Mattheus 9:35-38
Dit is het slot van het voorafgaand verhaal van Christus' prediking en wonderen, vers 35, Hij "omging al de steden en vlekken, lerende en genezende." Het is hetzelfde wat wij in hoofdstuk 4:23 gehad hebben. Dáár is het de inleiding tot het meer bijzondere verslag van Christus' prediking, hoofdstuk 5, 6 en 7, en van Zijne genezingen, hoofdstuk 8 en 9, en hier is het ene sierlijke herhaling er van aan het einde van de aangehaalde voorbeelden, als het punt, dat bewezen moet worden", alsof de evangelist wilde zeggen: "Ik hoop door de aanhaling van deze voorbeelden nu genoegzaam te hebben aangetoond, dat Christus heeft gepredikt en genezen, want ik heb u den voor- naamsten inhoud Zijner leerredenen meegedeeld, en enkele voorbeelden van Zijne genezingen, welke gewrocht werden ter bevestiging Zijner leer: en "deze dingen zijn geschreven opdat gij gelooft." Sommigen zijn van mening, dat dit ene tweede rondreize geweest is in Galilea, en dat Hij de plaatsen nog eens bezocht, waar Hij te voren had gepredikt. Hoewel de Farizeeën Hem bedilden en tegenstonden, ging Hij voort met Zijn werk, Hij "predikte het Evangelie des koninkrijks." Hij sprak hun van een koninkrijk van genade en heerlijkheid, dat opgericht stond te worden onder de regering van een Middelaar, dit was in waarheid een Evangelie, ene goede tijding, ene blijde boodschap van grote vreugde voor alle volken. Bij Zijne prediking heeft Christus ook acht geslagen op kleine, onaanzienlijke steden of vlekken. Hij bezocht niet slechts de grote, rijke steden, maar de arme, afgelegen dorpen, dáár heeft Hij gepredikt, en dáár heeft Hij genezen. De zielen van hen, die in het oog der wereld tot de geringsten behoren, zijn aan Christus even dierbaar-en behoren dit ook ons te zijn-als de zielen van de rijksten en voornaamsten. Rijken en armen, burgers en boeren, ontmoeten elkaar in Hem. "Van Zijne gerechtigheden, bewezen aan de dorpen in Israël" moet gesproken worden, Richteren 5:11. Hij heeft ook acht geslagen op de openbare Godsverering. Hij "leerde in hun synagogen", ten einde in plechtige bijeenkomsten te kunnen getuigen, zelfs als daar zeer veel verdorvenheid in was. Wij moeten "onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben." Hij deed dit ook om de gelegenheid te hebben van te prediken ter plaatse, waar het volk bijeenkwam, om te horen. Zo hebben ook de apostelen, zelfs toen de Evangelie-kerk werd gegrondvest, en Christelijke bijeenkomsten georganiseerd waren, dikwijls in de synagogen der Joden gepredikt. Het is de wijsheid der verstandigen om van het bestaande zoveel mogelijk nut te trekken. In de tweede plaats hebben wij hier ene inleiding voor hetgeen in het volgende hoofdstuk vermeld zal worden, n.l. Zijne uitzending der apostelen, Hij gaf acht op de scharen, vers 36, niet slechts de scharen, die Hem volgden, maar die grote menigte des volks, waarvan Hij het land vervuld zag. Hij zag hoe dicht bevolkt de vlekken en steden waren, welk ene grote menigte van mensen de synagogen vulden, welk een samenstroming van volk er was bij het openen der poorten. Zo talrijk was deze natie thans geworden, als gevolg van Gods zegen aan Abraham. Dit ziende, had Hij medelijden met hen, vers 36. " Hij werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, niet om redenen van tijdelijken aard, zoals Hij medelijden had met de blinden, en lammen, en kranken, maar om geestelijke redenen, het deed Hem smartelijk aan te zien, hoe onwetend en zorgeloos zij waren, hoe zij omkwamen uit gebrek aan geestelijk inzicht. Jezus Christus is een zeer medelijdend Vriend van kostelijke zielen, zeer bijzonder wordt Hij over dezen met innerlijke ontferming bewogen. Het was medelijden met zielen, die Hem van den hemel op aarde had gebracht, en van dáár aan het kruis. Ellende is het voorwerp der barmhartigheid, en de ellende van zondige, zich zelven verdervende zielen is de grootste ellende. Christus heeft het meest medelijden met hen, die het minst medelijden hebben met zich zelven. De meest Christelijke barmhartigheid is barmhartigheid over de zielen, en die barmhartigheid gelijkt ook het meest op de barmhartigheid van Christus. Waardoor dit medelijden werd opgewekt. Zij waren vermoeid, arm, gekweld, uitgeput. Zij waren verstrooid, losgeraakt van elkaar. "De stok samenbinders was verbroken", Zacheria 11:14. Zij hadden hulp nodig voor hun ziel, en er was niemand, die hun deze hulpe bood. De schriftgeleerden en Farizeeën vervulden hen met ijdele denkbeelden, legden hun de lasten op van de overleveringen der ouden, haalden hen over tot allerlei misvattingen, maar op hun plicht werden zij niet gewezen, met de strekking en den geestelijken aard der wet werden zij niet bekend gemaakt, daarom waren zij vermoeid, krachteloos. Immers, welke geestelijke gezondheid, welk leven en welke kracht kan er aanwezig zijn in zielen, die met draf of as gevoed worden, in plaats van met het brood des levens? De zielen zijn vermoeid, bezwijken, als er plichten volbracht, verzoekingen weerstaan, beproevingen gedragen moeten worden, omdat zij niet met het woord der waarheid gespijzigd werden. "Zij waren verstrooid gelijk schapen, die geen herder hebben." Die uitdrukking is ontleend aan 1 Koningen 17:22, en zij stelt den treurigen toestand voor van hen, die trouwe leiders derven om hen voor te gaan in de dingen Gods. Geen schepsel is meer tot dwalen geneigd dan een schaap, en als het dwaalt, is er geen schepsel, dat zo hulpeloos en machteloos is, en zo onbekwaam om den weg terug te vinden. Zondige zielen zijn als verloren schapen, zij hebben de zorge des herders nodig om ze terug te brengen van den dwaalweg. De leraars, die de Joden toen hadden, gaven voor herders te zijn, maar Christus zegt, dat zij gene herders hadden, want zij waren erger dan gene herders, dwaze herders, die hen van den goeden weg nog verder afvoerden, in plaats van ze er op terug te leiden, die de kudde beroofden, in stede van haar te weiden, herders, zoals wij ze beschreven vinden in Jeremia 23:1, enz. Ezechiël 34:2, enz. De toestand van ene gemeente is zeer treurig, die of in het geheel gene leraren heeft, of, wat nog erger is, zulke, die slechts op eigen voordeel en gewin bedacht zijn, het "hun zoeken, maar niet hetgeen van Christus Jezus is." Hij wekte Zijne discipelen op om voor hen te bidden. Zijn medelijden deed Hem op middelen bedacht zijn om het welzijn dezes volks te bevorderen. Uit Lukas 6:12, 13 blijkt, dat Hij bij deze gelegenheid, eer Hij Zijne apostelen uitzond, zelf geruimen tijd in het gebed heeft doorgebracht. Wij behoren te bidden voor hen, met wie wij medelijden hebben. Daar Hij nu voor hen tot God had gesproken, wendt Hij zich tot Zijne discipelen en zegt hun: Hoe de zaak stond: "De oogst is wel groot maar de arbeiders zijn weinige." Het volk had behoefte aan ene goede prediking, maar er waren slechts weinig goede predikers. Er was veel werk te verrichten, en waarschijnlijk kon er veel goed gedaan worden, maar er was gebrek aan handen, om het te doen. Het was ene bemoediging, dat "de oogst zo groot was." Het was niet vreemd, dat er zeer velen waren, die onderwijs behoefden, maar, wat niet dikwijls voorkomt, was, dat zij, die dit onderwijs behoefden, het ook begeerden, gretig waren om het te ontvangen. Zij, die slecht onderwezen waren, verlangden beter onderwezen te worden. De verwachting des volks was opgewekt, en er was ene beweging onder hen, die veel beloofde. Het is iets heerlijks om ene gemeente te zien, die naar ene goede prediking verlangt en haar op prijs stelt. Dan zijn de valleien bedekt met koren, en er is goede hope, dat het in de schuur gebracht zal worden. Het is een kostelijke tijd en gelegenheid, en dan behoort dubbele vlijt en zorg aangewend te worden, om dien tijd en deze gelegenheid niet te laten voorbijgaan. Dit zo zijnde, was het betreurenswaardig, dat "de arbeiders zo weinige waren, " dat het koren ter aarde viel en bedierf, op den grond lag te rotten uit gebrek aan maaiers. Beuzelaars waren er vele, maar arbeiders weinige. Het staat slecht met ene kerk, als het goede werk stilstaat, of slechts langzaam voortgaat uit gebrek aan goede arbeiders. Waar dit zo is, moeten de arbeiders die er zijn, zich dubbele inspanning getroosten. Wat nu in dit geval hun plicht was, vers 38 :"Bidt dan den Heere des oogstes." Het treurig aanzien der tijden, en de droeve toestand, waarin kostbare zielen verkeren, behoren ons op te wekken tot vurig en aanhoudend gebed. Als de dingen er zo hopeloos uitzien, dan moeten wij des te meer bidden, en dan zullen wij ook minder klagen en minder vrezen. Wij behoren ons gebed te richten naar den tegenwoordigen nood der kerk, en wij moeten zulk een goed inzicht hebben in de tijdsomstandigheden, dat wij niet slechts weten wat Israël behoort te doen, maar ook waar Israël om moet bidden. God is "de Heere des oogstes, "Mijn Vader is de Landman." Johannes 15:1. Het is "de wijngaard van den Heere der heirscharen," Jesaja 5:7. Het is voor Hem, en tot Hem, en tot Zijn dienst en eer, dat de oogst ingezameld wordt. "Gods akkerwerk zijt gij." 1 Corinthiërs 3:9. Zijne dorsing en de tarwe Zijns vloers, Jesaja 21:10. Betreffende den oogst schikt en regelt Hij alles naar Zijn welbehagen, wanneer, en waar de arbeiders zullen werken, en ook hoe lang, en het is voor hen, die het goede wensen voor den oogst-arbeid, zeer troostrijk te weten, dat God zelf dien arbeid bestuurt, en alles daarin ten goede zal regelen. Leraren zijn, en behoren te wezen, arbeiders in den oogst Gods, de Evangeliedienst is een werk, en er moet acht op worden geslagen, het is oogstwerk, en dus een noodzakelijk werk, een werk waarbij alles op zijn eigen bestemden tijd moet geschieden, en het moet met naarstigheid gedaan worden, maar het is een aangenaam werk, zij "maaien met gejuich," en de blijdschap van de predikers des Evangelies wordt vergeleken met het verblijd zijn in den oogst. Jesaja 9:2, en "die maait, ontvangt loon", de loon der werklieden, die Gods akker afmaaien, zal "niet verkort worden," zoals het hun verkort werd, Jakobus 5:4. Het is Gods werk de arbeiders uit te zenden, Christus geeft leraars, Efeze 4:11. Hij roept tot dit ambt, Hij schenkt er de gaven en bekwaamheden voor. Zij, die zich tot dezen dienst begeven zonder er toe geroepen te zijn, en er noch bekwaam, noch bevoegd toe zijn, zullen noch als arbeiders erkend worden, noch als zodanig loon ontvangen. "Hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?" Allen die Christus liefhebben en de zielen liefhebben, moeten dit tonen door hun vurig gebed tot God, inzonderheid als de oogst groot is, dat Hij bekwamer, getrouwer, wijzer en naarstiger "arbeiders in zijn oogst uitstote, dat Hij de zodanige zal opwekken, die Hij als arbeiders zal erkennen door de bekering van zondaren en de stichting der heiligen, hun geestkracht zal geven voor het werk, hen er toe zal roepen, en hen er in zal doen welslagen, dal hij hun wijsheid zal geven om zielen te winnen, dat Hij "arbeiders zal uitstoten," waardoor van hun zijde tegenzin te kennen wordt gegeven om te gaan, en dat wel vanwege hun eigene zwakheid en de verdorvenheid des volks, en den tegenstand der mensen, die pogen hen uit den oogst weg te stoten, maar wij behoren te bidden, dat alle tegenspraak van binnen en van buiten, overwonnen moge worden. Christus spoorde zijne vrienden aan om hiervoor te bidden op het ogenblik, toen Hij op het punt stond Zijne apostelen te zenden om in den oogst te arbeiden. Het is een goed teken, dat God een bijzonderen zegen zal geven over een volk, of ene gemeente, als Hij diegenen, welke veel vermogen bij den troon der genade, opwekt om hiervoor te bidden Psalm 10:17. Merk voorts ook op, dat Christus dit zei tot zijne discipelen, die als arbeiders gebruikt stonden te worden. Zij moesten dus bidden, ten eerste, dat God hen zou zenden. "Zie, hier ben ik, zend mij," Jesaja 6:8. Ene opdracht geschonken als verhoring van gebed, zal hoogst waarschijnlijk een goeden uitslag hebben, Paulus is een "uitverkoren vat," want "zie, hij bidt," Handelingen 9:11, 15. Ten tweede, dat hij ook anderen zal uitzenden. Niet slechts de gemeente, maar ook de leraren zelf moeten bidden om toeneming van het getal der leraren. Eigenbelang kan hen, die slechts het hun zoeken, doen begeren, om maar alleen te blijven (hoe minder leraren, hoe meer leraarsplaatsen) maar zij, die zoeken hetgeen van Christus is, begeren meer arbeiders, opdat er meer werk zal worden gedaan, al is het ook, dat zij hierdoor op den achtergrond geraken, of in de schaduw worden gesteld.