Psalm 37:34-40
Het besluit van deze leerrede (want dat is de aard van dit gedicht), is van dezelfde strekking als het geheel en prent ons dezelfde dingen in.
I. De plicht, waar hier op wordt aangedrongen, is nog dezelfde, vers 34 Wacht op de Heere en houdt zijn weg. De plicht is van ons en wij moeten hem nauwgezet betrachten, Gods weg houden, er nooit van afwijken, er nooit op dralen of treuzelen, maar er gestadig en vastberaden op voortgaan; maar de uitkomst is van God, en wij moeten er de beschikking van aan Hem overlaten. Wij moeten wachten op de Heere, letten op de gangen van Zijn voorzienigheid, die opmerkzaam gadeslaan, en er ons nauwgezet en goedsmoeds naar schikken. Als wij het tot een gewetenszaak maken om Gods weg te houden, dan kunnen wij goedsmoeds op Hem wachten en onze weg op Hem wentelen en dan zullen wij bevinden dat Hij beide voor Zijn werkende en Zijn wachtende dienstknechten een goede meester is.
II. De redenen om op deze plicht bij ons aan te dringen zijn ook dezelfde, ontleend aan de verwoesting, die over de goddelozen komen zal, en het gewisse heil van de rechtvaardigen. De godvruchtige, in verzoeking zijnde om de voorspoed van de goddelozen te benijden, gaat ten einde zich tegen die verzoeking te wapenen "in Gods heiligdommen," en leidt er ons heen Psalm 73:17; daar merkt hij op hun einde en geeft het ons te verstaan, en door het te vergelijken met het einde van de rechtvaardigen, slaat hij de verzoeking terug en brengt haar tot zwijgen.
Merk op;
1. De ellende van de goddelozen ten slotte; hoe zij ook voor een poosje gebloeid hebben, voorspoedig zijn geweest, het einde van de goddelozen wordt uitgeroeid, vers 38, en datgene kan niet goed zijn, dat zo ontwijfelbaar slecht zal eindigen. In hun einde zullen de goddelozen afgesneden worden van alle goed en alle hoop er op, er zal een onherroepelijk einde worden gemaakt aan al hun genietingen, en zij zullen voor eeuwig gescheiden worden van de fontein des levens.
a. David zelf had sommige merkwaardige voorbeelden gezien van verderf over goddelozen in deze wereld; gezien dat de pracht en voorspoed van zondaars hen niet beveiligen tegen de oordelen Gods, als hun dag om te vallen is gekomen, vers 35, 36 Ik heb een geweld drijvenden goddeloze (het woord staat in het enkelvoud) veronderstel Saul of Achitofel (want David was een oud man toen hij deze psalm schreef); een goddeloze, die grote macht had, geducht was zo vertalen sommigen het woord de schrik van de machtigen in het land van de levenden, die alles met geweld voor zich heen drijft, onwankelbaar vast schijnt te staan, groeit en bloeit als een groene inlandse boom, die bladeren voortbrengt, maar geen vruchten; als een geboren Israëliet (aldus Mr. Hammond) die alle kans heeft van wortel te schieten. Maar wat is er van hem geworden? Lang tevoren had Elifaz geleerd, toen hij een dwaas wortelende zag, zijn woning te vervloeken, Job 5:3. En David zag er reden voor want deze groene inlandse boom is even spoedig verdord als de vijgenboom, die Christus vervloekt had; hij ging door, en zie, hij was er niet meer, ging voorbij als een droom, als een schaduw, zo was hij en al de pracht en macht, waarop hij zo trots was; in een oogwenk was hij weg, verdwenen, hij was er niet meer; ik zocht hem met verwondering, maar hij werd niet gevonden. Hij had zijn rol gespeeld en was toen van het toneel verdwenen en men miste hem niet.
b. Het laatste, het algehele verderf van zondaren, van alle zondaren zal weldra evenzeer tot een schouwspel van de heiligen zijn, als deze nu soms tot een schouwspel van de wereld gemaakt worden, vers 34. Als de goddelozen worden uitgeroeid en uitgeroeid zullen zij zeker worden zult gij het zien, het zien met eerbiedige aanbidding van de Goddelijke gerechtigheid. De overtreders worden tezamen verdelgd, vers 38. In deze wereld stelt God hier en daar een enkele zondaar uit velen tot een afschrikkend voorbeeld; maar in de dag van het oordeel zal er een algemene verdelging zijn voor alle overtreders, en niet één zal ontkomen. Zij, die tezamen gezondigd hebben, zullen tezamen veroordeeld worden: bindt ze in busselen on ze te verbranden.
2. De zaligheid van de rechtvaardigen in het einde. Laat ons zien wat van Gods arm en veracht volk het einde zal zijn.
A. Verhoging. Er zijn tijden geweest, toen de ongerechtigheid zo de overhand had en zo groot was, dat van de mensen Godsvrucht hun bevordering in deze wereld in de weg stond, hen geheel buiten staat stelde om zich een bezitting te verkrijgen; maar zij, die Gods weg houden, kunnen ervan verzekerd zijn dat Hij hen te bestemder tijd verhogen zat om het land erfelijk te bezitten, vers 34 Hij zal hen bevorderen tot een plaats in de hemelse woningen, tot waardigheid en eer en wezenlijke rijkdom in het Nieuwe Jeruzalem, om dat goede land, dat land van de belofte, waarvan Kanaän een type was, erfelijk te bezitten; Hij zal hen verhogen boven alle minachting, en alle gevaar.
B. Vrede, vers 37 Laat alle mensen letten op de vrome en zien naar de oprechte, kennis van hem nemen, om hem te bewonderen en na te volgen; houdt uw oog op hem gericht, en ziet wat er van hem wordt, en gij zult bevinden dat het einde van die man vrede is. Soms is het laatste gedeelte van zijn dagen aangenamer en lieflijker voor hem dan het begin ervan geweest is, de stormen zijn voorbij, en hij is wederom vertroost na de tijd, waarin hij beproefd is geweest. In elk geval: indien al zijn dagen donker en bewolkt mochten zijn. Dan is de dag van zijn sterven hem misschien lieflijk en kan zijn zijn dan helder ondergaan; of mocht zij ondergaan in een wolk, dan zal toch zijn toekomende staat vrede, eeuwige vrede zijn. Zij die in hun oprechtheid wandelen terwijl zij leven, zullen ingaan tot de vrede, als zij sterven, Jesaja 57:2 Een vredig sterven is het einde geweest van het moeilijk leven van menige Godvruchtige, en alles is wel, dat aldus wel eindigt. Bileam zelf wenste dat zijn dood en zijn einde zouden zijn als die van de oprechten Numeri 23:10
C. Heil, vers 39, 40 Het heil van de rechtvaardigen (dat toegepast kan worden op de grote zaligheid, "van welke de profeten ondervraagd en onderzocht hebben," 1 Petrus 1:l0), dat is: van de Heere; het zal het doel zijn des Heren, de eeuwige zaligheid, dat heil Gods, hetwelk allen zullen zien, die hun weg wel aanstellen, Psalm 50:23. En Hij, die Christus en de hemel voor hen bestemt, zal hun een algenoegzame God zijn. Hij is hun sterkte ten tijde van benauwdheid om hen er in te ondersteunen en hen er door te helpen. Hij zal hen helpen en hen bevrijden, hen helpen om hun plicht te doen, hun lasten te dragen, hun geestelijke strijd te strijden, hen helpen om hun moeilijkheden goed te dragen en er goeds uit te ontvangen, en te bestemder tijd hen uit hun benauwdheid verlossen. Hij zal hen bevrijden van de bozen, die hen zoeken te overstelpen en te verslinden, zal hen veilig doen zijn daar, waar de bozen ophouden van beroering. Hij zal hen bevrijden, hen niet alleen veilig bewaren, maar hen gelukkig maken, omdat zij op Hem betrouwen; niet omdat zij het van Hem verdiend hebben, maar omdat zij zich aan Hem hebben overgegeven, vertrouwen in Hem hebben gesteld en Hem daardoor hebben geëerd.