Psalm 91:1-8
In deze verzen hebben wij:
I. Een grote waarheid, gesteld in het algemeen: Dat allen, die een leven leiden van gemeenschap met God, voortdurend veilig zijn onder Zijn bescherming en daarom te allen tijde een heilige kalmte en gerustheid kunnen behouden, vers 1. Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, zal vernachten in de schaduw des Almachtigen, hij die door het geloof God tot Zijn hoeder kiest zal in Hem alles vinden wat hij nodig heeft of kan begeren. Het is de aard van een ware gelovige, dat hij in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten hij is tehuis in God, keert terug tot God, en is in Hem als in zijn rust, hij maakt zich vertrouwd met het innerlijke van de Godsdienst en maakt van de dienst van God hartewerk, aanbidt binnen de voorhang, en is gaarne alleen met God om met Hem te spreken in de eenzaamheid. Het is het voorrecht en de vertroosting van hen, die dat doen, dat zij vernachten in de schaduw des Almachtigen, Hij beschut hen, en stelt zich tussen hen en alles wat hen zou kunnen schaden hetzij storm of zonneschijn. Zij zullen niet slechts een toelating nu en dan, maar een woning hebben onder Gods bescherming, Hij zal tot in eeuwigheid hun rust en hun toevlucht wezen.
II. De troostrijke toepassing hiervan door de psalmist op zichzelf, vers 2. Ik zal van de Heere zeggen, wat anderen ook van Hem mogen zeggen, ik zal van Hem zeggen "Hij is mijn toevlucht, ik kies Hem als zodanig en betrouw op Hem. Anderen stelden afgoden tot hun toevlucht, maar ik zal zeggen van Jehovah, de ware en levende God: Hij is mijn toevlucht, ieder ander is een toevlucht van de leugen. Hij is een toevlucht, die mij niet feilen zal, want Hij is mijn burg". Afgodendienaars noemden hun afgoden Mahuzzim, dit is hun "vastigheden van de sterkte," Daniël 11:39, maar hierin bedrogen zij zichzelf, alleen diegenen beveiligen zich, die de Heere hun God tot hun burg stellen. Daar er geen reden is om Zijn genoegzaamheid in twijfel te trekken, volgt hier zeer gepast: op Hem zal ik vertrouwen. Als Jehovah onze God is, onze toevlucht en onze burg, wat kunnen wij dan begeren dat wij niet zeer stellig in Hem zullen vinden? Hij is noch wispelturig, noch ontrouw, noch zwak, noch sterflijk, Hij is God en geen mens, en daarom is er geen gevaar dat wij teleurgesteld zullen worden in Hem. Wij weten wie wij vertrouwd hebben.
III. De grote bemoediging, die Hij geeft aan anderen, om evenzo te doen, niet alleen uit zijn eigen ervaring van de troost ervan (want daarin zou misleiding, begoocheling kunnen zijn) maar van de waarheid van Gods belofte, waarin geen misleiding is of kan wezen, vers 3, 4, en verv. Hij zal u redden. Zij, die zelf de vertroosting hebben bevonden van God tot hun toevlucht te hebben gesteld, kunnen niet anders dan begeren dat anderen het ook zullen doen. Nu is hier beloofd:
1. Dat de gelovigen bewaard zullen worden voor de onheilen, waar zij in onmiddellijk gevaar van zijn, en die hun noodlottig zouden wezen, vers 3. Hij zal u redden van de strik des vogelvangers, die ongezien wordt gelegd, en de onvoorzichtige prooi plotseling vangt, en van de zeer verderflijke pestilentie, die de mensen onverhoeds aangrijpt, en tegen welke men niet op zijn hoede kan wezen. Deze belofte beschermt:
a. Het natuurlijk leven, en wordt dikwijls vervuld in onze bewaring voor die gevaren, welke zeer dreigend zijn, en zeer nabij, terwijl wij zelf er ons niet meer van bewust zijn dan de vogel van de strik des vogelvangers bewust is. Wij zijn het meer dan wij beseffen aan de zorg van de Goddelijke voorzienigheid verschuldigd, dat wij voor besmettelijke ziekten bewaard bleven en uit de handen van goddeloze en onredelijke mensen zijn gehouden.
b. Het geestelijk leven, dat door de Goddelijke genade beschermd werd tegen de verzoekingen van Satan, die als de strikken zijn van de vogelvanger, en tegen de besmetting van de zonde, die de zeer verderflijke pestilentie is. Hij, die genade heeft gegeven om de heerlijkheid te zijn van de ziel, zal voor al die heerlijkheid een beschutting maken.
2. Dat God zelf hun beschermer zal zijn, zij moeten wel veilig wezen, die Hem tot hun hoeder hebben. Hij zal u dekken, vers 4, "Hij verbergt u", Psalm 31:21, en aldus houdt Hij u veilig, Psalm 27:5. God beschermt de gelovigen:
a. Met de grootste tederheid en liefde, te kennen gegeven in dat woord: Hij zal u dekken met Zijn vlerken, onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen, hetgeen een toespeling is op de hen, "die haar kiekens vergadert onder haar vleugelen," Mattheus 23:37. Door natuurlijk instinct beschermt zij ze niet slechts, maar roept zij ze onder haar bescherming, als zij ze in gevaar ziet houdt zij ze niet slechts veilig, maar koestert ze en houdt ze warm. Hierbij behaagt het de grote God de zorg te vergelijken, die Hij heeft voor Zijn volk, die hulpeloos zijn als de kiekens, en van wie gemakkelijk een prooi kan gemaakt worden, maar zij worden uitgenodigd om te betrouwen onder de vleugelen van de Goddelijke belofte en voorzienigheid, hetgeen de omschrijving is van een proseliet van de ware godsdienst, dat hij gekomen is om "onder de vleugelen van de God Israëls de toevlucht te nemen," Ruth 2:12.
b. Met de grootste kracht en macht, vleugelen en vlerken zijn, al worden zij ook met de grootste tederheid uitgespreid, toch zwak, en gemakkelijk door te breken, en daarom is erbij gevoegd: Zijn waarheid zal u een rondas en beukelaar zijn, een sterke beschutting. God is even bereid om Zijn volk te bewaren als de hen om haar kiekens te bewaren, en even machtig als een krijgsman in volle wapenrusting.
3. Dat Hij hen niet slechts voor kwaad zal behoeden, maar ook voor de vrees des kwaads, vers 5, 6. Hier is:
a. Groot gevaar ondersteld, het noemen ervan is reeds genoeg om ons te verschrikken, nacht en dag zijn wij er aan blootgesteld, en zij, die vreesachtig van aard zijn, zullen zich in geen van beide tijdsbestekken veilig achten. Als wij ons in ons slaapvertrek op onze legerstede hebben teruggetrokken, alles zo veilig om ons heen hebben gemaakt als wij konden, is er toch schrik, schrik des nachts, angst voor dieven en rovers, voor wind en storm, behalve nog de dingen, die schepselen zijn van de verbeelding, die dikwijls de schrikkelijkste van allen zijn, wij lezen van de schrik des nachts, Hooglied 3:8. Er is ook een pestilentie die in de donkerheid wandelt, zo als die welke de eerstgeborenen van Egypte gedood heeft en het leger van de Assyriërs. Geen sloten of grendels kunnen ziekte buitensluiten, terwijl wij in ons lichaam de zaden ervan dragen. Maar gewis, overdag, als wij om ons heen kunnen zien, dan zijn wij toch niet zo in gevaar, dat zijn wij wel: er is een pijl) die ook des daags vliegt, en toch ongezien vliegt, er is een verderf dat op de middag verwoest, als wij wakker zijn en al onze vrienden om ons heen hebben, zelfs dan kunnen wij ons niet beveiligen, evenmin als zij ons kunnen beveiligen. Het was bij dag, dat de pestilentie verwoestte, die gezonden was om David te kastijden wegens zijn tellen van het volk, bij gelegenheid waarvan, naar sommigen denken, deze psalm geschreven werd. Maar:
b. Hier is aan de gelovigen grote veiligheid beloofd in het midden van dit gevaar: "Gij zult niet vrezen, " God zal door Zijn genade voor een ontrustend, wantrouwend vrezen behoeden (voor het vrezen waarin pijn is) temidden van de grootste gevaren. De wijsheid zal u ervoor behoeden om zonder oorzaak bevreesd te zijn, en het geloof zal u ervoor behoeden om bovenmate bevreesd te zijn. Gij zult niet vrezen voor de pijl, wetende dat, hoewel hij u kan treffen hij u toch niet kan schaden. Indien hij het natuurlijk leven wegneemt, zal dit toch wel verre van het geestelijk leven te schaden, er juist de volkomenheid van zijn." Een gelovige behoeft niet te vrezen, en daarom moet hij niet vrezen voor een pijl, voor generlei pijl, want de punt is ervan weg, het gif is er uit- o dood, waar is uw prikkel? Hij is ook onder Goddelijke leiding, en zal treffen waar God het bestelt, en nergens anders. Iedere kogel heeft zijn opdracht. Wat er ook gedaan wordt, de wil onzes hemelsen Vaders geschiedt, en wij hebben geen reden om daar bevreesd voor te zijn.
4. Dat zij op een onderscheidende wijze in algemene rampen bewaard zullen blijven vers 7. "Als de dood in triomf daar heenrijdt, en krankheden woeden, zodat duizenden en tienduizenden vallen, vallen door ziekte of door het zwaard in de krijg, vallen aan uw zijde, aan uw rechterhand, en het gezicht ervan genoeg is om u te verschrikken, en indien zij vallen door pestilentie, hun vallen zo dicht in uw nabijheid u waarschijnlijk zou kunnen aansteken, zal het toch tot u niet genaken, de dood niet, en de vrees des doods niet." Zij, die in tijden van algemeen bederf hun reinheid bewaren, kunnen in tijden van algemene verwoesting op God vertrouwen voor hun veiligheid. Als er menigten om ons heen sterven, moeten wij hierdoor wel opgewekt worden om ons te bereiden voor onze eigen dood, maar toch moeten wij dan niet "vrezen met enige verschrikking," 1 Petrus 3:6, ons niet door de vreze des doods van de dienstbaarheid onderwerpen zoals velen hun leven lang doen, Hebreeën 2:15. De besprenging met bloed beveiligde de eerstgeborenen van Israël toen duizenden vielen. Ja, er is aan het volk van God beloofd dat zij de voldoening zullen hebben, niet alleen van Gods beloften aan zich vervuld te zien, maar ook Zijn bedreigingen vervuld te zien aan degenen, die hen haten, vers 8. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen, en gij zult de vergelding van de goddelozen zien, hetgeen misschien verwijst naar het verderf over de eerstgeborenen van Egypte door de pestilentie, die beide de straf was van de verdrukkers en de bevrijding van de verdrukten, dit zag Israël, toen zij zichzelf ongedeerd zagen. Gelijk het de verdoemenis van de zondaars zal verzwaren als zij de beloning van de rechtvaardigen zullen aanschouwen, Lukas 13:28, zo zal het de zaligheid van de heiligen verhogen als zij met hun ogen het verderf van de goddelozen zullen aanschouwen, Jesaja 66:24, Psalm 58:I1.