, om dienovereenkomstig Gods wil te doen, Psalm 40:9.