9. Ik, de Heere, had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, (die daarin staan
Genesis 2:8), hem benijdden.
De parallellen zijn zo nauwkeurig doorgevoerd, dat vele uitleggers gemeend hebben het woord Assur niet als eigen naam van Assyrië, maar in appellatieve betekenis en van ene bijzonder heerlijke cedersoort te moeten opvatten, waaronder dan tevens Egypte moet worden verstaan. Met deze doorvoering is bedoeld juist te doen uitkomen, hoe nauwkeurig Egypte met Assur overeenkomt, zodat ieder in de tekening van Assur aanstonds het tegenbeeld zal herkennen.
Assur is gelijk aan een cederboom van de eerste grootte, die zo groot is geworden, omdat hij aan de wateren geplant was. De diepte der wateren zond hare stromen tot hem, terwijl zij tot de andere bomen des velds slechts kleine slootjes afvoerde. Daarom is de cederboom Assur groter dan die alle, ja, zo groot geworden, dat alle volken der heidenwereld onder zijne schaduw zaten, en geen andere boom in de planting Gods hem evenaarde. Zo groot en schoon had God hem gemaakt, en alle bomen in Gods hof, d. i. alle andere volken en rijken in de wereld Gods benijdden hem daarom.
Met recht worden de rijken in de Schrift met bomen vergeleken, zowel wat hun gedaante, de bescherming en schaduw, die zij aan mensen en dieren geven, als wat hun vruchten aangaat, eindelijk echter ook ten opzichte daarvan, dat de rijken als de bomen groen worden, dan verminderen, door den wind omgeworpen, of door den bijl der mensen omgehouwen worden.
Iedere trek in het beeld van den ceder heeft zijne betekenis, en dat wordt daardoor aangeduid, dat Ezechiël aan het slot van Vers 6 zelf een trek van het beeld uitlegt. Het rijk van Assur is de boom, de takken zijn de afhankelijke provincies en gewesten, rijk aan loof en schaduw, rijk aan twijgen, en rijk aan beschermend vermogen, zeer hoog boven alle rijken in zijnen tijd uitmuntende, zijn top is de koning, onder dichte takken. omgeven van talrijke nakomelingschap. De diepte is ene onuitputtelijke volheid van water, die uit den afgrond der aarde steeds opwelt (Genesis 7:11), de wateren duiden enen toevloed aan van goederen en schatten. De stam is het middelpunt des rijks, de hoofdstad, dus voor Assur Nineve. De beken, die hare wateren uitstortten tot alle bomen des velds, zijn de rijkdommen, die van Assur door handelsverkeer allen anderen landen en koninkrijken toestroomden. De vogelen des hemels en de dieren des velds verklaart Ezechiël zelf van alle grote, machtige volkeren"
De wortelen als zodanig, slechts naar deze wereld groot, rijk, zijn zijne schatkameren, zijn belastingstelsel, waarmee het andere landen uitzuigt. In Gods hof, in den hof der volkeren, dien God geplant heeft. Deze is dus Vers 3 onder den Libanon bedoeld; dßßr was Assur met een ceder vergeleken; hier wordt hij geschilderd als de schoonste onder alle bomen. Cederen, dennen, platanen, duiden drie verschillende rangen van rijken aan. De cederen konden den ceder van Assur niet in de schaduw stellen, zij bereikten in lange zijne hoogte niet. De cypressen konden zich niet met zijne takken, de platanen niet eens met zijne twijgen vergelijken. Ja Assur was toen onvergelijkelijk heerlijk. Let wel: de Heere heeft het gedaan en Assurs hart verhief zich, als hadde hij het zelf uitgericht. Dat was zijne schuld, evenals toen Egypte zei: de stroom is de mijne, en ik heb hem voor mij gemaakt (Hoofdstuk 29:3). Thans bespeuren wij uit Hoofdstuk 31:4, wat de stroom Hoofdstuk 29:3 voor Egypte eigenlijk betekent. Het is de Nijl, maar slechts als type van alle hulpbronnen van Egypte.
Evenals in het nieuwe Testament naar het hemelse wordt afgemeten, zo wordt in het Oude Testament wat heerlijk is of was, met Eden en het Paradijs (den hof Gods, Genesis 13:10) vergeleken.
De gezamenlijke groten der aarde stelt Ezechiël voor als den hof Gods, terwijl hij ze als tegenbeeld van den hof, dien God in Eden plantte, van het Paradijs met zijne heerlijke bomen beschouwt. De vergelijking is te meer gepast, daar, gelijk het Paradijs door God geplant was, ook alle menselijke grootheid van God haren oorsprong heeft. De benijding der overige bomen, dus van de overige groten der aarde, komt alleen in zoverre in aanmerking, als die de grootheid der gaven, aan dezen koning verleend, in het licht stelt. De benijding heeft ene zijde, volgens welke die als een geluk kan worden beschouwd voor degene, dien zij treft; men denke slechts aan het spreekwoord, beter benijd dan beklaagd.
Ook den Heidenen heeft God welgedaan, opdat zij Hem zouden zoeken, of zij Hem mochten vinden (Handelingen 17:26).