Genesis 42:21-28
I. De berouwvolle overdenking van de broers van Jozef over het kwaad, dat zij hem gedaan hadden, vers 21. Zij bespraken de zaak met elkaar in het Hebreeuws, niet denkende dat Jozef, die zij voor een Egyptenaar hielden hen verstond, en nog veel minder dat hij de persoon was, van wie zij spraken.
1. Zij gedachten met leedwezen de barbaarse wreedheid, waarmee zij hem vervolgd hadden. Wij zijn schuldig aan onze broer. Wij lezen niet dat zij dit zeiden gedurende hun driedaagse gevangenschap, maar nu de zaak op de een of andere wijze tot een eind scheen te komen, en zij zich toch nog in verlegenheid bevonden, begonnen zij bewogen te worden. Wellicht heeft het spreken van Jozef van de vrees van God, vers 18, hen tot nadenken gebracht, en hun deze bekentenis ontwrongen.
Zie nu hier: a. De werking van het geweten, het doet gedenken, brengt dingen voor de geest terug, die voorlang gezegd en gedaan zijn, om ons te tonen waarin wij hebben gedwaald, al was het ook lang geleden, zoals deze herdenking van een zonde, die meer dan twintig jaren tevoren was bedreven. Gelijk de tijd de schuld van de zonde niet uitwist, zo zal hij ook het gedenkschrift er van niet uitwissen. Toen de schuld van deze zonde van Jozefs broers nog vers was, hebben zij haar licht geacht, en zaten neer om brood te eten, maar nu, zó lang daarna, heeft hun geweten er hen aan herinnerd.
b. Het nut van de beproevingen, dikwijls blijken zij de gelukkige en krachtige middelen te zijn om het geweten te doen ontwaken, en onze zonden in gedachtenis te brengen.
c. Het kwaad van de schuld tegenover onze broers. Van al hun zonden was deze het, die hun geweten hun nu verweet, telkens als wij denken dat ons kwaad aangedaan wordt, behoren wij te gedenken aan het kwaad dat wij anderen aangedaan hebben, Prediker 7:21, 22.
2. Ruben alleen herdacht met vertroosting voor zichzelf, dat hij een voorspraak is geweest voor zijn broer, en gedaan heeft wat hij kon om het kwaad te voorkomen, dat zij hem aangedaan hebben, vers 22 Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan deze jongeling Het is een verzwaring van de zonde, als zij bedreven werd niettegenstaande vermaning en waarschuwing. Als wij er toe gebracht worden om met anderen in hun rampen te delen, dan zal het ons een troost wezen als wij het getuigenis van ons geweten hebben, dat wij niet gedeeld hebben in hun ongerechtigheden, maar er tegen hebben getuigd. Dit zal onze blijdschap wezen in de dag van het kwaad, en er de prikkel uit wegnemen.
II. Jozefs tederheid voor hen bij deze gelegenheid. Hij trok zich van hen terug om te wenen, vers 24. Hoewel zijn verstand hem zei dat hij zich nog als een vreemdeling voor hen moest houden, omdat zij nog niet genoeg verootmoedigd waren, kon het toch niet anders of de natuurlijke genegenheid moest zich laten gelden, want hij was een man met een teer hart. Dit stelt de barmhartigheid voor van God jegens berouwvolle zondaren. Zie Jeremia 31:20. "Sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk ik nog ernstig aan hem." Zie Richteren 10:16.
III. De gevangenzetting van Simeon, vers 24. Hij koos hem uit als gijzelaar, waarschijnlijk omdat hij zich herinnerde dat deze zijn bitterste vijand was, of omdat hij nu zag dat deze het minst van allen verootmoedigd was. Hij bond hem voor hun ogen, om allen aan te doen, of wellicht wordt te kennen gegeven, dat hoewel hij hem met enige strengheid bond voor hun ogen, hij later, toen zij weg waren, zijn banden van hem afnam.
IV. Het wegzenden van de anderen. Zij kwamen om koren, en koren kregen zij, en dat niet alleen, maar ieder van hen vond het geld er voor terug in zijn zak. Zo geeft Christus, onze Jozef, ons wat wij behoeven, zonder geld en zonder prijs. Daarom worden de armen uitgenodigd te kopen, Openbaring 3:17, 18. Dit verwekte een grote ontsteltenis bij hen, vers 28. Toen ontging hun het hart en zij schrokken, de een tot de ander zeggende: Wat is dit dat ons God gedaan heeft?
1. Het was in werkelijkheid een zegenrijke gebeurtenis, want men zal toch wel erkennen dat hun geen leed geschiedde, toen hun hun geld teruggegeven werd, maar dat hun een vriendelijkheid werd bewezen, en toch waren zij er zo door geschrokken. Een schuldig geweten is zeer licht geneigd om een gunstige beschikking van de voorzienigheid van God in een kwade zin op te vatten, en er een slechte uitlegging aan te geven. Mensen met een schuldig geweten vluchten als niemand hen vervolgt. Rijkdom brengt soms evenveel zorg met zich als gebrek, ja zelfs meer. Indien zij van hun geld beroofd waren geworden, den zouden zij niet meer ontsteld zijn geweest dan zij het waren, nu zij hun geld in hun zakken terugvonden. Zo heeft hij, van wie zijn akkers overvloedig hadden voortgebracht, gezegd: "Wat zal ik doen?" Lukas 12:17.
2. Maar in hun omstandigheden was het zeer verbazingwekkend. Zij wisten dat de Egyptenaren de Hebreeën verfoeiden, Hoofdstuk 43:32, daar zij dus niet zulk een vriendelijkheid van hen konden verwachten, dachten zij dat zij dit gedaan hadden om twist met hen te zoeken, en dat te meer, daar de man die heer van het land was, hen had beschuldigd verspieders te zijn. Ook hun eigen geweten was ontwaakt, en hun zonden waren hun ordelijk voorgesteld, en dit brengt hen in verwarring. Als de mensen eens de moed laten zinken dan zal alles er toe bijdragen om hen nog meer ter neer te slaan. Als de leidingen van Gods voorzienigheid verrassend voor ons zijn, dan is het goed om te vragen wat het is, dat God gedaan heeft, en met ons doet, en op het maaksel van Zijn handen te zien.