Ezechiël 31:1-9
Deze profetie draagt de datum van een maand voor de inneming van Jeruzalem, gelijk die aan het slot van het vorige hoofdstuk ongeveer vier maanden vroeger. Toen Gods volk in de diepste ellende verkeerde, kon het hun in zekere mate troosten en de hoogmoed en de kwaadgezindheid van hun naburen, die hen plaagden, enigszins neerzetten, als hun meegedeeld werd, dat de hemel de beker van de verschrikking deed rondgaan, die spoedig van Gods volk zou afnemen en op de hand zetten dergenen, die het haatten, Jesaja 51:22, 23. in deze profetie
I. Wordt de profeet bevolen, Farao aan te bevelen de berichten aangaande een soortgelijk geval als het zijne te onderzoeken, vers 2 :Zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte, tot de menigte van zijn dienaren, die mede zijn heerlijkheid uitmaken, tot de menigte van zijn legerscharen, waarin zijn kracht bestaat. Daarop was hij trots, daarin stelde hij zijn vertrouwen, gelijk die op hem trots waren en op hem hun vertrouwen stelden. Vraag hem nu: "Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?" Wij zijn geneigd, om zelf naar vergelijking met kinderen te oordelen. Zij, die hoog van zichzelf denken, verbeelden zich even groot en even goed te zijn als die en die, welke zeer goede naam hebben. Wie vorsten vleien vertellen hun, dat zij die en die in pracht en grootheid gelijk zijn of verheffen. "Nu", zegt God, "laat hij zich met de machtigste potentaat gelijkstellen, hij zij even groot, en in geen enkel opzicht minder, laat hij zich vergelijken met wie hij verkiest, hij zal zien dat de dag van zijn val nadert, hij zal ervaren dat er een eind komt aan zijn volkomenheid en dat hij zijn ondergang als die van anderen kan verwachten". Zie, de val van anderen, zowel in zonde als in ellende, moet ons vermanen, niet hooggevoelende of zeker te zijn, maar te bedenken, dat wij voortdurend in gevaar verkeren.
II. Hem wordt gelast, Farao een voorbeeld te tonen van iemand, die hij in grootheid evenaart, en dat was het Assyrische rijk, vers 3 dat reeds van Nimrod af bestaan had. Sanherib was één van de machtigste vorsten van dat rijk geweest, maar was het spoedig na hem vervallen en de monarchie van Nebukadnezar was op dezelfde puinhopen gebouwd en op dezelfde stam ingeënt. Laat ons nu eens zien, hoe `n machtige koning de vorst van Assyrië was. Hij wordt hier vergeleken met een prachtvolle ceder, vers 3. De glorie van Davids huis wordt met dezelfde boom vergeleken, Hoofdstuk 17:3. De olijfboom, de vijgeboom en de wijnstok, alle drie vruchtbomen, hadden geweigerd, over de bomen te zweven, dat is te regeren, omdat zij hun vruchtbaarheid niet wilden verliezen, Richteren 9:8 enz, en daarom valt de keuze op de ceder, die statig en sterk is en veel schaduw geeft, maar geen vrucht draagt.
1. De koning van Assyrië was de hoge ceder, zoals die van de Libanon, "hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken" hij was omringd door andere vorsten, die hem cijnsbaar waren, en omstuwd door een lijfwacht van dappere mannen. Hij ging alle vorsten in zijn nabuurschap te boven, zij waren als takken met hem vergeleken, vers 5 :zijn stam was hoger dan alle bomen des velde, die waren meest heel hoog, maar hij overtrof ze alle, vers 8. De ceders, zelfs die van de hof van Eden, die zeker zeer uitnemende bomen waren, verduisterden hem niet, maar zijn opperste takken staken boven die uit.
2. Hij was een wijdvertakte boom, zijn takken schoten niet alleen omhoog, maar ook in de breedte uit, wat zeggen wil, dat deze machtige vorst niet alleen tot grote waardigheid en eer gestegen was en een naam had boven de namen van alle groten van de aarde, maar dat hij ook een uitgestrekte heerschappij en macht bezat. Zijn gebied had een geduchte omvang, hij strekte zijn veroveringen zeer ver uit en zijn invloed nog verder. "Deze ceder schoot, als een wijnstok, zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier," Psalm 80:12. Zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vers 5, zodat hij schaduwachtig van loof werd, vers 3. Dit droeg ontzaglijk tot zijn schoonheid bij, zodat hij even breed als hoog werd. Hij was schoon in zijn grootheid, en in de lengte van zijn takken, vers 7, zo schoon als groot en statig, schoon door de veelheid van zijn takken, vers 9. Zijn uitgestrekte landen werden goed bestuurd, gelijk een wijdvertakte boom, die door de bekwaamheid van de tuinman wel verzorgd en gesnoeid wordt, en een wellust voor het oog is. Zijn bestuur was uitstekend in de ogen van de wijzen, en bewonderenswaardig in de ogen van alle mensen. De dennebomen waren zijn takken niet gelijk, zo recht, zo groen, zo regelmatig, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten, zo dik en wijd uitgespreid. Kortom, geen boom in Gods hof in Eden, in Babel (want daar is het paradijs geweest), "waar al het geboomte was, begeerlijk voor het aangezicht," Genesis 2:9, was zo schoon als deze ceder, dat is: in alle omliggende landen was geen koning, zo bewonderd, zo geëerd zo bemind als de koning van Assyrië. Vele vorsten handelden deugdelijk, maar hij ging die alle te boven. Alle bomen van Eden benijdden hem, vers 9. Toen zij zagen, dat zij zich met hem niet konden vergelijken, werden zij naijverig op hem en gunden hem eigenlijk die lof en die eer niet. Zie, het is het ongeluk dergenen die anderen overtreffen, dat zij zichzelf daardoor voorwerpen van nijd maken, en wie zal voor nijdigheid bestaan?
3. Hij was nuttig, als een groeiende ceder dat kan zijn, en wel door zijn schaduw, vers 6. Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takken waar zij tegen de ruwheid van het weer beschut waren. Alle dieren des velds begaven zich onder de bescherming van zijn scheuten. Daar lagen zij neer en stonden zij op, daar teelden zij, brachten jongen voort, want de boom bood hun een veilige schuilplaats. Dat alles beduidt, dat grote natiën onder zijn takken woonden, alle kwamen tot hem om bescherming en wilden hem trouw zweren als hij ze maar onder zijn hoede nam, gelijk reizigers, door een regenbui verrast, onder een groten boom beschutting zoeken. Zie, zij, die macht hebben, moeten die aanwenden tot bescherming en steun van degenen, die onder hun macht staan, want daarom is hun die macht gegeven. Zelfs de doornenbos, toen hij tot koning verkoren was, nodigde de bomen uit om te komen en zich onder zijn schaduw te vertrouwen, Richteren 9:15. Maar de uiterste veiligheid, die enig schepsel, zelfs de koning van Assyrië zelf, geven kan, is niet meer dan de schaduw van een boom, welke slechts een betrekkelijk armoedige bescherming geeft en niet in alle gevaar beschut. Laat ons daarom tot God om bescherming vluchten, dan neemt Hij ons onder de schaduw van zijn vleugels, waar wij warmer en veiliger zijn de onder die van de sterkste en statigste ceder, Psalm 17:9, 91:4.
4. Hij scheen in zijn grootheid en macht bevestigd te zijn, want,
a. Het was God, die hem schoon gemaakt had, vers 9. Door Hem regeren de koningen. Hij was schoon door de schoonheid, die God op hem gelegd had. Zie, Gods hand moet gezien en erkend worden in de vooruitgang van de grote mannen op aarde, en daarom moeten wij hen niet benijden. Toch zal dat de voortgang van hun voorspoed niet verzekeren, want die hun hun schoonheid geeft, kan hun die weer ontnemen en ze in misvormdheid veranderen.
b. Hij scheen een goede bodem te hebben. "De ceder was niet gelijk de heide in de wildernis, die blijft in de dorre plaatsen van de woestijn, Jeremia 17:6, hij heeft niet een wortel in een dorre aarde", Jesaja 53:2. Neen, hij had overvloed van rijkdom om zijn macht en grootheid te steunen, vers 4. De wateren maakten hem groot, hij had uitgebreide schatten, overvloedige voorraden in grote magazijnen, de afgrond maakte hem hoog. Aanhoudend stroomden hem inkomsten, belastingen, cijns en kroonrechten toe, die waren als stromen rondom zijn planten. Dit stelde hen in staat, zijn belangen overal te behartigen en te verzekeren want hij zond waterleidingen uit tot alle bomen in het veld, vers 4, "zij trokken salaris uit het paleis des konings, Ezra 4:14, en hun land werd gespijzigd van des konings land," Handelingen 12:20, daarom waren zij hem getrouw en dienden hem. Degenen, wie de welvaart in grote stromen toevloeit, vinden zich verplicht die in kleinere rivieren weer te doen uitvloeien want, naar het goed vermeerdert, vermeerderen ook degenen, die het eten, en hoe meer iemand heeft, des te meer kan hij uitgeven. De scheuten van deze ceder werden lang, vanwege de grote wateren, die hij uitschoot, vers 5, 7, zijn wortel was aan grote wateren, die een waarborg schenen, "dat zijn blad nimmer zou af vallen, Psalm 1:3, en dat hij het niet voelen zou wanneer er een hitte kwam," Jeremia 17:8. Zie, het kan schijnen, dat wereldse mensen een gevestigde voorspoed genieten, en dat het toch niet meer dan schijn is. Job 5:3 :Psalm 37:35.